Marijke Meu (1688-1765); Prinses zonder kapsones

F.J.A. JAGTENBERG: Marijke Meu 1688-1765

304 blz., geïll., De Bataafsche Leeuw 1994, ƒ 46.-

Marijke Meu, 'tante Marijke' was haar koosnaam onder de Friese bevolking. Eigenlijk heette ze Maria Louise, landgravin van Hessen-Kassel. Ze was de overgrootmoeder van koning Willem I en als zodanig de 'stammoeder van ons vorstenhuis'.

Haar echtgenoot Johan Willem Friso, achterneef en beoogd opvolger van de kinderloze Willem III (stadhouder in alle Nederlandse gewesten), was pas 24 en nog niet verder gekomen dan het stadhouderschap in Friesland en Groningen toen hij in 1711 plotseling kwam te overlijden. Op weg naar een legerkamp in Noord-Frankrijk naar Den Haag werd hij op de pont over het Hollands Diep overvallen door noodweer. Rukwinden en hoge golven zorgden ervoor dat hij uit de koets viel waarin hij schuilde en hij verdronk vlak voor de wal. Een zware slag voor de jonge Maria Louise, die twee weken eerder haar moeder had verloren.

Het was ook een slag voor iedereen die voorstander was van het stadhouderschap en de Oranje-dynastie. Hun enige hoop was het kind waarvan Maria Louise zwanger was toen haar man verdronk. Toen het een zoon bleek te zijn kon Maria Louise namens hem het Friese stadhouderschap waarnemen. Vanuit een verbouwd herenhuis in Leeuwarden trad ze twintig jaar lang op als regentes, tot haar zoon oud genoeg was om als Willem IV het stadhouderschap over te nemen.

De biografie Marijke Meu past in een traditie van geschiedschrijving waarin Oranjes sympathieke helden zijn, met afbeeldingen van gravures van Historische Momenten ('Johan Willem Friso verdrinkt bij het oversteken van het Hollands Diep'). Het oordeel over Maria Louise is wel genuanceerd, maar distantie is bepaald niet consequent aanwezig. In zijn betrokkenheid ziet de biograaf - de uit Putten afkomstige F.J.A. Jagtenberg, docent Nederlands en geschiedenis te Barneveld - regelmatig standaardformuleringen aan voor persoonlijke uitingen. Zo noemt hij het accepteren van het peetouderschap over de kinderen van Maria Louise door de Staten van Friesland 'hartverwarmend'.

Plichtsbesef

Jagtenberg heeft veel brieven gelezen en duidelijk moeite gehad om iets van zijn vondsten weg te laten. Daardoor krijgen we bijvoorbeeld informatie over briefporto, en leren we de exacte datum waarop het beddegoed van het kasteel te Buren werd overgebracht naar Soestdijk. We vernemen de naam van de echtgenoot van de min van Willen IV en de kosten van een reisje naar Ameland, het enige gebied waar de Nassaus 'een bijna onbeperkte soevereiniteit' uitoefenden. Daarentegen is de biograaf wat spaarzaam geweest met het gebruik maken van recente literatuur en hem is blijkbaar ook ontgaan dat het portret dat de omslag van zijn boek siert tegenwoordig wordt beschouwd als dat van een van de zusters van Maria Louise.

'Marijke Meu' verdiende haar koosnaam door haar eenvoudige en beminnelijke manier van optreden. Die werd in Friesland niet alleen gewaardeerd door de 'gewone man', maar ook door de adel. Als we de tuinman van Maria Louise mogen geloven - hij wordt geciteerd in Adel in Friesland van Yme Kuiper - was het kenmerkend voor de Friese edelen “dat zij bij alle hunne verhevenheid in Rang boven andere menschen, egter een modeste nedrigheid, en geen windrige opgeblazenheid, beminnen” en “dat ze haar niet schamen, met andere fatzoenlijke meede inwoonders van minderen staat en afkomst een minnelijken ommegang te houden”.

Maria Louise, opgegroeid in een tamelijk zwaar protestants milieu, had geen kapsones: plichtsbesef en een vast geloof hielden haar op de been. Het hofleven te Leeuwarden werd, mede uit financiële nood, zo sober mogelijk gehouden, ook letterlijk: het gebruik van alcohol was aan strenge beperkingen gebonden. De favoriete drank van de vorstin was thee. Regelmatig verzocht ze kennissen uit Holland om een paar pondjes op te sturen.

Uit de correspondentie met haar in Utrecht wonende vriendin Henriëtte van Nassau-Zuylensteijn blijkt waar de belangstelling van de prinses naar uit ging. Maria Louise's favoriete onderwerpen waren handwerken en kwaaltjes. In fonetisch weergegeven Frans (helaas niet gereproduceerd in de biografie) hield ze haar vriendin op de hoogte van familie- en andere nieuwtjes en van haar zorgen om de kinderen. Ze stuurde een handschoen op met het verzoek om voor haarzelf en haar zuster tien dozijn van dat model te bestellen. Ze wilde ook wel kantwerk uit Utrecht hebben, maar niet te duur, en op voorwaarde dat ze het kon terugzenden als het niet beviel. Haar zoon Willem, de stadhouder, liet ze in Den Haag linten, kragen en waaiers voor haar kopen. Ze stuurde haar vriendin wel eens staaltjes van haar handwerk op, bijvoorbeeld een lint dat de vrede moest verbeelden. Tijdens het handwerken gaf Maria Louise zich gaarne over aan bespiegelingen, veelal van godsdienstige aard. Ze sprak en correspondeerde graag met predikanten, die ook stichtelijke boeken voor haar mochten kopen, als ze tenminste de prijs in de gaten hielden. In een traditie die lang zou standhouden hield de vorstin zich bezig met mystiek en piëtisme. Ze onderhield enige tijd contacten met de graaf Von Zinzendorf, de leider van de Evangelische Broedergemeente, die door de gevestigde kerk werd gezien als een gevaarlijke secte. Maar Maria Louise bleef de gevestigde kerk trouw. Haar geloof inspireerde haar tot mededogen met de armen en verdrukten, en ze deed regelmatig substantiële giften aan kerk en armen.

Maria Louise had het niet makkelijk. De erfenis van Willem III, bestemd voor haar man, werd ernstig betwist en ging grotendeels verloren. Haar dochter Amalie was labiel en geraakte uiteindelijk in een staat waarin geen contact meer mogelijk was. Haar zoon Willem was ziekelijk en gebocheld. Toen hij in 1733 in Engeland arriveerde om te huwen met Anna van Hannover, de dochter van de Engelse koning, schrok men van zijn uiterlijk. Maar aangezien Anna ook geen schoonheid was - ze was nogal vadsig en haar huid was aangetast door de pokken - vormde hij in dat opzicht eigenlijk wel een passende partner. Het huwelijk kwam nog in gevaar doordat Willem de dag voor de bruiloft zodanig instortte dat hij vijf maanden nodig had om te herstellen, maar in maart 1734 wist hij de bruiloft glansrijk te doorstaan.

Riskante positie

De verhouding tussen Maria Louise en haar schoondochter was niet recht hartelijk. Anna van Hannover was een ambitieuze prinses die de voortdurende bezorgdheid van haar schoonmoeder over Willem knap irritant vond. Anna's ambities werden pas enigszins bevredigd in 1747, toen door oorlogsdreiging gebeurde wat normaal gesproken onmogelijk was geweest: Willem IV werd uitgeroepen tot stadhouder over alle Nederlandse gewesten en het stadhouderschap werd bovendien erfelijk verklaard. Nooit tevoren hadden de orangisten zo'n riskante positie gehad, maar Willem IV kon er geen gebruik van maken. Hij stierf al in 1751.

Nadat in 1759 ook Anna van Hannover was overleden, moest de bejaarde Maria Louise als voogd over haar kleinzoon Willem V opnieuw als stand-in fungeren. Haar politieke bemoeienissen waren overigens te verwaarlozen. Het werkelijke regentschap was in handen van haar medevoogd de hertog van Brunswijk, die van haar niet veel tegenspel te duchten had. 'Die oude vrouw is imbeciel', liet hij zich ontvallen. Hij had snel begrepen dat hij van haar geen last had zolang hij haar maar raadpleegde over de godsdienstige aspecten van de opvoeding van de jonge Willem V. Hij vreesde alleen haar Friese adviseurs.

Revolutiejaar

Van politiek had Maria Louise nooit veel kaas gegeten: ze liet zich steeds leiden door een aantal Friese edellieden, die uiteraard niet nalieten haar te manipuleren. Terecht wijst Jagtenberg erop dat het voor een vrouw als Maria Louise, opgevoed om zich aan de zijde van een man bezig te houden met stichtelijke geschriften, nuttige handwerken en beleefde conversatie, geen eenvoudige opgave was om in een politieke functie te moeten optreden.

In 1765, kort voor haar kleinzoon meerderjarig werd en het stadhouderschap kon aanvaarden, stierf Maria Louise, 77 jaar oud. Het stadhouderschap van Willem V duurde tot 1795, toen de Bataafse revolutie er een einde aan maakte. In het revolutiejaar vervulde Maria Louise nog een onwaarschijnlijke rol als symbool van orangistische dwingelandij. Op een zondag in augustus haalden enkele patriottische zeloten haar lijk en dat van haar man uit de grafkelder van een Leeuwarder kerk, waarbij een van hen, volgens een contemporain verslag, zo verhit raakte “dat hij met de schenkelen der oude vorstin Maria Louise getrommeld heeft, de andere beenderen werden door den kelder gesmeten en eindelijk het hoofd van de romp getrokken, onder de uitdrukking: daar leidse, oude hoer!”