Twee Nederlandse fotografen hun tijd vooruit in Indonesië; Van zachtmoedigheid tot vijandschap

Tentoonstelling: Indonesia in wording, foto's van Cas Oorthuys en Charles Breijer 1947-1949. T/m 28 mei. Museum voor Volkenkunde, Rotterdam.

Stoer, heldhaftig, uitdagend en ongenaakbaar staan ze in een groepje bijeen, de Republikeinse militairen die Cas Oorthuys in 1947 fotografeerde in Jogjakarta. Oorthuys koos een laag standpunt, de mannen blikken fier omlaag - niemand die hen wat doet, er valt niets te spotten. Met hun zware schoenen en brede schouders wekken ze de indruk geduchte tegenstanders te zijn. En dat waren ze ook. Ze behoorden tot de nationalisten die tussen het uitroepen van de Indonesische Republiek op 17 augustus 1945 en de soevereiniteitsoverdracht pas vier jaar later tegen de Nederlanders vochten voor hun eigen land.

Op die zeventiende augustus riepen de leiders Soekarno en Hatta de onafhankelijkheid van het land uit. 'Merdeka' luidde het slagwoord. Vrijheid. In de schilferige verf van oude muren werd in onhandige, hulpeloze hanepoten 'Freedom for all nations' gekrast. Hotels met vertrouwde oud-Indische namen heetten ineens 'Hotel Merdeka'. En: ineens waren de aldoor als zachtmoedig beschouwde Indische mensen de Nederlanders vijandig, of in elk geval dan toch kwaadwillig gezind.

Fotograaf Cas Oorthuys reisde in januari van 1947 naar Indonesië. Zijn vriend Charles Breijer, filmer en fotograaf, ging er een maand later heen. In de periode tot aan de onafhankelijkheidsverklaring, dus juist in de tijd van de politionele acties, maakten zij fotoreportages van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd, die hen van Nederlandse zijde niet in dank werden afgenomen. Zij konden goed kijken, met eerlijke en autonome blik. Oorthuys en Breijer geloofden, destijds, in een goedschikse oplossing van het koloniale vraagstuk. Beiden fotografeerden de Indonesische revolutie zoals zij uiteindelijk was, niet als de strijd van een handjevol republikeinse extremistische dwarsliggers, zoals de Nederlandse lezing van regeringswege zo graag wilde, maar als een vrijheidsstreven gedragen door het hele volk.

In het Museum voor Volkenkunde in Rotterdam is een fototentoonstelling van hun werk te zien, getiteld Indonesia in wording, onmisbaar voor iedereen die zich afvraagt hoe het zover kon komen dat de Nederlandse regering troepen naar Indonesië stuurde om de onafhankelijkheid tegen te gaan. Nog steeds vraagt iedereen die dit onderwerp ter harte gaat zich af waarom de breuk niet werd voorzien en waar Nederland de energie en de moedwil vandaan haalde een oorlog in een verre uithoek van de wereld te beginnen, zo vlak na de WOII.

Oorthuys en Breijer waren non-conformisten. De eerste vertrok naar Indonesië in opdracht van ABC-Press en de Amsterdamse Uitgeverij Contact om een beeld te geven van het Indische volk, dat door de merdeka-gedachte aangeraakt 'streeft naar de verwezenlijking van een eigen staatsvorm'. Dit was een progressieve opdracht voor die tijd. Oorthuys maakte meer dan tweeduizend opnamen, die hij later comprimeerde tot een van de belangwekkendste Nederlandse fotoboeken. Het heette Een staat in wording, het verscheen in 1947 in een oplage van tienduizend exemplaren, en luttele jaren later lagen achtduizend exemplaren voor twee kwartjes bij De Slegte.

De actualiteit van Oorthuys' boek was van korte duur. Zijn voorkeur ging uit naar straattaferelen en opnamen van het Indonesische volk in hun dagelijkse omgeving, waarbij hij koos voor het Indonesische standpunt. Maakte hij officiële opnamen, dan beeldde hij de regeringsleiders af in een immense ruimte, waarin ze nietig en klein leken.

In de stad fotografeerde hij de inwoners, getekend door armoede, maar ook met iets welbewusts in de ogen, trots in hun revolutionair élan. Treffend in al zijn eenvoud is de foto van een jongen die, blootsvoets, door Djakarta loopt. Het is 1947. Hij heeft en kaart van Azië onder de arm, die voor de helft zichtbaar is. Het lijkt of hij een schoolgebouw verlaat. De suggestie is duidelijk: hier heeft een schoolkind de oude landkaart, ongetwijfeld uitgebracht door een Nederlandse drukkerij als Wolters/Noordhoff in Groningen, van de muur gehaald. Want tegelijk met de soevereiniteit moest natuurlijk ook het door Nederland gedicteerde, geografische beeld van Azië veranderen.

Deze documentaire fotografie van Oorthuys en Breijer staat op grote hoogte. Achter de foto's gaat een verhaal schuil. Zo maakte Breijer in 1948 een foto van een limousine waarvan de neus dreigend en krachtig in beeld schuift. Bovenop de wagen van het corps diplomatique prijkt de rood-witte Republikeinse vlag. Maar de band is lek; een Indonesiër verwisselt hem juist. De toegewijde man is klein naast die monsterlijke grille van de auto; zelfs de band lijkt te groot voor hem.

Is Cas Oorthuys de meest bewogen en geëngageerde fotograaf, Breijer toont de ironie. Zo weet hij in een enkele opname de blanke, koloniale tijd vast te leggen. Een tijd die wankelde. In 1948 fotografeerde hij op het vliegveld Kemajoran van Djakarta vier Nederlandse mannen in wit tropenkostuum. Ze kijken uit over het vliegveld, in volle afwachting. Ze hebben grote zakdoeken tegen het zonlicht over hun hoofd geslagen, ze zijn weldoorvoed. Van één man kunnen we duidelijk zijn gezichtsuitdrukking lezen: verbitterd, moe ook, teleurgesteld.

Kijken we dan naar een foto die Oorthuys maakte in een jutefabriek op Malang, dan vangen we in een oogopslag de beide werelden waaruit het voormalige Nederlands-Indië bestond. Die van de blanke elite voor wie het land onder hun voeten verbrokkelde en die van het jonge Indonesische volk, dat werkte aan de opbouw van het land.

Oorthuys werkte onafhankelijker dan Breijer. De laatste was assistent-cameraman bij het regeringsbedrijf Multifilm Batavia. Daar werkte hij mee aan de serie Wordende Wereld, bioscoopjournaals voor Indonesië. Om aan de Nederlandse censuur te ontsnappen, zo lijkt het, fotografeerde hij in zijn vrije tijd. Zo was hij getuige van de tweede politionele actie van december 1948. Hij fotografeerde vaak vanuit patrouillewagens. Een lege weg strekt zich voor de motorkap uit, roerloze bomen aan weerskanten, het lijkt of opwaaiend stof trilt in de hitte. Als toeschouwer ervaar je de spanning die in zo'n legervoertuig heerste. Rijden we niet op een landmijn? Lopen we niet in een hinderlaag? Breijer reed, inderdaad, met zijn jeep op een landmijn. Hij overleefde het gelukkig.

Behalve de foto's zijn er in Rotterdam fragmenten te zien uit de voorlichtingsfilms voor het thuisfront, die Breijer maakte. Soldaat overzee geeft een flatteus beeld van het opslaan van een bivak, stoere jungletochten en hoe onze jongens in hun uit atap-bladeren opgetrokken tenten brieven naar huis schrijven. De werkelijkheid was anders. Oorthuys en Breijer hebben een van de woeligste en onduidelijkste perioden van de Nederlands-Indische geschiedenis onvergetelijk vastgelegd. Zij kozen met hun foto's voor het juiste, veelbetekende detail dat vaak meer onthult dan uitvoerige historische verhandelingen.