Kohnstamm voelt niets voor extra bevoegdheden steden

DEN HAAG, 15 APRIL. De kritiek op het grote-stedenbeleid van staatssecretaris J. Kohnstamm (binnenlandse zaken) is niet terecht. Dit zegt Kohnstamm in een reactie op uitlatingen van de Brabantse burgemeesters Welschen (Eindhoven), Brokx (Tilburg) en Nijpels (Breda), eerder deze week in deze krant. “Ik dacht dat de tijd van zwarte-pieten voorbij was”, zegt Kohnstamm. “Dit valt mij erg tegen. Maar ik incasseer met genoegen het oordeel van de drie dat zij niet meer geld nodig hebben.”

De burgemeesters hielden een pleidooi voor meer bevoegdheden en gebiedsuitbreiding voor de grote en middelgrote steden en voor minder bemoeienis van het rijk bij het bestrijden van armoede en verpaupering. Verder vonden zij dat het beschikbare geld te veel wordt versnipperd. In het kielzog van de vier grote steden zijn vijftien grote gemeenten aangewezen die kunnen meeprofiteren van de kennis die wordt opgedaan in de Randstad.

Kohnstamm is het oneens met de suggestie dat het grote-stedenbeleid meer had moeten aansluiten bij de wijze waarop de stadsvernieuwingsoperaties in de jaren zeventig en tachtig werden uitgevoerd. Daarop konden de steden in belangrijke mate hun eigen stempel drukken. Kohnstamm bestrijdt de stelling dat de steden hun eigen problemen wel kunnen oplossen zonder hulp van de rijksoverheid. De stadsvernieuwing was volgens Kohnstamm weliswaar “in fysieke vorm een succes”, maar het heeft niet teweeggebracht wat ervan werd verwacht. In zijn ogen zijn de gemeenten destijds vergeten de problemen van de binnensteden integraal aan te pakken, zoals een parallel aan de stadsvernieuwing lopende operatie tegen de werkloosheid. “Het leed gaat aangekleed over straat. Het ziet er allemaal mooi uit en stadsvernieuwing heeft de private ruimte aangepakt. Maar het heeft geen sociale cohesie tot stand gebracht. Er was geen samenhang, dus de verpaupering van de openbare ruimte ging door. Die integrale aanpak is wat we nu tevoren afspreken.”

Kohnstamm doelt daarmee op het concept-convenant dat hij de afgelopen week met de vier grote steden presenteerde. Daarin zijn afspraken vastgelegd over verbetering van de veiligheid in wijken en buurten en de bestrijding van werkloosheid en onderwijsachterstanden. “Het is te gemakkelijk als de steden zeggen: dat doen we zelf wel. Neem de leerplicht. Wanneer heeft een gemeentelijke leerplicht-ambtenaar voor de laatste keer een jongetje van twaalf jaar en zijn ouders aangegeven wegens het niet nakomen van de Leerplichtwet? Dat is hún bevoegdheid.”

Ook met het softdrugsbeleid is het in veel steden misgegaan, constateert Kohnstamm. “Dat ligt niet aan het gedoogbeleid, maar aan de bestuurlijke uitvoering die de steden eraan hebben gegeven. De bevoegdheden zijn er. Het 'gedoogbeleid' is in veel steden 'gedogen' geworden. Nu het te ver is doorgeschoten is komt iedereen er weer op terug.”

De staatssecretaris kan zich wel vinden in de wens tot gebiedsuitbreiding die in de meeste grotere gemeenten leeft. “Daarmee zullen we een heel eind komen.” In een nota die Kohnstamms collega Van de Vondervoort onlangs presenteerde worden de eerste aanzetten tot een grootschalige herindeling in de stedelijke gebieden gegeven. Veel randgemeenten die in sterke mate zijn gericht op de centrumgemeenten zullen daar in de toekomst in opgaan. Of dat snel kan gebeuren, waar met name de Eindhovense burgemeester Welschen een groot voorstander van is, valt nog te bezien.

De bewindslieden op Binnenlandse Zaken, aldus Kohnstamm, zijn echter gebonden aan het regeerakkoord. Dat voorziet nog in een experimenteerfase van enkele jaren. De onlangs ingestelde regiobesturen worden rond 1997 geëvalueerd. “Zonde van de tijd”, zei Welschen over deze tussenstap. “We houden ons voorlopig aan het regeerakkoord”, zegt Kohnstamm, al laat hij doorschemeren wel wat te zien in een snellere variant voor de bestuurlijke herindeling. Kohnstamm noemt de experimentele overgangsfase voor de stedelijke gebieden “een probleem”. “Dat is het nadeel van codificeren. Ook het regeerakkoord is een vorm van codificatie en moet zo kort na het afsluiten worden nageleefd. De nota over de bestuurlijke reorganisatie wordt deze maanden met de Kamer, de gemeenten en de provincies besproken. We proberen voor het begin van de zomer definitieve besluiten te nemen.”