Luie spion

NICHOLAS DAWIDOFF: The Catcher was a Spy: The Mysterious Life of Moe Berg

454 blz., Pantheon Books 1994, ƒ 50,40

Sportjournalistiek gaat over excelleren en dramatisch verliezen. De held van vandaag is de schlemiel van morgen. Middelmaat gaat in sport aan vlijt ten onder en wie de top niet bereikt blijft onbekend. Maar er zijn uitzonderingen die het voetlicht wel bereiken. Neem Moe (Morris) Berg. Hij was een middelmatig Amerikaans honkballer van voor de Tweede Wereldoorlog. Via de universiteit van Princeton kwam hij in het professionele honkbal terecht. Maar een slepende knieblessure verhinderde dat hij doorbrak. Berg was echter verslaafd aan de sfeer van de dug-out. Bovendien was hij een attractief soort zonderling. Hij verslond kranten en had altijd goede verhalen in petto voor zijn teamgenoten. Een onderhoudend mens. Maar er was meer, Berg had een mysterieus leven. Dat leven fascineerde de Amerikaanse journalist Nicholas Dawidoff (Sports illustrated, The New Republic, The New Yorker).

Berg zou in vergetelheid zijn verzonken als het bij honkballen en dug-outs was gebleven. Moe werd echter 'gered' door de Tweede Wereldoorlog. Hij kwam terecht bij de Amerikaanse spionage, de OSS, voorloper van de CIA. Dat hing samen met zijn volgens de mythe fabuleuze talenkennis en bereisdheid. Zijn collega's uit het honkbal maakten hem fameus door hun uitspraak dat hij een dozijn talen sprak, maar in niet één honkslag kon plaatsen.

Deze middelmatige sportman bereikte aan het eind van de Tweede Wereldoorlog zijn gloriedagen. Als bereisd intellectueel werd hij erop uit gestuurd om uit te zoeken hoever de Duitsers en hun Italiaanse bondgenoten waren met het maken van een atoombom. Berg kreeg de opdracht eventueel de Duitse projectleider, fysicus en Nobelprijswinnaar Werner Heisenberg te vermoorden als deze bij een van zijn zeldzame bezoeken aan Zwitserland zou laten blijken dat de atoombom binnen Duits bereik lag. De niet-fysicus Berg kwam echter tot de conclusie, daarbij steunend op Zwitserse geleerden, dat de Duitsers niet erg ver waren en liet Heisenberg ongemoeid.

Berg wilde na 1945 eigenlijk niets meer. Zijn relatie met de bureaucratie van de geheime dienst werd verziekt door een pijnlijke correspondentie over zijn extravagante onkostenrekeningen, of liever: onbetaalde rekeningen. Hij had beeldschone vriendinnen, maar bleek niet in staat een echte relatie te onderhouden. Werken wilde hij niet meer, vrienden verwaarloosde hij. Hij leefde op de zak van zijn broer, een huisarts, met wie hij ruzie kreeg. Hij verslonsde, droeg verfomfaaide kleren, maar bleef als een verslaafde kranten kopen en lezen. In 1972 stierf hij. Zijn laatste woorden: “Hoe doen de Mets het?” Honkbal tot het bittere eind.

Moe Berg was de laatste 25 jaar van zijn leven op de loop en hij loste geen enkele belofte in. Dat nu heeft Dawidoff gefascineerd. Berg, schrijft hij, vermeed werk, hij vermeed competitie, hij vermeed verwachtingen. Moe Berg was een on-Amerikaanse Amerikaan. Via de sport had hij vermaardheid kunnen verwerven, zijn spionnenreputatie had hem roem kunnen brengen en hij had tot een legende kunnen uitgroeien. Geen wonder dat de mysterieuze Moe Berg nog steeds een fanclub heeft.