Onraad voor de journalistiek

Laten wij aannemen, dat u op straat wordt uitgescholden voor 'lijkepikker'. De vraag is wat u dan doet. De eerste mogelijkheid: Niets! Als u daarvoor kiest, mag ik u hier en nu met uw wijze beslissing gelukwensen. De tweede mogelijkheid is, dat u naar de politie stapt om tegen de onverlaat een strafklacht in te dienen wegens belediging, eenvoudige belediging zoals de wet het noemt. Ik geef u niet veel kans dat de politie uw klacht zal honoreren. Zij hebben daar wel andere en belangrijkere zaken aan hun hoofd. Een derde mogelijkheid is een vordering voor de burgerlijke rechter tot vergoeding naar billijkheid van de ideële schade die u hebt opgelopen in uw eer of goede naam. Die procedure is uiterst kostbaar en langdurig en zal een bron van ergernis en verdriet blijken. Zo'n proces mag men zijn ernstigste vijand niet toewensen.

De laatste mogelijkheid is de volgende en die ziet men in de praktijk nogal eens. U geeft de man, die u voor 'lijkepikker' heeft uitgemaakt direct en zonder discussie een klap op zijn gezicht. De kans is niet denkbeeldig dat uw slachtoffer naar de politie gaat en aangifte doet van mishandeling. U zult er ernstig rekening mee moeten houden dat de politie hier wèl werk van maakt. U wordt dus als verdachte gehoord en de politie zal u vragen hoe u tot uw wandaad bent gekomen. U legt uit dat u er niet van gediend was om voor 'lijkepikker' te worden uitgescholden en u doet aangifte van de belediging. In die situatie zal de politie uw aangifte wel degelijk honoreren. Het is namelijk onaanvaardbaar, dat u wegens mishandeling zou moeten terechtstaan en zou moeten worden veroordeeld, terwijl de man die de mishandeling met zijn belediging heeft uitgelokt vrijuit zou gaan. Om die reden en om geen andere heeft men gekozen voor handhaving van de strafbaarheid van eenvoudige belediging in ons strafrecht. En reken maar dat u beiden zou worden veroordeeld en gestraft, elk met een paar honderd gulden boete denk ik.

De conclusie uit het voorgaande moet zijn dat men in Nederland vrijelijk iemand voor 'lijkepikker' mag uitmaken, zolang die het maar over zijn kant laat gaan. Men heeft met dit taalgebruik leren leven, al zal men in brede kring blijven oordelen dat het niet van grote innerlijke beschaving getuigt.

Zo laat zich de grote vrijheid van de columnist verklaren. Hij scheldt wat af in zijn column en niemand reageert. Als Hugo Brandt Corstius in VPRO's 'Welingelichte Kringen' openlijk aankondigt dat hij nu eindelijk wel eens iemand zodanig zal gaan beledigen dat hij door een rechter tot de orde zal worden geroepen, dan kan ik hem, aangenomen dat hij zich niet aan smaad, laster of discriminatie wil bezondigen maar het bij een eenvoudige belediging wil laten, slechts adviseren een slachtoffer uit te zoeken dat er niet voor terugschrikt hem een ferme klap toe te dienen.

Het is toch eigenlijk te betreuren dat er die klap voor nodig is om de columnist af te stoppen. Het zou toch veel beter zijn als de journalistiek zelf door interne regulatie een peil zou weten te handhaven waarin men niet vrijelijk een medeburger voor 'lijkepikker' kan uitmaken.

Welnu, die zelfregulatie bestaat, en wel in de vorm van de Raad voor de Journalistiek, een instituut waarover - ook in dit blad - al veel is geschreven. En wat zegt die Raad nu blijkens een publikatie in De Journalist van 29 januari 1995? Dat de klacht ongegrond is, dat de betrokken journalist de grenzen van wat in zijn vak fatsoenlijk is niet te buiten is gegaan en dat de kwalificatie 'lijkepikker' journalistiek gezien correct tot stand is gekomen.

Ik heb de uitspraak niet zelf gelezen, maar wil aannemen dat de bovenstaande aan Jan Greven in Trouw van 18 februari 1995 ontleende weergave van de uitspraak juist is. De klager heeft zich dus niet slechts publiekelijk voor 'lijkepikker' uitgemaakt gezien, de Raad voor de Journalistiek vond het nog goed ook. Op die manier is de klager dus dubbel gepakt.

In alle voorzichtige oprechtheid beangstigt deze uitspraak mij enigszins. De vrijheden van meningsuiting en van drukpers zijn niet onbeperkt. Zij worden begrensd door hetgeen in een democratie nog net aanvaardbaar is te achten. Indien men die grens met regelmaat zou overschrijden ligt altijd en overal een overheidsingrijpen op de loer. Zo lees ik in NRC Handelsblad (2 maart) dat tegen twee journalisten in Ivoorkust een proces is aangespannen wegens 'agitatie' en in de editie van 20 maart, dat in Indonesië drie journalisten in staat van beschuldiging zijn gesteld wegens het oproepen van tegen de regering gerichte sentimenten. Toegegeven: het is nog ver weg, maar ook in Engeland hoort men regelmatig geluiden, die pleiten voor het inperken van de persvrijheid.

Hoeveel kunnen wij in Nederland verdragen aan beledigingen, aan indiscreties, aan 'lekken', aan 'onconventionele' nieuwsgaringsmethoden en ga zo maar door. Ieder levend wezen, en dus ook de journalist, is geneigd de hem geboden vrijheid maximaal te benutten en eerst halt te houden voor een duidelijk stopteken. Wil de journalistiek voorkómen, dat ooit enige vorm van persbreidel in Nederland een kans krijgt, dan zal de zelfregulatie van en door de pers een duidelijker gezicht moeten krijgen. Dan zal de Raad voor de Journalistiek moeten ophouden een vrijblijvend opiniërend instituut te zijn, welks uitspraken door weinigen worden gekend, uitspraken die bovendien veel te laat komen en die behoudens voor een kleine incrowd maatschappelijk vrijwel zonder betekenis zijn.

Ik heb nooit kunnen vaststellen dat de journalist zich in de uitoefening van zijn beroep laat leiden door de jurisprudentie van de Raad. Naar mijn mening moet de Raad een krachtig instituut zijn, dat tot in lengte van jaren de onafhankelijkheid van de journalistiek en de vrijheden van meningsuiting en van drukpers kan bewaken tegen iedere dreiging van overheidsingrijpen. De Raad behoort de 'klap in het gezicht' te geven aan de journalist, die een medeburger voor 'lijkepikker' uitmaakt. Mr.B.J. Asscher is oud-president van de Amsterdamse rechtbank.