Poppers onovertroffen helderheid

KARL R. POPPER: Alles Leben ist Problemlösen. Über Erkenntnis, Geschichte und Politik

336 blz., Piper Verlag 1994, ƒ 55,70

MANFRED GEIER: Karl Popper

160 blz., geïll., Rowohlts Monographien Bd. 468, Rowohlt 1994, ƒ 19,20

Twee jaar geleden liet de bejaarde Karl Popper zich op geheel eigen wijze door de BBC-televisie interviewen. Zorgvuldig formulerend legde hij uit hoe het wetenschappelijke denken tot groei van de menselijke kennis, van objectieve kennis leidt. Het was een glashelder betoog, volkomen gespeend van de ondoordringbare terminologie waarmee menige postmoderne denker het publiek heden ten dage van de alomtegenwoordige subjectiviteit van het weten tracht te overtuigen. Het was een verademing Popper te horen en zien filosoferen. Hij drukte zich niet alleen zeldzaam helder uit, ook zijn beleefde en bescheiden maar allerminst stijve optreden viel op. Het illustreerde, zo leek het, zijn afkomst uit de vroeg-twintigste-eeuwse Weense liberale burgerij - reeds toen, in de broeierige Habsburgse metropool, bijna een wereld van gisteren.

De op 17 september 1994 overleden Sir Karl Raimund Popper was de bekendste en wellicht ook invloedrijkste filosoof van deze eeuw. Ik vermoed dat hij de enige moderne denker is over wiens gedachtengoed elke Nederlandse student vroeg of laat onderricht wordt, ongeacht de studierichting. Falsificatie, 'trial-and-error'-methode en misschien nog 'the open and the closed society' is wat er van zijn filosofie, het kritisch rationalisme, blijft hangen. En terecht. Want Popper heeft zich bijna zijn gehele leven beziggehouden met die paar vraagstukken waarvoor zijn oplossingen in deze termen zijn vervat.

Drie kwesties hielden zijn aandacht gevangen. Ten eerste het zogenoemde demarcatieprobleem. Dat wil zeggen de vraag welke kennis als wetenschappelijk aangemerkt kan worden en welk deel van het menselijk weten voorwetenschappelijk, bijvoorbeeld theologisch of metafysisch, van aard is. Vervolgens de vraag hoe wij kennis van de werkelijkheid kunnen krijgen: het inductie-probleem. En tenslotte de kwestie in welke samenleving de mens vrij kon zijn, wat voor Popper bovenal inhield, een samenleving waarin het denken vrij is en de mens zijn intellectuele en morele integriteit kan behouden om zo in staat te zijn een bijdrage te leveren aan de vooruitgang. Al zijn latere werk, ook zijn denkbeelden over de status en functie van de produkten van de menselijke geest - van wetenschap, kunst en literatuur - vloeide in feite voort uit zijn aandacht voor deze drie kwesties.

Poppers kennistheorie hing nauw samen met zijn politieke filosofie. Dat blijkt nog eens uit Alles Leben ist Problemlösen. Über Erkenntnis, Geschichte und Politik, een bundel essays waar hij tot kort voor zijn dood aan heeft gewerkt. Het voorwoord is van 12 juli 1994. In de zestien essays, elf recente en vijf oudere artikelen, valt nogmaals de grote continuïteit in de ontwikkeling van zijn denken op. En ondanks de wat stugge stijl waarvan hij zich bedient, zijn het mooie stukken.

Het begon allemaal voor Popper, zoals hij niet moe werd te vertellen en dat dus ook hier weer doet, in 1919. Drie gebeurtenissen zetten zich in het brein van de zeventienjarige Karl vast, drie wetenschappelijke en politieke sleutelervaringen, zoals Manfred Geier ze in zijn kort voor het verscheiden van de filosoof voltooide monografie Karl Popper noemt. Geier volgt zijn hoofdpersoon overigens op de voet: zijn verhaal is, completer en vermakelijker, te vinden in Poppers eigen Unended Quest (1974) waarvan een Nederlandse vertaling onder de titel Autobiografie eind jaren zeventig in de Aula-reeks verscheen. 1919 werd het jaar van de sleutelervaringen waarvan de portee kan worden weergegeven met de namen van Albert Einstein, Alfred Adler en Karl Marx.

Popper had al op jonge leeftijd grote belangstelling voor wetenschappelijke en wetenschapsfilosofische vraagstukken. In mei van dat jaar hoorde hij van de experimenten waarmee Einstein de oude theorieën over de beweging van de planeten, Newtons theorie, op losse schroeven zette. Popper, die in deze periode vrijwilligerswerk deed in een door de psychiater Alfred Adler opgerichte kliniek voor moeilijk opvoedbare kinderen, werd bijzonder getroffen door de grote verschillen in de wetenschappelijke methodes die zijn baas en die de natuurkundige hanteerde. Waar Adler moeiteloos iedere hem tot dan toe onbekende gedragsstoornis van de jongens in zijn theorie over het minderwaardigheidscomplex wist te passen, daar deed Einstein een volstrekt onwaarschijnlijke voorspelling, eraan toevoegend dat wanneer deze niet zou uitkomen zijn relativiteitstheorie ondeugdelijk was. Einstein kreeg gelijk: zijn voorspelling kwam uit en zijn theorie, concludeerde hij, was voorlopig houdbaar.

Terwijl Adler zijn theorie voortdurend bevestigd zag worden - desnoods rekte hij het theoretisch kader even op -, trachtte Einstein zijn eigen denkbeelden juist onderuit te halen. Zolang dat niet lukte, mocht zijn hypothese voor waar doorgaan. Adler toetste zijn theorie door verificatie, Einstein door falsificatie. Alleen die laatste methode, het systematisch elimineren van de fouten van een theorie, kon aanspraak maken op het predicaat wetenschappelijk, aldus Popper. Adlers werkwijze leverde geen wetenschappelijke kennis op, maar produceerde op zijn best een interpretatie van menselijk gedrag. Dat was zeker nuttig - in tegenstelling tot de filosofen van de Wiener Kreis en Wittgenstein, bestempelde Popper dergelijke niet-wetenschappelijke inzichten niet als zinloze ruis - maar het was geen wetenschap. Popper werkte niet lang meer bij de moeilijk opvoedbare kinderen.

Een interpretatie, maar dan van de geschiedenis, bood ook het marxisme. En ook die interpretatie, waarin verleden, heden en toekomst als een klassenstrijd werden opgevat, ging ten onrechte door voor een wetenschappelijke theorie. In 1917, midden in de Eerste Wereldoorlog, was de pacifistische Popper marxist geworden; het vredesaanbod van de bolsjewieken had hem hiertoe bewogen. Twee jaar later, in juni 1919 toen de Weense politie tijdens een protestmars van sociaal-democraten twintig demonstranten doodschoot, brak hij met de marxistische heilsleer. Hij was ontzet over het geweld, ja, hij voelde zich medeschuldig voor de dood van zijn kameraden. Zijn pacifistische gevoelens ten spijt had hij propaganda gemaakt voor de gewelddadige klassenstrijd en anderen ertoe overgehaald te gaan demonstreren. Het maakte hem in principe verantwoordelijk.

Zelf schrijft hij daarover: “Communisme is een geloof dat beweert te zijn gebaseerd op kennis van de ontwikkelingswetten van de geschiedenis. Ik hoopte nog steeds op een betere, rechtvaardiger, geweldlozer wereld, maar wat ik mij afvroeg was of ik werkelijk kennis bezat, of datgene waarvan ik gedacht had dat het kennis was, eigenlijk niet schijnkennis was.” En het wàs inderdaad pseudo-kennis, concludeerde Popper, die bovendien tot zijn eigen schande moest vaststellen, zonder kritiek de door Marx en Engels verkondigde waarheden te hebben aanvaard.

Marx en Adler waren dogmatische denkers, Einstein was een kritische wetenschapper. De radicale toets vormde de basis voor de moderne wetenschap, zoals Popper in 1934 in zijn baanbrekende Logik der Forschung betoogde. Het was een studie over de methode der natuurwetenschappen, Poppers eigenlijke filosofische terrein. Politiek en geschiedenis verschenen pas eind jaren dertig weer op zijn agenda. Popper had weinig vertrouwen in de Europese ontwikkelingen. Om het aanstormende nazisme te ontvluchten, accepteerde hij in 1937 een universitair docentschap in Nieuw-Zeeland. Daar schreef hij, in het Engels, de politiek-filosofische studies The Poverty of Historicism (1944) en The Open Society and its Enemies (1945). Het was zíjn bijdrage aan de strijd tegen het nazisme, zoals hij later stelde.

De ergste vijanden van de open samenleving, betoogde Popper, waren Plato, Hegel en Marx geweest. Het waren drie buitengewoon invloedrijke filosofische systeembouwers die ieder historisch of toekomstig fenomeen, al dan niet met gebruikmaking van enige dialectische hocus-pocus, in hun theorieën hadden weten te passen. Hun krankzinnige speculaties over de 'ijzeren wetten van het historische proces' lagen ten grondslag aan de 'closed society', aan ideologieën waarin de gehele geschiedenis als een strijd tussen naties of staten, tussen klassen of rassen werd beschouwd. De politieke rampspoed die Europa sinds 1914 trof, vloeide rechtstreeks voort uit zulk dogmatisch denken. De twee boeken bevatten gepassioneerde teksten. De eerste studie droeg Popper op aan de ontelbare slachtoffers van het fascistische en communistische geloof in onverbiddelijke wetten van de 'Geschiedenis'.

Tegenover de geschiedfilosofische speculaties van deze denkers plaatste Popper een socratisch niet-weten, of beter een permanente kritische zin. Dé oplossing voor maatschappelijke problemen, totaaloplossingen waar de politieke ideologieën patent op hadden, bestond niet. Maar dat betekende niet dat er niets gedaan kon worden. Alles Leben ist Problemlösen, constateerde Popper, leven is het oplossen van problemen - dat geldt zowel voor de wetenschap als voor de politiek. Ook in het maatschappelijk domein zijn oplossingen echter tijdelijk, ze moeten onderworpen worden aan kritiek en zo mogelijk door betere, eveneens tijdelijke oplossingen worden vervangen. Politiek was een onophoudelijk aanmodderen, een 'muddling through', of wat minder drabbig, een 'piecemeal social engineering'.

Dit maatschappelijk aanmodderen - door 'trial-and-error' - werd geïnstitutionaliseerd in de open samenlevingen van het Westen. Volgens Popper is de parlementaire democratie zelf gebaseerd op een cyclus van pogingen en correcties. De democratie is géén heerschappij van het volk, er heerst een elite die het mag proberen. Verkiezingen, betoogt Popper, zijn in de huidige partij-democratieën geen legitimering van de nieuwe regering, maar een beoordeling van de oude. Democratisch zijn deze samenlevingen niet zozeer omdat er algemeen kiesrecht bestaat, maar omdat de zittende regering zonder bloedvergieten kan worden afgezet.

Volgens Popper, die zich na 1945 in Engeland vestigde, werd de open samenleving het best gerealiseerd in de westerse democratische verzorgingsstaat. Vanwege die opvatting verweten linkse critici hem in de jaren zestig en zeventig het kapitalistische Westen kritiekloos te adoreren. Die kritiek was niet terecht. De westerse wereld was voor hem zeker niet de best mogelijke wereld - Popper mag dan een optimist geweest zijn, hij was geen twintigste-eeuwse Leibniz. Historisch gezien echter was de verzorgingsstaat rechtvaardiger en vrijer dan enige andere ons bekende samenleving in heden en verleden. De verworvenheden ervan dienen verdedigd te worden tegen bedreigingen van buiten en van binnen. In een van zijn laatste voordrachten fulmineert Popper tegen die militante neoliberalen die het sociale vangnet willen vervangen door een ministelsel.

Behalve essays over actuele politieke kwesties en over wetenschapsfilosofie bevat Poppers intellectuele testament nog enkele stukken over geschiedenis en geschiedfilosofie. Ook hier berijdt de filosoof zijn oude stokpaardjes. Hij protesteert tegen het cynisme van veel historici. Na het neomarxisme van de jaren zestig en zeventig is dit cynisme volgens hem dominant geworden. Popper stelt dat intellectuelen tot optimisme verplicht zijn. Politiek, technologisch of ecologisch doemdenken wijst hij resoluut af. Voor hem is de toekomst principieel open en onbeslist, en de mensheid, de intellectuelen voorop, dient stapsgewijs te streven naar verbetering.

Elders legt Popper nogmaals uit dat geschiedenis geen wetenschap is, dat ook niet kan zijn. De geschiedbeoefening ontwikkelt geen wetenschappelijke hypothesen op grond waarvan nieuwe feiten kunnen worden voorspeld. Geschiedschrijving levert interpretaties van die delen van het verleden die ons nu interesseren. Op z'n best maakt de historicus gebruik van generalisaties of 'triviale wetten'. Voorzichtige prognoses baseert hij op een analyse van de 'situatie-logica' - om overigens keer op keer te worden verrast door het feit dat de ontwikkelingen een volstrekt onverwachte wending hebben genomen.

Met Poppers ontkenning van een wetenschappelijke status voor de geschiedschrijving behoeft de historicus geen moeite te hebben. Historici zwalken sinds jaar en dag tussen de academische genres. De huidige postmoderne mode is te gekunsteld, te weinig stellingnemend en, om met Popper te spreken, vooral ook te talig. En het zoeken, in navolging van de antropologen, naar de 'radicale andersheid van het verleden' is een kentheoretische onmogelijkheid.

Het grootste deel van wat historici doen laat zich rangschikken onder de noemer 'common sense', het ander deel is oncontroleerbare speculatie. Dat wij desondanks menen de geschiedenis te kunnen kennen, ja, dat het verleden deel van ons eigen intellectuele leven wordt, is vooral te danken aan wat Huib Drion in een terloopse opmerking zo mooi het 'overbruggend misverstand' heeft gedoopt. De geschiedschrijving als overbruggend misverstand. Maar dan wel een academisch geïnstitutionaliseerd misverstand.