Tegen die meisjes was niets te beginnen

Een gebergte in de Nederlandse literatuur is het oeuvre van S. Vestdijk wel genoemd. Van zijn tweeënvijftig romans horen er heel wat tot de pieken in dat gebergte. H.Br. Corstius en Maarten 't Hart herlezen er ieder zesentwintig en doen om beurten verslag van hun ervaring. Vandaag: De laatste kans (1960)

Mijn verschilletje van mening met Maarten 't Hart aangaande karakter en gedrag van de student Anton Wachter - door hem als lomp, door mij als normaal gekarakteriseerd - wordt in het vierde en laatste deel van de Amsterdamse Wachterromans door de man die hem het beste kende, beslecht, wanneer hij zijn hoofdpersoon laat denken: “Dat hij een goed mens was, wist hij allang, dat hoefde niemand hem te vertellen; hij was misschien wel een halve heilige, - juist, halve, en daarom was hij tezelfdertijd, en om precies dezelfde redenen, de grootste schoft van alle universiteiten van Nederland.”

Misschien vindt u Vestdijks oordeel teveel een uitspraak in eigen zaak. Laat ik dan nog eens de boekhouding bijhouden van de vrouwen die Anton Wachter in De laatste kans het hof maakt. Het zijn er acht in de anderhalf jaar tussen doctoraal en artsexamen. Dat zes van de acht verpleegsters zijn, is niet verbazend, want als co-assistent brengt Anton zijn dagen in ziekenhuizen en klinieken door.

Het eerste meisje is geen verpleegster maar het zusje van de ex-verloofde van Antons vroegere geliefde Esther Ornstein, die dramatisch naar het Noorden is gevlucht.

Deze Hetie Mossel doet er van pagina 7 tot pagina 21 over tot de bekende witregel aangeeft dat zij met Anton naar bed gaat. Ze is ook zo weer weg.

Op bladzij 32 komt het 'kleine blonde dondertje' Hilda Heringa, die zelf begint over een dokter die op een nacht in zijn pyjama... Als Anton meer wil weten, schrijft ze hem niet meer te willen ontmoeten omdat hij 'spreekt over dingen die mij niet aanstaan'. Dat duurde zes bladzijden.

Op pagina 43 verschijnt hoofdzuster Zijlstra, die hem op pagina 47 afpoeiert. Hij schrijft dan onmiddellijk aan 'een zwartig zustertje, een van tien in een dozijn' een briefje: 'Hooggeachte Zuster (ik ken u naam niet), Vergeeft u mij deze ongebruikelijke wijze van toenadering (..) Ik was dit allang van plan (..)'.

Zij komt op de afspraak en ligt tien pagina's verder op Antons bed. Anton heeft geen zin in haar, maar hij bevredigt haar en die verhouding duurt tot de indrukwekkende Ellie Adriaanse binnenstapt op bladzij 76. Daartussen blijkt Gerie Immink in vijf bladzijden een vergissing.

Ellie lijkt een nieuwe Ina Damman (of Esther Ornstein) te worden. Maar zij blijkt daar een parodie van te zijn. Anton brengt een seksloos weekend met haar in Haarlem door en een ontbijtloze zondagochtend-dienst in Bussum. Als hij dan eindelijk eens met haar naar bed wil, weigert ze, waarop Anton haar scheldend zijn kamer uitgooit. Het heeft toch nog twintig bladzijden geduurd.

Gelukkig vindt hij Marie Klaassen die 'al' dertig jaar oud is (Vestdijk was in 1927 zelf 29, maar Anton wordt kunstmatig 25 jaar oud gehouden, omdat de depressieve perioden overgeslagen worden). Tegen haar houdt Anton voor het eerst van zijn leven een openhartige en waarheidsgetrouwe toespraak, waarin hij zijn door Freud en zijn moeder aangevreten ziel blootlegt. Die lange speech is niet alleen bedoeld om Marie te winnen, maar vooral om de lezers die hem acht romans begeleid hebben, een handige samenvatting te geven.

Het is geen wonder dat Marie voor hem valt. Het is een van de bevredigendste verhoudingen die Anton Wachter heeft. Natuurlijk doet Anton weer net alsof het hem alleen om het neuken gaat en alsof Marie veel te laagstaand voor hem is, maar de lezer ziet beter.

Het wachten is op de nieuwe Ina Damman, of Esther Ornstein, die hem zijn laatste kans op een echte, hoogstaande, liefde geeft. Zij verschijnt in al haar pracht bovenaan de collegezaal en is ook nog de dochter van een hoogleraar in de theologie, woont in een dure buurt, en was voorzitster van het meisjes-corps. Anna Heldering krijgt Anton op bezoek. De lezer beseft dat ze een supertrut is, maar Anton wentelt zich weer dagen en bladzijden lang in zijn gebruikelijke verliefdheid, zonder er iets aan te doen. 'Tegen die meisjes was niets te beginnen, een dwaas die het proberen zou', en Anton is geen dwaas meer.

Hij laat Anna Heldering in haar superieure sop gaarkoken en vertelt alles aan Marie die ontsteld is, maar zich weer laat vermurwen. De lezer neemt hier met veel minder medelijden kennis van Antons mislukkingen in de waarachtige liefde dan indertijd met Ina en Esther. Het is alsof de parodistische Ellie de lezer immuun heeft gemaakt.

De eindscore is dus: acht vrouwen, vijf wijzen hem af, één doet het kort, één wordt alleen zelf bevredigd, één is eigenlijk ideaal, als Anton dat wou toegeven en als hij zich niet had voorgenomen om nooit te trouwen.

Naast deze vrouwengeschiedenissen komen we ook veel te weten over de studie in de geneeskunst en over Antons literaire ontwikkeling. Bij dat laatste verschijnt een speciale vriend, die niemand anders is dan de schrijver-componist-schilder Bob Hanf (1894-1944), over wie Toke van Helmond in 1982 een prachtig boekje schreef in de serie De Engelbewaarder.

De laatste kans behoeft geen krans - wie de vorige zeven delen las, wil ook dit slotdeel lezen. Het werd 35 jaar geleden geschreven over een tijd die 70 jaar achter ons ligt, maar Amsterdam en zijn studenten zijn er springlevend in.