Accordeon blijkt fascinerend

Concert: opening Tweede Internationale Ijsbreker Accordeonweek 15 t/m 21/4 De IJsbreker Amsterdam. Uitzending 6/6 NCRV Radio 4.

Luidruchtig en recht-toe-rechtaan, bovendien behept met stereotype begeleidingsformules, tegen deze vooroordelen heeft het accordeon op te boksen. Voor de tweede Accordeonweek in de IJsbreker, vijf jaar na de eerste, werd uit een aanbod van 320 composities zo'n tachtigtal geselecteerd, hedendaagse muziek die voor een belangrijk deel afrekent met genoemde vooroordelen.

Meermalen werd ik zaterdagmiddag op het openingsconcert door drie Gaudeamus-prijswinnaars herinnerd aan Aziatische mondorgels zoals de meer dan vierduizend jaar oude Chinese sheng, de Japanse sho en de Thailandse khene, gebouwd volgens hetzelfde principe met metalen doorslaande tongen. De sheng belandde rond 1800 in St. Petersburg en stimuleerde van daaruit vindingen als harmonium, accordeon en harmonica. De Amerikaanse accordeoniste Pauline Oliveros combineert haar spel met dat van khene en sho, en zij vooral is gearenteresseerd in de meditatieve aspecten van de accordeon.

Verreweg de boeiendste momenten vond ik die, waarin Georg Katzer in Versuchte Annahrung voor accordeon en cello uit 1987 en versmelting nastreeft in het hoogste register. In die etherische regionen is de overeenkomst in klank met de Oostaziatische modellen frappant: er is geen enkel onderscheid. Voor het overige is Katzers compostie mij te improvisatorisch uitgewerkt, te korrelig vrijblijvend.

Isang Yuns Intermezzo (1988) voor dezelfde bezetting klinkt aanmerkelijk minder ideomatisch, maar is als compositie geslaagder. Bovendien werd die bijzonder doorleefd en met gevoel voor rubato-lyriek vertolkt door Margit Kern. Friederike Kendel was vooral een kordate partner. Hetzelfde gold voor de stevig toetastende pianiste Tomoko Mukaiyama, partner van Stefan Husson. Ool hier vond ik de Aziatische hoge tonen die Hussong aan zijn instrument wist te ontlokken, ingezet om de klank van de piano te laten resoneren, het fascinerendst.

Evenals Katzer probeert de Slowaak Uros Rojko in zijn Bagatellen (1994) voor accordeon en piano van beide instrument een te maken: hij transformeert de geprepareerde piano tot een kleurloos slagwerkinstrument. Tenslotte vloekt de accordeon veel meer met de piano dan met de cello.

James Crabb presenteerde de Schotse componisten Gordon McPherson en Alasdair Nicolson in een solistisch optreden dat meteen veel gewoner was. Zo plastisch als Kern musiceert, zo ritmisch strak weet Crabb orde op zaken te stellen. Hussong is mijn favoriet, hij weet en motorisch en expressief absolute stilte af te dwingen. Origineel was Clapping Music van Steve Reich als toegift, het ter zake antwoord op enthousiast applaus.

De Schotse composities klonken pretentieloos, met hier en daar een knipoog naar de lichte muze. McPhersons Lame God is een humoristisch mal verhaal over de krupele god Vulcanus, gedegradeerd tot het bespelen van blaasbalgen. Een typisch Kagel-verhaal en vanzelfsprekend was deze Duitse componist van Argentijnse origine present in de Accordeonweek, alleen al vanwege zijn voorliefde voor de tango.

Kagel werd betoverd door het oudste instrument ter wereld (geen ander heeft zoveel rimpels), door de mix van buikorgel, schrootharmonium en kniemondharmonica. Dat de hierop gespeelde stukken vaak de wortels van populaire volksmuziek verraden is voor hem geen bezwaar. Sterker: Deze voorgeprogrammeerde misvatting stoort mij geenszins, integendeel, de nieuwe Nieuwe Muziek kan dergelijke klankvoorbrengers maar al te goed gebruiken.