Marketing van arbeid

Zijn Organisatie voor Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (OSA) bevindt zich in hetzelfde rode bakstenen gebouw als het Centraal Planbureau, maar anders dan de 's Rijks rekenmeesters gelooft OSA-directeur Henk van Stiphout niet meer zo in grand designs van de macro-economie. “Als economen zijn we gewend aan simpele oplossingen voor ingewikkelde problemen”, zegt hij. “Dat is de invloed van John Maynard Keynes.” De wanden van zijn kleine werkkamer zijn bedekt met rechthoekige rapporten met Mondriaan-achtige kaften. Een groter kantoor zou aan hem ook niet besteed zijn. Van Stiphout is een kleine, bescheiden man, die niet van ferme uitspraken houdt. Onderzoeksresultaten moeten voor zichzelf spreken, vindt hij. Die behoeven niet te worden aangedikt met woorden. De onderzoeken die in opdracht van OSA worden verricht vallen op door hun micro-economische invalshoek.

Op dit moment staat de werkloosheid onder laagopgeleiden (de onderkant van de arbeidsmarkt) centraal. Afgelopen dinsdag verscheen over dit thema het twintigste rapport. Het werd in opdracht van OSA vervaardigd door twee onderzoekers van de Stichting voor Economisch Onderzoek van de Universiteit van Amsterdam. “Ook hier in Nederland hebben we huishoudens met grote bestedingsmogelijkheden, zoals tweeverdieners”, schetst Van Stiphout het onderwerp van studie. “Zij hebben veel onvervulde behoeften, houden geld over en toch leidt dat niet tot effectieve vraag. Hoe kan dat?” De onderzoekers suggereren dat wellicht de prijs van de arbeid voor eenvoudige dienstverlening drastisch (minimaal met de helft) omlaag moet, maar volgens Van Stiphout veroorzaken de kosten van de arbeid hooguit de helft van het probleem. De andere helft wijt hij aan institutionele factoren: de ondoorzichtigheid van markten.

Neem huishoudelijke hulp. Tweeverdieners geven aan dat ze voor een uur huishoudelijke hulp slechts 12,50 gulden willen betalen. Maar er zijn volgens de OSA-directeur ook veel tweeverdieners die meer zouden willen neertellen als ze hulp zouden weten te vinden. “Mensen willen een persoonlijke band met zo'n hulp in de huishouding”, zegt Van Stiphout. “Ze willen iemand kunnen vertrouwen, maar er is geen instantie die vraag en aanbod hier bij elkaar brengt.” Iets soortgelijks geldt voor kinderoppassers, bezorgers van boodschappen en tuinlieden.

Nu de behoeften zijn gelocaliseerd, moeten creatieve ondernemers volgens Van Stiphout de aangegeven gaten in de markt gaan opvullen. Als voorbeeld noemt hij een instelling in Eindhoven die de behoefte van bejaarden aan goedkoop taxivervoer vervult. Bejaarden melden zich bij het intermediair en zeggen hoe laat ze willen worden opgehaald. De tussenpersoon zorgt vervolgens voor goedkope en efficiënte pooling. Ander voorbeeld: de Ondernemersorganisatie Schoonmaak- en Bedrijfsdiensten wil door middel van proefprojecten de animo van de markt testen voor 'witte werksters'. De OSB denkt daarbij in eerste instantie aan het verzorgen van de grote schoonmaak voor, zeg, 350 gulden. “Als je eens per jaar iemand voor tien uur moet hebben om het hele huis eens goed schoon te maken, speelt de prijs niet zo'n rol”, zegt Van Stiphout. “En de behoefte aan zo'n voorziening zal groot zijn. Neem alleen al bejaarden die er niet meer toe in staat zijn.” Volgens de socioloog Van Stiphout “liggen er nog veel meer nieuwe arbeidsmarkten voor het grijpen”.

Het gaat er dus om de verborgen behoeften zichtbaar te maken. Dat kan door 'marketing van de arbeid', aldus Van Stiphout: “Het opsporen van behoeften en het daarnaartoe leiden van werklozen, zodat de overvloedige produktiefactor arbeid beter wordt benut.” Wat hem betreft “moeten niet alleen kijken naar de hoogte van de lonen”.

Dat het creëren van banen aan de onderkant van de arbeidsmarkt vooral een kwestie van organisatie is wordt ook aangetoond door een rapport dat een maand geleden verscheen en het 'Herontwerp van laaggeschoold werk' in ogenschouw neemt. Volgens onderzoekers van het GITP, een adviseursbureau voor organisatie en personeelsbeleid in Nijmegen, worden in het bedrijfsleven op dogmatische wijze taken geïntegreerd en gerouleerd, zodat hoogwaardige functies ontstaan die alleen door wat hoger opgeleide (en dus duurdere) werknemers kunnen worden vervuld. Zo worden laagopgeleiden (BO, LBO en MAVO) systematisch uit de arbeidsmarkt gedrukt. Volgens de onderzoekers compenseert de hogere kwaliteit of produktiviteit door taakintegratie lang niet overal de hogere loonkosten. Door gemakkelijk en moeilijk werk weer uit elkaar te halen vallen veel banen te scheppen.

Van Stiphout vindt de goed opgeleide agent die met twee vingers eenvoudige verslagen typt een schoolvoorbeeld van een functie die voor taakafsplitsing in aanmerking komt. Hier ligt een potentieel van drieduizend banen. Bij de sociale diensten zijn in deze sfeer ook nog eens tienduizend banen te vinden. Toch kan ook volgens het GITP niet worden ontkomen aan verlaging van het minimumloon. In de detailhandel vallen volgens de GITP-onderzoekers 66.350 nieuwe banen voor laaggeschoolden te creëren als de laagste loonschaal substantieel (25 procent) wordt verlaagd. Die komt dan 15 procent onder het huidige minimumloon te liggen.