Experiment: juryrechtspraak in Nederland

Juryrechtspraak in Nederland?

Niet onmogelijk, opperde onlangs mr. J. Leijten, advocaat-generaal bij de Hoge Raad. Mary de Keijzer, programmamaakster bij de NPS-radio, liet hem vorige week in het programma 'Bijlage' meteen de daad bij het woord voegen. Leijten bedacht een zaak - met elementen van werkelijk gebeurde zaken -, de NPS koos tien juryleden en mr. G. Spong (advocaat), mr. M. van der Horst (advocaat-generaal bij het Haagse gerechtshof) en prof. F. Beyaert (oud-directeur van het Pieter Baan Centrum) waren bereid als respectievelijk advocaat, officier van justitie en getuige-deskundige op te treden. De verdachte en zijn vrouw werden gespeeld door buitenstaanders, Leijten fungeerde zelf als rechter.

De jury bestond uit tien mensen: vijf vrouwen en vijf mannen, in leeftijd variërend van 19 tot 63 jaar. Geen van hen was jurist. De NPS had ook verslaggever dezes in de jury genood, wat hij niet kon weigeren, al was het alleen maar omdat hij ook wel eens een raadkamer - het vertrek waar de rechters beraadslagen - van binnen wilde zien. (Er viel niets bijzonders te zien, aan de wanden geen pin-ups, maar foto's van voorbije magistraten.)

“Een moeilijke zaak”, zei Leijten halverwege, en dat bleek te kloppen.

Dit waren 'de feiten'. De 42-jarige Geert de Kok heeft een inbreker doodgeschoten. De Kok dreef een winkel in betere herenkleding. De laatste twee jaar was er vier keer in zijn winkel ingebroken, waarbij hele vrachten aan kleding waren gestolen. De laatste keer hadden de inbrekers de waakhond van De Kok doodgeschoten. De Kok was door de inbraken in grote financiële problemen gekomen. De verzekeringsmaatschappij had de premie drastisch verhoogd en dreigde met opzegging als er een nieuwe inbraak plaatsvond.

De spanningen in het gezin van De Kok liepen hoog op. Vrouw en kinderen verweten hem - nog aan de vooravond van de laatste inbraak - dat hij niet in staat was zijn gezin te beschermen. Pa was een lul, zei zijn zoon. Ten einde raad had De Kok na de vierde inbraak, in België een revolver gekocht. Bij zijn broer, een militair, nam hij enkele schietlessen.

In de nacht van 30 januari 1995, vier maanden na de laatste inbraak, wordt er opnieuw bij De Kok ingebroken. De Kok sluipt naar beneden en ziet hoe twee mannen grote hoeveelheden van zijn nieuwste herenkleding in een busje laden. De Kok gaat naar boven, pakt zijn revolver en snelt terug naar de winkel. Hij roept: “Laat los mijn spullen of ik schiet.”

De ene man loopt met een aantal spullen naar buiten, de andere inbreker draait zich om naar De Kok. Deze inbreker heeft zijn rechterhand in zijn zak, maar hij maakt aanstalten om zijn hand uit zijn zak te nemen. Nog voordat hij op De Kok - acht meter van hem vandaan - kan toelopen, trekt deze zijn revolver en schiet hem door het hart. De inbreker is op slag dood. Later zal blijken dat hij ongewapend was.

Vandaag staat Geert de Kok in een zaaltje van het Haagse Paleis van Justitie terecht voor doodslag, subsidiair zware mishandeling die tot de dood leidde. De sfeer is ernstig. De deelnemers lijken te beseffen dat het experiment bij voorbaat mislukt als de stemming al te laconiek wordt.

De Kok wordt zó goed gespeeld dat je ogenblikkelijk medelijden met hem krijgt. Echt een man die door zijn zoon voortdurend 'lul' wordt genoemd. Een impotente 'lul' - ook dat nog. Met een groot minderwaardigheidsgevoel - gevolg van zijn jeugd - is hij het huwelijk ingestapt, waarin hij ook in seksueel opzicht op den duur tekortschoot.

Spong noemt zijn cliënt “een eerlijke, hardwerkende Nederlander die op brute wijze voor de zoveelste keer slachtoffer is geworden”. Hij heeft uit zelfverdediging gehandeld, vindt Spong. Hij beroept zich op noodweer, noodweerexces of psychische overmacht. “Zelfs als hij te ver is gegaan, verdient hij geen straf.”

“Waarom kocht u het wapen?” vraagt Spong.

“Ik wilde inbrekers afschrikken. De politie bleek weinig te kunnen doen.”

“Voelde u zich die bewuste nacht bedreigd?”

“Ik was versteend. In totale paniek.”

“Heeft u ooit gedacht dat u het wapen tegen een medemens zou gebruiken?” vraagt de officier van justitie.

“Nooit.”

“U richtte op zijn benen?” vraagt de rechter.

“Dat heb ik geprobeerd.”

Spong ondervraagt psychiater Beyaert. “U vindt mijn cliënt een oprechte man?”

“Ja”, zegt Beyaert, “het was zijn oprechte voornemen om op de benen te schieten.”

Beyaert noemt de verdachte ten tijde van het gebeurde 'verminderd toerekeningsvatbaar'.

De officier van justitie acht de opzet van de doodslag wel degelijk bewezen. “Wie een wapen gebruikt, neemt het risico dat vitale delen worden geraakt.” Dat heet 'voorwaardelijke opzet', wat strafrechtelijk gelijkgesteld wordt met opzet. Van 'noodweer' (wettige zelfverdediging) wil hij in dit geval niet horen. “Het middel was te zwaar. Het doden van een mens staat hier tegenover diefstal van slechts kleding.”

Noodweerexces dan? In dat geval wordt de dader niet gestraft omdat zijn handeling het onmiddellijke gevolg was van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de aanranding van lijf of goed.

Nee, vindt de officier, want de hevige emoties van de verdachte werden maar voor een klein deel veroorzaakt door deze inbraak. Zijn minderwaardigheidscomplex, de gezinsssituatie - dat had allemaal niets met deze inbraak te maken.

Psychische overmacht wellicht? Dan gaat de verdachte vrijuit omdat hij op grond van zijn geestelijke gesteldheid niet anders kon handelen dan hij deed.

“Nee”, zegt de officier weer, “want hij heeft zichzelf in deze situatie gebracht door het pistool te kopen en het op die avond ook nog eens boven te halen.”

Spong pleit met vuur voor zijn cliënt. “De officier zegt dat het alleen maar om kleding ging, maar het leven van mijn cliënt dreigde geruïneerd te worden. Hij hoort vrijuit te gaan. Alleen dat bevredigt in dit geval ons rechtsgevoel. Het strafrecht is erop gericht boeven te pakken, niet eerbiedwaardige burgers. Juryleden, u zult een moedig besluit moeten nemen.”

Hij wordt op zijn wenken bediend. De jury komt na een half uur durend beraad - meer tijd is er niet - unaniem tot de volgende conclusie: 1. Niet de doodslag, maar de zware mishandeling is bewezen; 2. De verdachte handelde vanuit psychische overmacht. (Er was één tegenstribbelaar in de jury, maar die werd omgepraat.)

De rechter concludeert: “Het feit is bewezen, maar de verdachte is niet strafbaar en wordt van alle rechtsvervolging ontslagen.”

Na afloop verzucht rechter Leijten tegen de juryleden: “Het is levensgevaarlijk wat jullie beslist hebben. Dit is een aanmoediging om de knuppel te vervangen door de revolver. Ik zou minimaal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een jaar voor doodslag hebben opgelegd.”

Spong komt de jury te hulp: “De ervaring leert dat volstrekt capabele juristen over ingewikkelde problemen van schuld en onschuld, noodweer en noodweerexces totaal verschillend kunnen oordelen. Dan moet de leek het ook kunnen.”