Het sombere lot van Suriname

EDWARD M. DEW: The Trouble in Suriname, 1975-1993

243 blz., Praeger 1994, ƒ 109,90

In 1983 werden Cuba, Nicaragua, Grenada en ook het Suriname van Bouterse gezien als een bedreiging voor de regionale stabiliteit. De CIA oriënteerde zich, met medeweten van president Reagan, op een mogelijke invasie in Suriname. Hier eenmaal in gekend schoot het Senate Intelligence Committee dit idee echter direct af.

De algemene reactie was er, volgens Bob Woodward in Veil. The Secret Wars of the CIA 1981-1987, een van ongeloof. Waarom een invasie 'in een land dat geen betekenis heeft'? Senator Goldwater was het meest uitgesproken: 'That's the dumbest fucking idea I ever heard of in my life'. In zijn memoires Turmoil and Triumph wijdt de toenmalige minister van buitenlandse zaken, George Shultz, nog wel enkele pagina's aan de Amerikaanse zorgen over de militairen van Suriname, maar hij maakt ook duidelijk dat het land - 'a self-governing territory of (sic!) the Netherlands' - geen enkele prioriteit had, al was het maar omdat de VS ervan uitgingen dat het land nog steeds primair een zorg voor Nederland was.

The Trouble in Suriname is het resultaat van een geheel andere interesse in het land. Suriname mag dan, betoogt de Amerikaanse politicoloog Edward Dew, 'off the screen' zijn, een analyse van de recente ontwikkelingen daar biedt allerlei mogelijkheden voor de vergelijkende studie van multi-etnische samenlevingen, onderontwikkeling, militaire coups, burgeroorlogen en herdemocratisering. Geen geringe pretenties. In feite lijkt Dews persoonlijke, naar hij uitlegt min of meer toevallig gegroeide engagement met het land zeker zo'n belangrijke drijfveer achter het schrijven van dit boek te zijn geweest. Dat zal hem in eigen land geen groot lezerspubliek opleveren; Suriname blijft voornamelijk in eigen land en in Nederland 'in beeld'.

In 1978 publiceerde Dew al een studie over het toen net onafhankelijk geworden Suriname, The Difficult Flowering of Surinam: Ethnicity and Politics in a Plural Society. Het boek bood een gedegen reconstructie van de politieke ontwikkeling van het land tot aan de abrupte onafhankelijkheid in 1975. De rode draad in Dews analyse was de rol van etniciteit in het politieke proces. Zijn analyse was ambivalent. De keuze voor onafhankelijkheid was voornamelijk een aangelegenheid geweest van Creoolse partijen; de Hindostaanse en Javaanse bevolkingsgroepen, en zelfs een belangrijk deel van de Creoolse achterban, hadden deze stap liever niet gezet. In die zin was de prognose voor de etnische verdeelde republiek niet gunstig. Bouterse-factor

Daar stond echter tegenover, betoogde Dew, dat de leiders van de verschillende etnische partijen ook in het verleden blijk hadden gegeven van hun wil om over de verschillen heen naar consensus te streven. Zouden zij daar nu opnieuw in slagen, dat zou de onafhankelijkheid een succes kunnen worden.

De balans die Dew nu in The Trouble in Suriname opmaakt is echter somber. De periode van 1975 tot 1980 werd gekenmerkt door het falen van de op etnische basis opererende partijen. Sinds 1980 kwam daar de 'Bouterse-factor' bij, een ontwikkeling die Dew in het geheel niet had voorzien. De aarzelende terugkeer naar democratie sinds 1987 gaat gepaard met een bevestiging van oude etnische scheidslijnen, al worden die in het politieke bedrijf nog betrekkelijk voorzichtig uitgespeeld. En tenslotte frustreren, naast de militaire erfenis, nog twee in hun huidige omvang nieuwe factoren het functioneren van de uiterst fragiele democratie: de ineenstorting van de economie en de ondermijning van de staat door wijdverbreide corruptie, drugshandel en money laundering. Geen vrolijk beeld, en Dew schrijft er dan ook een triest verhaal over, waarin hij meermalen vaststelt dat zelfs zijn zo voorzichtige optimisme van de jaren zeventig door de feiten is achterhaald.

Voor de toekomst suggereert hij als minst onaantrekkelijke optie een stand houden van de huidige politieke constellatie, waarin de grote politieke partijen ieder hun eigen etnische achterban blijven bedienen, maar aan de top samenwerken. Hij stelt daarbij echter vast dat dit arrangement de mogelijkheid tot krachtig beleid hevig frustreert: iedere politicus denkt primair aan de eigen positie in verhouding tot die van de etnische achterban. Geen opwekkend vooruitzicht. Het meest voor de hand liggende alternatief, etnische polarisatie, is echter aanmerkelijk afschrikwekkender, betoogt Dew.

Stemt het boek dus niet vrolijk, het is helaas ook niet erg geslaagd. Als analyse en naslagwerk is The Difficult Flowering of Surinam nog steeds van grote waarde. Het zou de auteur gegund zijn dat ook The Trouble in Suriname als zodanig zou gaan gelden, maar ik betwijfel het. Dew heeft een poging gedaan de politieke ontwikkelingen bijna van week tot week in kaart te brengen. Dit resulteert, behalve in vele mooie anekdotes en sfeertekeningen, in een mate van gedetailleerdheid die mij althans tot wanhoop drijft, maar die wellicht de liefhebber van politieke geschiedenis nog kan boeien.

De keuze van zowel de gepresenteerde informatie als van de bronnen waarop Dew zich baseert is echter discutabel. Terwijl het waarneembare politieke bedrijf, dat van de militairen daarbij inbegrepen, uitvoerig wordt gedocumenteerd blijft de achtergrond in het vage. Zo is er, om slechts dit voorbeeld te noemen, veel te lezen over de invloed van allerlei splinterpartijen die Bouterse soms ter rechter- en vaker ter linkerzijde bezighielden, maar lezen wij slechts de vaagste opmerkingen over veel wezenlijker ontwikkelingen als de toenemende symbiose van de militaire leiding en (meest Hindostaanse) zakenlieden in de zwarte economie, en de politieke consequenties daarvan.

Hiaten

Dews bronnen zijn ronduit onevenwichtig gekozen. De bibliografie toont opmerkelijke hiaten; zijn eigen ervaringen in Suriname komen slechts terloops voor het voetlicht; en grote delen van zijn boek lijken voornamelijk te steunen op publikaties in de Nederlandse pers. Hoewel hij daarbij vooral de uitstekende reportages van Hans Buddingh' uit NRC Handelsblad aanhaalt, kon ik mij niet onttrekken aan het irriterende gevoel te bladeren in een stapel oude kranten. En tenslotte komt het bredere theoretische perspectief, dat volgens Dew deze studie een meerwaarde zou geven, niet goed uit de verf in een verhalend betoog dat slechts incidenteel door analyse wordt afgewisseld.

Gek genoeg heeft Dew juist de gelegenheid laten lopen om een van de meest intrigerende thema's te analyseren: de verhouding tussen Nederland en Suriname. Weliswaar komt de rol van Nederland veelvuldig aan de orde, maar een wat diepgravender beschouwing over die verhouding blijft achterwege. Evenmin geeft hij een bevredigend beeld van de rol die de VS zichzelf, maar vooral Nederland toedenken. Juist met zo'n analyse had Dew, als buitenstaander kijkend naar deze bijzondere postkoloniale relatie, de Surinaamse politiek en de verhouding Suriname-Nederland ook eens uit een nieuw perspectief kunnen belichten.