Film over Karel Appel heeft neiging tot gewichtigheid

Karel Appel, If I were a bird, morgenavond Ned.1, 22.54u.

Wie een film maakt over Karel Appel, heeft als handicap dat de definitieve film over een van de grootste Nederlandse schilders van deze eeuw eigenlijk al gemaakt is. En wel 35 jaar geleden: Jan Vrijmans De werkelijkheid van Karel Appel. Het is nu nog maar moeilijk voorstelbaar, wat een opschudding die film, met zijn beroemde opnamen door het doek heen van Appel die met tubes en grote klodders verf de materie te lijf ging, destijds wekte.

Nog jaren plachten schrijvers van ingezonden brieven in De Telegraaf, fulminerend tegen 'moderne kunst die mijn zoontje van vijf ook kan maken', te verwijzen naar een uitspraak die Appel in de film van Vrijman zou hebben gedaan: 'ik rotzooi maar wat aan'. In werkelijkheid, vertelde Jan Vrijman vorige week na première van de bioscoopversie van Mat van Hensbergens nieuwe Appel-film (If I were a bird), deed Appel die uitspraak niet in de film uit 1960, maar in een vraaggesprek in Vrij Nederland in diezelfde tijd.

Van Hensbergens film, waarvan de Humanistische Omroep Stichting morgenavond een enigszins bekorte televisieversie vertoont, doet een beetje naar Vrijmans film terugverlangen. En dat niet alleen omdat wat in 1960 baanbrekend en scandaleus was, nu natuurlijk een beetje de sporen van vieux jeu vertoont. Ook heeft Van Hensbergen, vermoedelijk in het streven een kunstzinnige film te maken, de neiging iets te veel tussen zijn onderwerp, Karel Appel, en de kijker in te gaan staan.

Die wordt daardoor bijvoorbeeld opgezadeld met een montage waarin verschillende, niet of nauwelijks aangeduide locaties (New York? Amsterdam? Toscane of Zuid-Frankrijk?) elkaar voortdurend afwisselen. De bedoeling daarachter is kennelijk Appels eigen filosofie, dat je steeds van werkplaats moet veranderen om een onbevangen blik te houden, maar waarom daarvoor één bezoek aan Amsterdam - voor de repetities van de opera Noach waarvoor Appel de spectaculaire decors ontwierp - daarvoor zo verknipt moet worden over vijf of meer plaatsen in de film blijft mysterieus.

De neiging van de filmmaker tot een zekere gewichtigheid - zoals die ook tot uitdrukking komt in het pretentieuze gebruik van muziek en de manier waarop Appels hybridische sculpturen in beeld worden gebracht - is temeer onbegrijpelijk omdat Appel in de documentaire vooral als een toffe peer en een man van weinig woorden verschijnt. Praten over kunst gaat hem moeilijk af, want hij is niet verbaal ingesteld - getuige het feit bijvoorbeeld dat hij na decennia in de Verenigde Staten nog steeds niet weet hoe je in het Engels een onvoltooid verleden tijd maakt.

Maar zodra we hem zien schilderen of naar iets kijken, spat Appels persoonlijkheid van het scherm af en wordt de documentaire, net als die van Vrijman vroeger, een aaneenschakeling van onvergetelijke momenten. Het begint met de liefde waarmee Appel vier eieren mengt door een emulsie die geacht wordt de olieverf een heldere kleur en houdbaarheid te geven. Niet minder fascinerend is ook de wijze, waarop de meester modellen gebruikt als leidraad voor zijn tube- en penseelvoering. En de internationaal befaamde schilder is absoluut niet te beroerd zelf de kwast ter hand te nemen, als hij meent dat de decorstudio van de Nederlandse Opera zijn ontwerpen niet swingend genoeg heeft uitgevoerd en het oog van de walvis van Noach nog wel een likje wit kan gebruiken.