Verhouding met een verdachte schaadt carrière Amsterdamse politieman niet; De verdachte en de rechercheur

Officieren van het Rotterdamse regiokorps verklaarden deze week “dat er veel meer onderzoeken tegen politiemensen draaien dan er via de media naar buiten komen”. Eind jaren tachtig kreeg een Amsterdamse hoofdagent een verhouding met een van heroïnehandel verdachte vrouw. Hij werd gearresteerd en erkende 'fout' te hebben gehandeld. Maar hij mocht blijven en kreeg zelfs een leidinggevende functie bij de bestrijding van de georganiseerde misdaad. Ondanks de interne richtlijn dat 'niet-zakelijke contacten met criminelen leiden tot verwijdering uit het korps'. Een zedenschets.

Zonder de criminoloog C. Fijnaut was de zaak van Dick Hermans* nooit buiten de muren van het Amsterdamse hoofdbureau van politie terechtgekomen. De Rotterdamse hoogleraar, op dit moment door de parlementaire enquêtecommissie belast met onderzoek naar aard en omvang van de georganiseerde misdaad, werd in 1992 door enige prominente recherchechefs gevraagd een advies op te stellen over de bestrijding van corruptie bij de politie. Hem werd inzage in bestaande corruptiedossiers van politiekorpsen toegezegd.

Een aantal korpsen bleek echter minder toeschietelijk dan aanvankelijk leek, waarna Fijnaut besloot tot de publikatie van een bescheiden boekje. Politiële corruptie in Nederland (Gouda Quint, 1993) beperkte zich tot een summiere weergave van veertien anonieme voorbeelden van 'platte dienders'. Het trok nauwelijks aandacht.

Eén van de beschreven gevallen betrof de zaak-Hermans: de kwestie van een anonieme rechercheur van een niet genoemd korps die tijdens een onderzoek naar een Turks heroïne-syndicaat “een kortstondige amoureuze verhouding met een vrouwelijke verdachte” begon. De vrouw kreeg dankzij de relatie “inzage in processen-verbaal” en kon “meeluisteren bij telefoongesprekken” die de rechercheur over de heroïnezaak thuis voerde. De politieman werd gearresteerd en gaf toe “vreselijk stom” te hebben gehandeld. Hij werd overgeplaatst, om na enkele tussenstappen te worden bevorderd tot een “voor hem zeer hoge rang (...) op een zeer belangrijke operationele post in de justitiële politiesfeer”. Naar Fijnaut schreef “tegen minstens één gewichtig advies in”.

Begin vorig jaar brak de IRT-affaire uit. De plotselinge opheffing van het Interregionaal Rechercheteam Amsterdam/Utrecht werd door voorzitter J. van Duijn van de politievakbond NPB en de Utrechtse korpschef J. Wiarda in verband gebracht met corruptie bij de Amsterdamse politie. Wiarda had in een gesprek onder vier ogen met minister Hirsch Ballin (justitie) de 'top' van het Amsterdamse korps in het geding gebracht door te spreken van “een stramien waarbij corrupte rechercheurs te veel weten van hun bazen”.

Het leidde tot rumoerige weken waarin ontkenningen, nadere verklaringen en eisen vanwege Wiarda, Hirsch Balin en de Amsterdamse korpschef E. Nordholt elkaar in hoog tempo opvolgden. Diverse dagbladen diepten uit Fijnauts boekje de zaak van de anonieme rechercheur op.

Zo kon het gebeuren dat de Amsterdamse Patty van Dijk begin vorig jaar een krant onder ogen kreeg waarin ze een beknopte weergave van haar eigen recente persoonlijke geschiedenis aantrof. Zij was immers de verdachte geweest die in 1987 als verdachte een relatie kreeg met Hermans, destijds hoofdagent. Tweemaal, kort achter elkaar, was ze gearresteerd, de laatste keer samen met de politieman.

Een half jaar later, begin 1988, waren beide tegen haar lopende strafzaken geseponeerd. Ze had altijd gehamerd op haar onschuld - maar dat vermeldden de kranten vorig jaar niet. Die waren ook niet op de hoogte van wat er aan de arrestaties voorafging, noch wisten ze wat er in de zes jaar daarna volgde.

Dubbelspel

De Amsterdamse politie presenteerde de heroïnevangst in augustus 1987 vol trots. De inbeslaggenomen 70 kilo was toen nog één van de grootste hoeveelheden die hier ooit was buitgemaakt. Onder de tien arrestanten (negen Turken en één Nederlandse) bevonden zich enkele cruciale figuren in de heroïnesmokkel tussen Turkije en Amsterdam, zo maakte het korps bekend.

Op de achtergrond speelde zich daarna een gecompliceerd dubbelspel met drie hoofdrolspelers af: de informant van de politie, de rechercheur en de vrouwelijke verdachte. Dat blijkt uit het destijds - door Hermans - opgemaakte proces-verbaal van de zaak, uit de verklaringen die zowel de politieman als de verdachte later tegenover de politie aflegden (waarover deze krant beschikt) en uit de toelichtingen daarop van Patty van Dijk

Voorafgaand aan haar arrestatie had Hermans de vrouw leren kennen toen hij, in het kader van het onderzoek, haar telefoon afluisterde. Het eerste verhoor, direct na haar arrestatie, werd ook afgenomen door Hermans, op dat moment al zo'n twintig jaar werkzaam bij de politie. De vrouw was, zegt ze, overrompeld toen bleek dat ze werd verdacht van medewerking aan de invoer van verdovende middelen. “Dick stelde mij gerust. Hij was heel aardig tijdens het verhoor.”

Patty van Dijk vertelde Hermans dat ze eind 1986 als hulp was gaan werken bij een Turkse zakenman die ze leerde kennen als 'Ali'. Zijn vrienden noemden hem 'Bozan', in werkelijkheid heette hij Mustafa D. Hij droeg gewoonlijk een kostuum met een das en verdiende zijn geld, zei hij, met im- en export van gebruiksgoederen. De vrouw en 'Ali' kregen een relatie, ze gingen in de zomer van 1987 samenwonen.

Op een avond in augustus werd ze door Ali gebeld met de vraag of ze naar een pizzeria in de stad kon komen. De vrouw werd gevraagd de volgende dag naar Parijs te vliegen om een chauffeur van een 'met aardbeien' beladen vrachtwagen 2.000 gulden te overhandigen. Hij had het geld nodig om de reis te kunnen afronden. In Parijs vond ze de vrachtwagen met behulp van een douanebeambte. Ze had van Ali het kenteken van de truck gekregen en dit in omgekeerde volgorde op de achterzijde van een strippenkaart genoteerd. In de truck met dat kenteken werden enkele dagen later in Amsterdam 91 zakken heroïne aangetroffen.

“Ik voel me misbruikt”, zei ze in het verhoor tegen Hermans. Ze vertelde dat ze het tripje naar Parijs nooit had gemaakt als ze had geweten dat er verdovende middelen in het spel waren. Hermans stelde haar gerust. “Toen Dick me naar de cel bracht zei hij dat ik binnen een paar dagen vrij kwam.” De dagen erna stelde Hermans zich coulant op. Een keer mocht ze op zijn afdeling televisie kijken.

Spuitbusje

Op de tiende dag van haar hechtenis stuurde Patty van Dijk uit het Utrechtse huis van bewaring 'Het Spoor' een brief aan Dick Hermans. Ze voelde zich tot hem aangetrokken, schreef ze, en wilde contact houden.

Toen ze twee dagen later vrij kwam belde ze Hermans 's avonds thuis op. Ze praatten vijf uur met elkaar. De volgende dag belde Hermans haar. Alweer volgde een lang gesprek. Een dag later spraken ze af een strandwandeling te maken. Het was het eerste gezamenlijke uitje in een lange reeks. Ze gingen samen naar Artis, naar de ouders van de vrouw, naar een feestje van haar broer. De rechercheur en de verdachte raakten verslingerd aan elkaar.

Het was een gevaarlijke relatie. Als Hermans bij de verdachte sliep legde hij een pistooltje op het nachtkastje. “Het is niet om te doden, zei hij dan, maar om te voorkomen dat iemand ons te pakken neemt.” En hij overhandigde haar een spuitbusje om zich teweer te kunnen stellen. “Ik heb dat ding één dag in mijn tas gehad”, zegt ze. “Ik wilde het niet.”

Hun eerste ruzie hadden ze na drie weken. Op een maandagnacht in september liet Patty van Dijk in het huis van Hermans het woord 'Breda' vallen. Hermans werd eerst nieuwsgierig, de vrouw zei zijn vragen niet te kunnen beantwoorden, waarna Hermans in woede ontstak. Als lid van het 'Turkenteam' van de Amsterdamse recherche wist hij dat Breda thuishaven was van de 'Turkse mafia' - een conglomeraat van heroïnesyndicaten dat destijds als de grootste zware misdaad-organisatie van Nederland werd gezien. “Ineens werd ik, Patty van Dijk, de verdachte, en was Dick weer de rechercheur”, verklaarde ze later volgens het proces-verbaal aan de politie. Hermans bracht haar 's nachts, het was na tweeën, naar huis en vertelde dat de relatie voorbij was.

Nog diezelfde nacht, rond half vier, belde de vrouw met een vriend van hoofdverdachte 'Ali', een Turk die tegen de heroïnebende aanhing. Als enige van het gezelschap was hij een aanhouding ontlopen, naar later bleek omdat hij - als 'informant 447' - de politie had getipt over de heroïnesmokkel. Hij had er, uit handen van Dick Hermans, 20.000 gulden tipgeld voor ontvangen. De volgende dag kwamen de vrouw en '447' een afspraak overeen, omdat ze een kleine financiële kwestie met hem wilde regelen, vertelt ze.

Dat gesprek bracht zowel de verdachte, de rechercheur als de informant in een ongedacht lastige positie. Informant 447 vuurde vragen op haar af, liet een taperecorder meelopen en de vrouw vertelde hem van de jongste verwikkelingen. De situatie werd precair toen ze tegenover '447' aangaf dat Hermans 'verliefd' op haar was, dat ze de relatie met Hermans was begonnen “om erachter te komen wie de tipgever was” en dat ze “geleidelijk informatie uit hem had gekregen”. Het was “allemaal bluf”, zegt de vrouw achteraf. Ze had, vertelt ze, een alibi nodig tegenover de Turken in geval een van hen zou achterhalen dat ze omgang met een rechercheur had.

Voor 447 was het aanleiding groot alarm bij de politie te slaan. Hij vreesde dat het heroïnesyndicaat zijn status als politie-informant zou achterhalen. 447 wist de rechercheleiding ervan te overtuigen dat hij extra bescherming nodig had. Hij bedong een afkoopsom (“meer dan 50.000 gulden”, verklaarde officier van justitie Wooldrik later) en een vrijgeleide naar een ver buitenland. Intussen begon het Centraal Onderzoeksbureau COB, belast met intern corruptieonderzoek, met het schaduwen van zowel Hermans als de verdachte. Zo stelden rechercheurs vast dat Patty van Dijk haar vriend en hoofdverdachte Ali een keer opzocht in huis van bewaring 'De Schans'. En dat haar relatie met Hermans, na de breuk over 'Breda', weer was geheeld: samen, zo stelde het COB vast, bezochten ze een familiefeestje in Lelystad.

Op 1 oktober werden ze beiden gearresteerd, terwijl ze bezig waren de verhuizing van Hermans voor te bereiden. De politie zette er zeven man voor in. Hermans verklaarde tegenover het COB dat hij “nimmer corrupt is geweest en dat nooit zal worden ook”, zo blijkt uit het proces-verbaal. Hij stelde dat hij geen informatie over de loop van het onderzoek aan de verdachte had doorgegeven.

Niettemin beaamde hij, nadat hij de bandopname van het gesprek van de vrouw met 447 had beluisterd, dat zijn vriendin “telefoongesprekken die ik met betrekking tot dienstaangelegenheden vanuit mijn woning met collega's besprak” had gehoord. Ook was het gebeurd, verklaarde Hermans, dat ze een proces-verbaal, opgesteld in het onderzoek naar de heroïnebende, in zijn woning had gelezen. Eveneens had hij haar ingelicht over arrestaties in het milieu van de Turkse mafia. Op een bandopname van een privégesprek tussen de twee zei Hermans: “(...) vannacht wordt in Turkije een hele serie gearresteerd, dus ik ben benieuwd of jij daar telefonische reacties op krijgt. Ik denk het haast wel, morgen in de loop van de dag”.

“Mijn falen”, zei Hermans volgens het proces-verbaal ('COB 92-1987'), “is niet goed te praten.” De relatie met de vrouw had hij na de eerste breuk om twee redenen voortgezet. “Ik wilde haar gedrag beheersbaar houden”, zei hij. Ingeval ze “rancuneus” zou worden wegens het verbreken van de relatie, “dan kan zij mij persoonlijk (...) behoorlijk in de problemen brengen”. Eveneens was ze in staat, vertelde hij het COB, de justitiële afhandeling van het onderzoek naar de heroïnebende te schaden “door naar de advocatuur van de tegenpartij te lopen en te zeggen wat hier op het COB allemaal gepasseerd is”.

Maar, verklaarde hij, er was ook sprake van echte liefde. Als de relatie zich zou bestendigen, “begreep ik natuurlijk wel dat ik in een onmogelijke situatie zou terechtkomen voor wat betreft mijn vaste plaats bij de afdeling Verdovende Middelen”, aldus Hermans op 4 oktober 1987.

Volgens de Amsterdamse politie was er geen reden maatregelen tegen Hermans te treffen, verklaart woordvoerder Wilting. “De zaak is uitgezocht door de rijksrecherche en van corruptie is niets gebleken. Daarmee was het verhaal voor ons voorbij.” Voor het overige geeft het korps “geen enkel commentaar op deze oude zaak”.

In Politiële corruptie in Nederland concludeerde Fijnaut dat in de kwestie inderdaad 'waarschijnlijk' geen sprake was van corruptie, “maar zeker wel van uitermate riskant gedrag op het snijvlak van politiële corruptie, politiele misdaad en politieel wangedrag”.

Het hoofdstedelijke korps maakte destijds, als eerste in Nederland, al naam met een hard optreden tegen corruptie en ander onverantwoord ('normafwijkend') gedrag van zijn personeel. In datzelfde jaar 1987 legde de Amsterdamse politie vijftien medewerkers een disciplinaire straf op, zo blijkt uit een overzicht van alle disciplinaire strafopleggingen dat A.A. Boes-Kouwenoord, lid van het Amsterdamse korps, in 1993 maakte voor haar rechtenstudie aan de VU. Een korpslid dat 'onder invloed van drank een ongeluk veroorzaakte' kreeg een schriftelijke berisping. Een ander werd ontslagen voor het 'opmaken van valse declaraties'. In 1988 werden elf korpsleden disciplinair gestraft. Ontslag was er voor twee politie-ambtenaren die 'tijdens diensttijd diefstal uit auto's' pleegden. Het verrichten van 'nevenwerkzaamheden voor een beveiligingsbedrijf' leidde tot voorwaardelijk ontslag met een proeftijd van twee jaar. Een schriftelijke berisping was er voor een korpslid dat 'tijdens ziekte met diensthond oefende in het Amsterdamse bos'.

Hermans kreeg geen straf of berisping, zo blijkt uit het overzicht. Ook de vrouw zegt dat ze nooit iets te horen kreeg over een straf of berisping. Ondanks een interne richtlijn van het korps die stelt dat privécontacten met criminelen tot ontslag leiden, zoals een politie-ambtenaar in 1992 nog ondervond. Hij kreeg onvoorwaardelijk ontslag wegens 'intensieve contacten met criminelen' en 'veelvuldig bezoek aan een ongunstig bekend staand café'. In 1993 lichtte J. van Riessen, hoofd justitiële bedrijsfvoering van het korps en als zodanig belast met sancties tegen politiemensen die zich onverantwoord gedragen, dit beleid toe op een congres in Zutphen. “Handhaving van integriteit”, zei hij, “vereist een heldere en consistente normstelling in de organisatie. Ten behoeve van de aanpak van politiële corruptie geldt in Amsterdam de norm dat niet-zakelijke en niet-beroepsmatige contacten met criminelen leiden tot verwijdering uit de organisatie.”

Hermans werd echter overgeplaatst naar het bureau IJ-tunnel, waar hem de functie van wijkcommandant wachtte. De leiding van het districtsbureau werd van de achtergronden op de hoogte gesteld. De zaak werd verder binnenskamers afgehandeld. Die geheimhouding was nodig, vertellen toenmalige betrokkenen bij de recherche, om nader onderzoek tegen de Turkse mafia niet te belasten met “dit incident”.

De vervolging van het Turkse heroïnesyndicaat verzandde. Er werden diverse sepots uitgeschreven, waaronder de zaak tegen Patty van Dijk “wegens een te gering aandeel in het feit”. In dezelfde maand - maart 1988 - ontsnapte hoofdverdachte 'Ali' samen met vijf andere gedetineerden uit de Bijlmerbajes. De zes bleken over gestolen sleutels te beschikken die toegang tot een noodtrap gaven, waarna ze via een sprong over een muur en een sloot hun vrijheid herwonnen. De ontsnapping haalde destijds vele voorpagina's, de Amsterdamse politie reageerde verontwaardigd. “Dit is de zoveelste keer. Wij stoppen ze erin en zij laten ze steeds maar gaan”, aldus een woordvoerder tegen het ANP. Een toenmalige hooggeplaatste rechercheur relativeert de woede van het korps. Hij wijst erop dat het 'risico' bestond dat een van de verdachten op de zitting “het incident met die Patty” naar buiten brachten. “Daar zat bij ons niemand op te wachten.”

Carrière

De relatie tussen Dick Hermans en de vrouw bleef tot eind 1993 intact. Ter illustratie laat ze souvenir-foto's uit 1991 en 1992 zien, gemaakt bij de ingang van pretparken. Ze heeft ook Sinterklaasgedichten uit die jaren in bezit, gemaakt door zijn kinderen, en kerstkaarten die aan 'Dick en Patty Hermans' werden verstuurd. “En hier”, zegt ze, “dit is zijn huissleutel. Die heb ik ook nog.” Een alledaagse verhouding was het niet. Samenwonen zat er niet in; zodra ze bij elkaar over de vloer kwamen moesten de gordijnen dicht. In de sporadische gevallen dat ze zich samen buiten de deur begaven, vertelt ze, liepen ze consequent enkele meters uit elkaar, met de kinderen van Hermans tussen hen in.

Hermans carrière verliep intussen uitzonderlijk voorspoedig. Ze herinnert zich dat hij in januari 1988 vertelde dat hij bij de korpsleiding was geroepen. Hij zou bevorderd worden tot brigadier - geen slechte promotie na de twintig jaar die hem niet verder dan hoofdagent hadden gebracht. “Nordholt vroeg hem of hij nog met mij omging. Dick had ontkend, zei hij. 'Want het gaat ze geen donder aan'.” De promotie, vertelde Hermans haar, was een 'beloning voor het harde werken'. “Dat vond ik wel een beetje gek”, zegt ze. “Want zo gemotiveerd was hij in die tijd niet.”

Daarna ging het hard. In 1990 kreeg hij te horen dat hij terug kon keren naar 'narcotica', het bureau Verdovende Middelen. In 1991 werd hij inspecteur. In de tweede helft van dat jaar belandde hij op 'unit 1' van de Amsterdamse recherche, belast met de opsporing van de zware georganiseerde criminaliteit, waar hij zich ging wijden aan het onderzoek naar drugsbaron Charles Zwolsman. “Toen”, zegt Patty van Dijk, “het was 16 september 1991, ik weet het nog exact, kwam hij bij me om te zeggen dat het nu echt voorbij was. 'Ik kies voor mijn werk', zei hij. Ik was geschokt, mijn wereld stortte in. Maar een paar weken later was hij weer terug. 'Ze kunnen barsten', zei hij.”

De kroon op het werk kwam in de lente van 1992 toen Hermans hoofdinspecteur werd, een functie die gewoonlijk slechts wordt vervuld door afgestudeerden van de (HBO-)opleiding aan de Politie Academie. Zo maakte zijn maandsalaris in vijf jaar een sprong van gemiddeld 3.600 gulden bruto naar gemiddeld 6.000 bruto (van schaal 7 naar schaal 11, omrekening op basis van de schalen in 1995).

Hermans wist zich op werken tot een van de teamleiders van 'unit 1' en speelt dus een cruciale rol bij de bestrijding van de zware georganiseerde misdaad door de hoofdstedelijke politie. Tegenover de buitenwereld stelt hij zich evenwel terughoudend op. Anders dan zijn naaste collega Woelders bleef hij de laatste jaren vrijwel consequent buiten de publiciteit.

Toen de NOS-televisie najaar 1993 een week met 'unit 1' mee mocht lopen en onder meer de aanhouding van drugsbaas Zwolsman filmde, was het Woelders die voor de camera het woord voerde terwijl Hermans op de achtergrond met de organisatie van de operatie in de weer was. De twee vormen in de praktijk van het recherchewerk het leidinggevende duo van 'unit 1'. Officier van justitie Valente, jarenlang de crimefighter van het hoofdstedelijke parket, zei vorig jaar tegen de commissie-Wierenga over zijn relatie met de hoofdstedelijke politie: “Mijn werkcontacten bij de Amsterdamse recherche [betreffen] de twee teamleiders die onder mij functioneren. Dat zijn de heren Woelders en Hermans.”

De ene functionaris die destijds de snelle promotie van Hermans afraadde was de toenmalige Amsterdamse hoofdofficier van justitie, mr. C. van Steenderen - de voorganger van J. Vrakking. Hij vond, blijkt uit het dossier, dat Hermans gezien zijn verleden deze functie niet kon vervullen. Maar de korpsleiding van de Amsterdamse politie hield voet bij stuk.

Ook Fijnaut stelde dat Hermans' “reuzesprong voor veel insiders onbegrijpelijk” was. Volgens hem was de promotie “de facto een bom onder het gevoerde [corruptie]beleid”, omdat het afbreuk deed aan een “consistent” trekken van “consequenties uit corruptieonderzoek”. Vorige maand schreef minister Dijkstal (binnenlandse zaken) in een brief aan de Tweede Kamer dat hij de door Fijnaut opgestelde aanbevelingen naar aanleiding van Politiële corruptie in Nederland “nader zal bestuderen en uitwerken”.

De namen van de verdachte en de rechercheur zijn om redenen van privacy gefingeerd.