Het Ispahan-syndroom

Deze week zijn in de stad New York de regels tegen het roken in restaurants weer strenger geworden. In alle openbare gebouwen mag het allang niet meer. Dat geldt trouwens voor de hele Verenigde Staten. Nuttige wetenschap voor degenen die met goedkope dollars daar voor het eerst naartoe gaan en in de aankomsthal van het vliegveld ter bevestiging van hun opluchting een sigaret willen aansteken. Een boete is even waarschijnlijk als een waarschuwing.

De restaurants waren er in secties ingedeeld. Ten behoeve van de niet-rokers zijn die secties nu opgeheven. Er zijn er nog een paar waar je lekker kunt eten en roken, desnoods zelfs een sigaar opsteken. Ik noem de Corner Bistro in de West Village, op de hoek van Jane Street en de Achtste Avenue, en de Sazerac op de hoek van Hudson Street en Charles, een gebouwtje dat in Gent of Brugge had kunnen staan. Er heeft nog een Nederlandse diamanthandelaar in gewoond. In The Village Voice van vorige week staan de meeste van de laatste uitwijkplaatsen voor rokers opgesomd.

De Amerikaanse campagne tegen het roken is een van de zeldzame bewegingen, misschien wel in de wereldgeschiedenis, waarin staat en volk hoe langer hoe nauwer verenigd zijn om iets goeds tot stand te brengen, namelijk een langer leven en een betere gezondheid voor de hele burgerij. Des te merkwaardiger is het in dit geval omdat juist de Amerikanen verder van alles en nog wat doen dat aanwijsbaar ongezond is, en in die gewoonte juist gestijfd worden doordat ze dan ook weer de beschikking hebben over de poeders, pillen en drankjes waardoor ze de illusie krijgen dat ze er toch weer gezond kunnen blijven. Het gaat ongeveer volgens de formule van Ischa Meier in zijn gedaante van prof. dr. Weiszkopf: de mensen die denken dat ze ziek zijn maak ik weer gezond, en die mensen die denken dat ze gezond zijn maak ik ziek.

Ik noem een voorbeeld. In de televisiereclame zie je een feestje in volle gang, liever gezegd een onbeschaamde Rabelaisiaanse vreetpartij waar de gasten handenvol gegrilde garnalen uit dampende schalen graaien. Gezond kan het niet zijn, dat weten ze ook wel - om te beginnen is er grote kans dat de maag gaat opspelen - maar dan is er MAALOX, een wit poeder in een grote fles. Close-up van de dampende garnalenberg, close-up van de Maaloxfles, en tot slot een zeer dik-doorvoed hoofd dat zich over zijn derde portie buigt en zegt: Life is good.

Zou je er een studie van maken dan zou je tot de conclusie komen dat er een grootindustrie is gegroeid uit de Amerikaanse behoefte aan zwelgen met een gerust geweten. Zo'n studie is dus niet nodig. Nergens anders ter wereld is de hamburger zo vet, de biefstuk zo zwaar, de sandwich zo overstuffed, de melk zo dik, het ontbijt zo bespekt en bestroopt. Nergens anders liggen er zoveel calorie-arme, vezelrijke, met vitaminen en mineralen doordrenkte waren in de supermarkt. Er is geen land ter wereld waar meer wetenswaardigheden over het heilzame en het gezonde op de voedselverpakkingen te lezen staan. Nergens is de concurrentie tussen de fabrikanten van aspirientjes genadelozer. Advil, Bufferin, Tylenol, Superstrength, de allergemakkelijkst doorslikbare, de gladst bemantelde, de nimmer branderige, de gezegende tabletjes, de beste garantie voor de snelst herwonnen levensvreugd na de benauwdheid na het reuzenmaal. Dat zie je dan ook aan de opgetogen gezichten van de gebruikers. Geen groter schijnheiligheid dan die op het gezicht van de held in de televisiecommercial. Die is trouwens overal in de westelijke beschaving weer hetzelfde.

Van alle vreemde landen ben ik het liefst in Amerika, dat zeg ik er voor alle zekerheid bij. Maar dat heeft niets te maken met dit raadsel dat ik interessant vind en dat ik niet zal oplossen: het raadsel van de manier waarop Amerikanen met hun gezondheid kunnen omspringen. De laatste rokers worden er nu achtervolgd op een manier die doet denken aan wat de ongelovigen in fundamentalistische landen overkomt.

Intussen zie je er meer mensen die dikker zijn dan waar ook ter wereld. Heel dik zijn is het gevolg van pathologische eetzucht. Ik vind het aanmerkelijk aanstootgevender, in de subway iemand tegenover me te hebben die het ene zakje pinda's na het andere zakje chips na het volgende zakje chocolaatjes opeet (zakjes die hard kraken), dan in een restaurant iemand te zien die geruisloos rookt. Tegen die eetzucht zijn weer tientallen therapieën ontwikkeld. Onlangs is berekend dat in de Verenigde Staten per hoofd van de bevolking veertig dollar per jaar wordt uitgegeven aan eetbestrijding. Hoe komt het dat daar zoveel dwangmatig wordt gegeten, tot de dood erop volgt, en dat tegelijkertijd de campagne tegen het roken zowat met de overwinning is bekroond?

Het is een paradoxale toestand die (volgens mij, gespeend van medische en psychiatrische kennis, met niets anders dan een waarneming die zich uitstrekt over 35 jaar) is ontstaan uit de angst om in een overvloed tekort te komen. We komen hier op het gebied van de kleine wetenschap. In een samenleving waar schaarste heerst wordt men beheerst door de zorg, dagelijks het voldoende te bereiken. Deze samenleving van schaarste heeft haar eigen definities van tevredenheid en geluk. Het redelijk dagelijks bestaan op een rantsoen van 3000 caloriën, samengevat in een niet onsmakelijk natje en droogje, vormt de grondslag voor de tevredenheid. Alles wat een klein beetje meer is, kan al geluk betekenen.

Zodra de overvloed zijn intrede doet begint in de definitie van geluk de kern te verschuiven van voldoende naar meer. In voldoende ligt een zekere mate van tijdloosheid besloten: het voldoende van vandaag is niet meer of groter dan het voldoende van gisteren. Voldoende blijft zoals het is.

Maar bij meer in een maatschappij van groeiende overvloed is het meer van gisteren altijd minder dan het meer van vandaag, en het meer van morgen zal nog meer zijn dan het meer van heden. Daaruit onstaat dan een gesteldheid die door de Duitse fenomenoloog Philip Lersch is genoemd: Der Antrieb des Nicht-genug-kriegen-könnens. Anders gezegd en toegepast op de Amerikaanse situatie: de angst niet voldoende te profiteren van het meer van morgen doet de zorg der mensen voor hun gezondheid toenemen. Op grond van deze veronderstelling kom ik tot de slotsom dat de Amerikanen vandaag niet meer roken om morgen meer te kunnen eten (waarbij ik eten gebruik als samenvatting voor het alzijdig en onophoudelijk genieten dat in de maatschappij van overvloed synoniem is met geluk). In het dilemma van zwelgen of roken is voor het zwelgen-met-aspirine gekozen. Als ik psycholoog was zou ik dit het Ispahan-syndroom noemen.