Is alles geoorloofd als God niet bestaat?

Brieven op het essay van A. van Dantzig

Tien geboden

Na lezing van 'Aflossing van de wacht' (Z 1 april) heb ik nog lang lopen denken over wat dhr. Van Dantzig schreef, vooral over het gebrek aan techniek om zowel kinderen als volwassenen de waarden en normen van ons systeem aan te leren.

Het bedenken en ten uitvoer leggen van zo'n techniek leek hem een dringende overheidstaak. Dat ben ik van harte met hem eens. Zeker nu het erop lijkt dat ouders noch school werkelijk iets aan 'opvoeding' meer kunnen of willen bijdragen.

Scholen zijn er m.i. vooral op gericht de pupillen 'klaar te stomen voor de maatschappij' en de rol van heel veel ouders is gereduceerd tot die van verzorger, huishoudelijke dienst en huisbaas. Mag de samenleving van 'de jeugd' verwachten dat die iets weet van normen en waarden als het niet ongebruikelijk is dat een kind, vanaf het moment dat het kan lopen, voor de video wordt geparkeerd en bijna alles krijgt wat het eist, zelden of nooit gewezen wordt op de meer dan uitzonderlijke luxe waarin we al jaren baden?

Mag een samenleving verwachten dat 'de burger' zich aan regels van fatsoen, recht en plicht houdt, als die regels dagelijks door diezelfde samenleving worden genegeerd (frauderende burgemeesters, stelende wethouders, liegende ministers, ontslagen bij stijgende winst terwijl men zich zogenaamd zorgen maakt over de werkgelegenheid etc.)?

Hoe zouden ouders, als ze die moeite nog durven te nemen, hun kinderen moeten opvoeden als de normen en waarden ongeveer elk uur van de dag anders benaderd worden?

Wellicht is het een goede gedachte om een serie 'Maatschappijregels' op te stellen, een soort algemeen geldende 10 geboden, die de jeugd op school zou moeten leren en elke morgen klassikaal opdreunen. Met daaraan verbonden één of twee lesuren per week, die ingaan op die sociale gedragsregels en vooral de rechten en plichten die daaraan zijn verbonden.

Robert Long, Schilde

Opwindmens

De vraag naar de mens spruit voort uit de nood van de tijd, zegt de filosoof Michael Landmann, en als je het mij vraagt verkeert de tijd in doodsnood. Het onbehagen in de cultuur is inmiddels uitgegroeid tot wanhoop in de cultuur en de noodkreet van een psychiater naar de vraag welke normen en waarden we moeten hanteren moet serieus genomen worden. Alleen, de heer Van Dantzig beschouwt het als een taak van de overheid om een 'techniek' voor het overbrengen van normen en waarden te bedenken èn ten uitvoer te brengen, en dat is wel even schrikken.

Hebben wij het over de mechanische mens, waar iets aan vast dreigt te lopen? Is zijn veertje soms gesprongen? Moeten we niet meteen, en met klem de vraag stellen: is dat eigenlijk wel wat we willen, die Opwindmens? Want normen en waarden zijn nu eenmaal onlosmakelijk verbonden met het mensbeeld dat we koesteren. In deze tijd is een grote en ingrijpende verandering ingezet, namelijk de afrekening met een driehonderd jaar oude gelijkheids-ideologie, gefundeerd op het rationalistisch principe van: alle mensen zijn gelijk onder de paraplu van de rede. De ontkoppelde rede welteverstaan, de rede die zich in Prometheïsche waan meende te moeten verheffen boven de voelende materie, de werkelijkheid. En nu pas kan die werkelijkheid zichtbaar worden, als we de a priori geldende ideologieën hebben durven opruimen.

Het kind van nu kan geen held zijn die eenzaam op pad gaat om mens te worden en gerijpt terug te keren naar huis en haard, want hij heeft geen huis. Huis? Huis is waar de televisie aanstaat. Zijn thuis is inwisselbaar. En degenen die hem hadden moeten inwijden in de normen, waarden en mysteries van het leven, zijn ouders, die zijn ook nooit volwassen geworden, die vormden de Eerste Generatie verdoolden. Die zijn grootgebracht maar kleingebleven in een schijnbaar oneindige speelplaats van paradijselijke beloften.

En de kinderen gaan de straat op, op zoek naar sensaties in het echte leven die hun overprikkelde fantasie nog kunnen evenaren. Gewetenloos zijn ze geworden, gevoelloos. Wie zelf geen gevoelsleven heeft ontwikkeld, kan geen compassie hebben.

Ze huren video's genaamd 'faces of death', met realistische opnames van babylijkjes waarin cocaïne gesmokkeld wordt. Hierover vertellen ze in geuren en kleuren op school. Schaamteloos en watertandend.

De ouders zijn onmachtig in de opvoeding en kunnen zelf ook geen weerstand bieden aan zinnenprikkel. “Dat moet toch kunnen tegenwoordig”, zeggen ze aarzelend en voegen zich braaf naar het onderscheidsloze tolerantie-ideaal. Maar hun kinderen lopen over hen heen, en dan wenden zij zich radeloos tot de leraar.

En de leraar? Hooggeschoold, bijgeschoold, nageschoold, staat met de mond vol tanden. Van Mammoet naar Bavo - vijfentwintig jaar onderwijsvernietiging heeft zijn sporen nagelaten -, hij is machteloos gemaakt in een systeem waar de menselijke maat is overschreden. De Basisvorming, dat weer iedere leraar, dat is een vermomde bezuinigingsoperatie geweest. Fuseren was het doel, niet het middel. De goede didaktische vernieuwingen die daarbij met veel bombarie zijn ingevoerd werden al toegepast door een jonge generatie leraren, alleen niet in de monsterfabrieken.

En zo moet de leraar normen en waarden gaan onderwijzen, in die de humaniserende grootschaligheid. Waar geen sociale controle kan zijn, waar geen goedmoedige concierge is die in de pauzes dolt met de kinderen die hij elk bij naam kent, waar kinderen zich tot de tanden bewapenen omdat er geen ogen zijn die ze kunnen zien in de uitgestrektheid van de betonnen jungle. Geen zinvolle leefgemeenschap kan de leraar er scheppen, en hoe graag hij ook wil - hij wil het graag, want hij voelt dat alleen nog bij hém de verantwoordelijkheid ligt - hij kan zijn leerlingen niet voorleven in menselijke waardigheid.

Dit is de trieste werkelijkheid: het uitgeputte kind, de uitgeputte opvoeder. Nu nogmaals de vraag: is dit wat we willen?

Trudi Rijks Utrecht

Pats!

Het verhaal van Van Dantzig volgt een tijdpad dat geleidelijk naar hemzelf in het huidige tijdsgewricht toekomt. Aangekomen in het heden komt hij inzake de democratisering van ethiek en moraal (waarover het essay gaat) tot de conclusie dat 'Nederland (nu) beter in elkaar zit wat gerechtigheid en billijkheid betreft dan ooit het geval is geweest'. De oorzaak van deze - m.i. inderdaad gelukkige - omstandigheid schrijft hij toe aan (vrij geciteerd) 'het aflossen van de wacht van de geopenbaarde waarheid door aandacht voor de werkelijkheid'. Deze 'aandacht voor de werkelijkheid' zou ons uiteindelijk bevrijd hebben van de dogmatiek en de daarin besloten ontkenning van de werkelijkheid en van het machtsmisbruik voor degenen die door zich te voegen aan de zijde van 'het dogma' voordeel konden winnen.

Goed. Maar dan wordt in het essay de omkering ingezet met de uitspraak: “Nu (heden) zijn er een aantal waarden en normen die in onze samenleving algemeen gedeeld worden, omdat ze het uitgangspunt van ons bestel, de democratie zijn.” Pats! Eerst gaat dus het licht aan wanneer wij ons van het primaat van het dogma weten te ontdoen, en vervolgens doet Van Dantzig het licht weer uit door het primaat van de democratie, zoals thans in Nederland levend, in te voeren. In eerste instantie ben je dan geneigd om de weerstand die die stelling oproept te wijten aan een ongelukkige formulering. Maar dat blijkt niet terecht te zijn, want even verder zegt Van Dantzig: “Ik deel de bezorgdheid over het verval (van waarden en normen) dus nog niet. Maar ik zie een ander probleem: niet het probleem van verval, alsof het vroeger beter was, maar van instandhouding van het hoge peil (van de huidige gerechtigheid en billijkheid in de Nederlandse democratische structuur)”. En daarmee is de omkering bij Van Dantzig voltooid; niet alleen in tijd, want nu kijkt hij naar de toekomst, maar ook in 'zijn' aandacht voor de werkelijkheid. Nu, ineens, moeten toch waarden en normen voor nu en de toekomst met hand en tand verdedigd, veiliggesteld, worden.

De heer Van Dantzig is bezorgd over de bestendigheid van de huidige stand van democratie, emancipatie en gezondheidszorg. Het lijkt ook goed om nu en dan aan die bezorgdheid uiting te geven, en alert te zijn op de ontwikkelingstendenzen daarin. Maar het is niet nodig om deze zorg te bedden in een dynamisch-sociologisch betoog dat zichzelf door tegenspraak opheft.

L. Evers

Breda

Charisma

Het idee van de (vroegere) mens als slachtoffer en de onhistorische visie op het verleden komen sterk naar voren in de beoordeling van de verzuiling. Zonder omwegen stelt Van Dantzig vast dat de leiders van de zuilen hun 'gelovigen' met een absolute moraal indoctrineerden: “De zuilen hadden een geacheveerd transmissie-apparaaat voor hun waarden. Alle 'gelovige' systemen hebben trouwens altijd geweten en intens in praktijk gebracht, dat het verwerven van normen en waarden niet de uitkomst van rationeel overleg van volwassenen, maar van beïnvloeding op primitief gevoelsmatig niveau, door volwassenen van kinderen, of van volwassenen door een charismatische leider”.

Het wordt hier voorgesteld alsof de rooms-katholieke, protestants-christelijke en socialistische zuilen (vanwege haar neutraliteit laten we de liberale zuil hier buiten beschouwing) bestonden uit geïndoctrineerde, willoze mensen, die weinig keus hadden, kortom uit slachtoffers. Hier wordt niet eens de vraag gesteld of deze mensen misschien zèlf - de omstandigheden van tijd en milieu natuurlijk in acht genomen - tot een bewuste keuze waren gekomen. En zo er al geen bewuste keuze was geweest - men groeide immers vanzelfsprekend in een bepaald protestants, katholiek of socialistisch milieu op - dan kan er toch altijd achteraf een bewuste aanvaarding zijn geweest. Een mens is meer dan 'slachtoffer' van tijd en milieu: hij kan ook kiezen.

Nog iets anders treft in het hierboven aangehaalde citaat: de overtuiging namelijk dat moraal de resultante zou zijn, althans zou moeten zijn, van rationeel overleg tussen redelijke volwassenen. Mij dunkt dat hier ten onrechte de kenbron van de moraal in de ratio wordt gezien. Moraal heeft niet zoveel met ratio te maken. Moraal is een kwestie van het geweten, van het 'Über-Ich'. En het is het geweten dat ontwikkeld en verfijnd moet worden. En deze ontwikkeling en verfijning kan alleen maar geschieden op basis van een transcendent, metafysisch systeem. De ratio schiet hier tekort.

Verbazingwekkend is het dat een psychiater - die toch weet heeft van de afgronden der menselijke ziel - zich zo naief over de rede uitlaat, een zo irrealistische kijk op mens en maatschappij heeft.

Van Dantzigs poging om te komen tot een nieuwe moraal - over de inhoud waarvan hij ons weinig mededeelt, hij heeft het vooral over technieken om haar te verwerven - is loffelijk, maar zijn vertrouwen in de uitkomst van een (door de overheid geleid) maatschappelijk discours is mijns inziens irreëel èn gevaarlijk. De uitkomst van dit debat zou wel eens kunnen zijn dat de publieke opinie toonaangevend wordt, en deze is van oudsher een slechte leidsvrouwe, zeker in een mediacratie met sterk triviaal-hysterische trekken.

Moraal behoeft een transcedente, metafysische fundering. Reeds Huizinga wist dit, en in zijn Huizinga-lezing van december 1994 heeft Van Deursen nog eens, in navolging van Da Costa en Huizinga, erop gewezen dat onze cultuur zich op een doodlopende weg bevindt. Het tragische hierbij is dt de patiënte het medicijn niet meer wil innemen, zo concludeerde Van Deursen, en ik sluit mij bij deze conclusie aan.

Dit gevoel voor de tragiek van onze geseculariseerde cultuur ontbreekt helaas bij Van Dantzig en is tevens de zwakste van zijn stuk.

O. W. Dubois Hillegom