Het Afrikaanse onvermogen; Modelstaat Sierra Leone nu symbool van de ontbinding

Na het einde van de Koude oorlog is de macht in Afrika zoek. Etnische conflicten vernielen voorgoed de illusie van de moderne Afrikaanse naties. De rest van de wereld kijkt opzij. Reportage uit Freetown, Sierra Leone, ooit bakermat van post-koloniale idealen, nu in de greep van de anarchie. Onder weeskinderen en kleptocraten - een retourtje 19de eeuw.

De blinde professor is dubbel zo oud als zijn land, Sierra Leone, dat in april 34 jaar bestaat. Tikkend met zijn stok schuifelt hij naar het hek bij de New London Road, een lemen bergweggetje met uitzicht op de Atlantische oceaan. De rode aarde, het manshoge olifantsgras in de berm - alles is bedrieglijk mooi. Er druppelen vluchtelingen voorbij, met hun hele hebben en houden op hun hoofd. “M'n vader is dood, m'n moeder is dood”, zegt een jongetje op blote eeltvoeten. “Geef me geld!”

De Afrikaanse hoogleraar drama en literatuur dacht dat hij alles in zijn leven al eens had meegemaakt - maar oorlog, nee. Gemaskerde rebellen rukken met bazooka's op hun schouder op naar de hoofdstad Freetown, een kwart van de vier miljoen Sierra Leonezen in paniek voor zich uitdrijvend. De vluchtelingen vertellen over uitgedroogde mensenhoofden op stokken, die de rebellen als totems met zich meedragen.

In zijn studeerkamer vol Afrikaanse maskers èn de verzamelde werken van Shakespeare vertelt professor Al Jones over beschaving en barbarij, “die altijd hand in hand gaan”. En over vroeger: “In de jaren vijftig schreef ik mee aan de nieuwe grondwet. We dachten met dat stuk papier een overzichtelijke samenleving te kunnen inrichten, waarin de razernij van de mensen kon bedaren.”

Buiten klinkt het commanderen van regeringssoldaten, het keren van een jeep. Het huis van Al en Mary Jones staat op de campus van Fourah Bay College, de oudste en lange tijd de enige universiteit van West-Afrika. Omdat de rebellen hebben gedreigd het complex in te nemen, werpt het regeringsleger wegversperringen op van oliedrums.

Binnen serveert Mary een glas thee met een wolkje melk, op een Guinness-bierviltje. Even onverstoorbaar reciteert Al uit de roman A Bend in the River van de Caraïbisch-Brits-Indiase schrijver V.S. Naipaul. “Het leek zo simpel: je haalde een jongen uit het bos en je leerde hem lezen en schrijven. Dan rooide je het bos en bouwde een technische hogeschool en je stuurde hem daarheen.”

Uit die gedachte was Fourah Bay College voortgekomen. Britse filantropen kapten in 1827 een open plek op de leeuwenberg ('Serra Lyoa'), een door regenwoud overwoekerde rots waarin een Portugese zeevaarder ooit het silhouet van een leeuw had gezien. Naast het oorspronkelijke houten klaslokaal verrezen er in deze eeuw betonnen gebouwen met namen als 'Beethoven' en 'Kennedy'. Van alle stammen en standen kwamen er leergierige jongens en meisjes naar dit 'Athene van Afrika', waar ze tot jurist of diplomaat worden opgeleid. Fourah Bay College produceerde het kader dat nodig was om Afrikaanse staten te regeren.

Geduld

Professor Jones herinnert zich het enthousiasme en de felheid van de debatten in de laatste jaren van het koloniale tijdperk. Konden de nieuw te vormen landen beter halffabrikaten uitvoeren of eindprodukten? Bauxiet-erts of aluminium pannen? Wat was beter: een republiek of een monarchie? Democratie naar Westminster model of socialisme Afrikaanse stijl? “Afrika is te hard van stapel gelopen”, zegt hij. “Kort voor de onafhankelijkheid mochten we voor het eerst stemmen. Niemand had ervaring met de democratie, en we hadden bovendien het geduld niet om een oppositie in het leven te roepen, die je ook nog aan het woord moest laten. Inspraak, zo dachten we, remt ontwikkeling.”

Achteraf gezien denkt Jones dat de meeste Afrikaanse landen doodgeboren kinderen waren. Ontwikkeling is er niet gekomen, wel stilstand en regressie. De bielsen van de spoorbaan in Sierra Leone, een Britse erfenis, zijn weggerot en van het Belgische net van verharde wegen in Zaïre, ooit veertienduizend kilometer lang, is nog tweeduizend over.

Nog een paar weken, zo schat Jones, of de opstandelingen zullen Fourah Bay College bereiken. Hoewel ze al vier jaar moordend en brandschattend door het land trekken, weet niemand precies wie de rebellen zijn, of wat ze willen. Maar op een ochtend in februari hingen er op drie verkeersborden op de campus handgeschreven pamfletten met de volgende waarschuwing: 'Maak dat je weg komt, studenten en staf. Iedereen die we hier aantreffen zal gedood worden. Zelfs honden sparen we niet'.

Het domein is deels ontruimd. Soldaten van het regeringsleger - jongens van vijftien, zestien in legergroene lappen - nemen de plaats van de studenten in. Ze hebben allemaal een kalasjnikov aan een schouderband en lopen op teenslippers. “We houden niet van het idee van moorden”, zeggen ze, kauwend op kolanoten. De frontberichten uit hun transistor verwaaien tot gekraak.

Hun held is luitenant Nyuma, codenaam Tom the Lion. Als zoon van de mecanicien van het wagenparkje van Fourah Bay College groeide Tom op in het domein. Professor Jones herinnert zich nog dat-ie als Tarzan aan de luchtwortels van de ficusbomen zwaaide. Het enige boek dat hij ooit las was The Third Universal Theory van kolonel Khadaffi. “Hij had altijd zijn mond vol over Khadaffi”, weet Mary nog.

Op 29 april 1992, om half zeven 's ochtends, zette de luitenant z'n vliegeniersbril op. Hij sprong met een aantal soldaten in een tot strijdwagen omgebouwde jeep: eentje met een wendbaar luchtdoelkanon op de laadbak gemonteerd. Ze scheurden naar het paleis van de president om hun achterstallige soldij op te eisen. Maanden achtereen hadden ze jacht gemaakt op Liberiaanse rebellen die de grens met Sierra Leone waren overgestoken, zonder dat ze ook maar één keer waren uitbetaald. Toen de president, die niet in het paleis was, het bericht van de muiterij ontving, besloot hij het zekere voor het onzekere te nemen en nog diezelfde dag het land te verlaten. De 21-jarige luitenant had onbedoeld een staatsgreep gepleegd. Omdat hij bezwaarlijk president kon worden, nam kapitein Valentine Strasser het roer over - die was 26. Van hem is weinig bekend, behalve dat hij een fanatiek breakdancer is.

Maar de soldaten op de campus vertrouwen alleen op Tom the Lion, hun minister van defensie. Af en toe komt hij een kijkje nemen. Dan roept hij de jongens bij elkaar, rookt djemba met ze, marijuana, en zegt dat ze niet bang moeten zijn.

Al en Mary Jones voelen zich te oud om te vluchten. “Ik heb een zus in Londen die erop hamert dat we vertrekken nu het nog kan”, zegt de professor. Maar hij schudt zijn hoofd: weggaan is niks voor hem. Hij is blind. Z'n boeken en z'n maskers zijn de enige bakens waaraan hij de wereld kan herkennen, die laat hij niet los.

Thuisland

Sierra Leone, althans Freetown, gold lange tijd als bakermat van de moderne Afrikaanse samenleving. De nederzetting aan de voet van de Serra Lyoa was in 1787 gesticht door Londense slavernij-bestrijders als een thuisland voor vrijgelaten slaven: de Black Pioneers, zwarten die aan Britse zijde hadden gevochten in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog, en de recaptives, ook wel 'heroverden' genoemd, die naakt en berooid voor de kust van Afrika door de Britse marine waren bevrijd uit illegale slavenschepen.

Uit tweehonderd talen ontstond er één nieuwe, het Krio of pidgin-Engels, dat nog altijd de lingua franca is. Hoe verschillend de achtergronden van de ex-slaven ook waren, ze deelden hetzelfde lot, stierven aan dezelfde ziektes, en hadden hun vrijheid te danken aan dezelfde grootmacht: het Britse imperium. Al na een generatie voelden ze zich een 'volk' van Krio's. “Er ontwikkelt zich in Freetown een nationaal gevoel”, noteerde dr. James 'Africanus' Horton in 1868 vol geestdrift.

Horton, de zoon van een timmerman, doorliep Fourah Bay College - destijds nog een zendingschool - en kreeg in 1853 een beurs om in Londen te studeren. Hij werd opgeleid tot dokter, een zwarte arts in het Britse Leger. Uit trots op zijn afkomst ging hij zich 'Africanus' noemen en begon na te denken over de inrichting van de Afrikaanse staten, die er eens zouden komen.

De legerarts geloofde dat het nationalisme, zoals Europa dat aan het uitvinden was, ook Afrika een identiteit kon verschaffen, een wij-gevoel dat de stammenloyaliteit oversteeg. Freetown was het bewijs. Honderd jaar voordat 'nation-building' overal in postkoloniaal Afrika zou worden beproefd, had Africanus Horton het al gepropageerd.

Maar de Krio's gingen zich spiegelen aan de Britse koloniaal en keerden Afrika de rug toe. Ze tooiden zich met bolhoeden, gingen tarwebrood eten en dansten de foxtrot. Het binnenland was voor hen net zo duister en demonisch als voor de Europese heersers, die de dampende tropenkust 'het graf der blanken' hadden gedoopt. Wie zich te diep in het bos waagde, stierf aan malaria of zwartwaterkoorts. En dat gold ook voor de Krio's.

In 1834 overwoog het bestuur van Freetown een aarden wal te bouwen van tien meter hoog om de stad af te schermen van 'slechte wind'. Volgens de toenmalige stand van de geneeskunde voerde die de pestilente kiemen met zich mee. De muur is nooit gebouwd, maar er bestaat wel een mentale barrière tussen de Krio's aan de kust en de bewoners van het bos: de Temne in het noorden en de Mende in het zuiden.

Freetown, gebouwd op een schiereiland van rode klei, ademt nog altijd een Britse sfeer. Pal in het centrum staat een gotische kathedraal, waarvan het carillon op de hele uren de Big Ben imiteert. Daaromheen groeperen zich rijtjes houten en stenen huizen die je ook in Southampton kunt aantreffen, zij het dat ze in een vergaande staat van ontbinding verkeren. Sommige zijn ooit bij warenhuis Harrods in Londen besteld en als bouwpakket naar West-Afrika verscheept.

Vredesmars

Er perst zich een blaaskapel van padvinders door de straten. Een sjouwer met een handkar vol bananen kijkt om. Is dit Engels, is dit Afrikaans? De jongens dragen uniformpjes en gepoetste schoenen, maar tegelijk wiegen ze heel on-Engels met hun bovenlichamen op de muziek. Ze houden een vredesmars. 'Laten we de oorlog arresteren en de dood vermoorden', staat er op hun spandoeken. En: 'God bless Allah'.

De journalist Kanday Kamara, hoofdredacteur van het tijdschrift Sierra Leonean Digest, zegt dat zijn land is verweesd. De laatste keer dat de Britse vloot de haven aandeed was tijdens de Falkland-oorlog. De fregatten en vliegdekschepen namen er brandstof en proviand in. Sindsdien had daddy niet meer naar de oud-kolonie omgezien. “De Britten mogen van mij terugkomen”, zegt Kamara. “Misschien dat wij het dan over vijftig jaar nog eens kunnen proberen.”

Vorig jaar in Londen had hij in het Lagerhuis gepleit voor de re-kolonisatie van Sierra Leone, maar dat was op een mislukking uitgelopen. Zelfs een interventie zat er niet in. Maar is hij, als zwarte, dan niet bang opnieuw door blanken gecommandeerd te worden? “Ach”, zegt hij, “er is tegenwoordig meer tribalisme dan racisme in de koloniale tijd.”

Kamara is niet alleen journalist, hij is ook directeur van het Centrum voor Alternatieve Ontwikkelingstudies, een van de weinige, niet door de buitenlandse hulp gedomineerde instellingen. Hij studeerde af aan Fourah Bay College op een scriptie over de Koude Oorlog. Zijn stelling is dat de kaart van Afrika sinds het wegvallen van de Oost-West tegenstelling steeds meer is gaan lijken op die uit de vorige eeuw, toen de scramble for Africa nog moest beginnen: de contouren tellen mee (de havens en steden langs de kust), terwijl het hart uiteenvalt in een anarchistisch en betwist niemandsland. “Het proces van terugval gaat door tot je alleen nog stam- of clanverbanden over hebt”, zegt Kamara. “En dan is het nog maar een kleine stap naar een slachting à la Liberia en Rwanda.”

Fourah Bay College, ooit gesticht als brenger van de Verlichting in Afrika, is in zijn ogen niet alleen een strategisch, maar ook een symbolisch doelwit van de rebellen. In een artikel met de kop 'University Unwanted?' omschrijft hij de universiteit van Freetown als “het meest in het oog springende rudiment van het kolonialisme”. De aangekondigde verwoesting is een wraakoefening van het donkere, ongeletterde Afrika tegen “de terreur van de doctorandussen”. Die hebben drie decennia lang kunnen regeren. En wat is daarvan geworden? Kamara somt de feiten op: de 550 miljoen Afrikanen bezuiden de Sahara, minus Zuid-Afrika, produceren met z'n allen evenveel rijkdom als de tien miljoen Belgen. Gemiddeld zijn ze 30 procent armer dan in 1970. Tussen 1958 en 1988 vonden er 118 staatsgrepen plaats. Landen als Liberia, Somalia, Rwanda - en morgen Sierra Leone en Burundi - houden op te bestaan. Ze klappen ineen in bloedige oorlogen. Hoe komt dat?

Volgens Kamara is alles terug te voeren op bad governance - wanbeleid, en niet of veel minder op misoogsten of oneerlijke handel. “We lijden onder ons eigen onvermogen om te regeren.”

Gemopper

De verschillende etnische groepen die samen Sierra Leone moesten vormen maakten meteen al bij de onafhankelijkheid in 1961 ruzie over de kleuren van de vlag. De talrijkste stam, de Temne, wilden een rode, de op een na talrijkste, de Mende, een groenblauwe. De Krio-ontwerpster koos niettemin voor groen (het bos), blauw (de zee) en wit (het strand), zodat er bij het hijsen van de nationale driekleur meteen al gemopper klonk.

Toch hebben de Sierra Leonezen geprobeerd er het beste van te maken. Het was ook niet makkelijk. Hoe betrek je hondervijftig inlandse stamhoofden, die als vorsten over hun koninkrijkjes regeren, bij een parlementair bestel? Het Britse gezag had zich beperkt tot het innen van belasting. De opperhoofden droegen een staf van suikerriet met een koperen knop waarop het Britse wapen stond gegraveerd - verder reikte de koloniale bemoeienis niet.

De eerste verkiezingen in 1957, bedoeld om het land aan legitieme vertegenwoordigers te helpen, werden gedomineerd door het gerucht dat de kandidaat van de Krio's een kannibaal zou zijn, die thuis een koelkast vol mensenvlees had. Het stelsel van onderling wedijverende politieke partijen stond de wording van Afrikaanse naties alleen maar in de weg, zo leek het, en werd al gauw vervangen door de een-partij-staat.

“Wat er gebeurde was typisch Afrikaans”, zegt Zainab Bangura, de kleindochter van een Temne-stamhoofd. “De gekozen presidenten gingen zich gedragen als stamhoofden-voor-het-leven.” Bangura is een grote, donkerbruine vrouw met een pruik van vlechtjes die op een kunstige manier aan haar eigen haar vastzitten. Als marketing manager werkt ze bij een verzekeringsbedrijf in Freetown. Ja, ze verkoopt levensverzekeringen.

“Een goede chief is een big chief, iemand die zijn gezag ontleent aan het tentoonspreiden van zijn schatten en het monopoliseren van bovennatuurlijke krachten”, zegt ze. Er blaast ijskoude lucht door haar kantoortje. De bezoeker moet weten dat er twee soorten mensen zijn: diegenen die beschikken over een (luid wiekende) airco, en de rest. Op de gang zitten Afrikanen nederig te wachten. Klanten? Nee, verre familieleden en dorpsgenoten van Bangura, op de vlucht voor het geweld. “Mijn stam heeft in mij geïnvesteerd om een connectie in de stad te hebben”, zegt de Temne-prinses. “Het is mijn plicht om ze te helpen met een kip of een zak rijst.”

In de stad probeert iedereen mee te eten uit de ruif van bedrijven en overheidsinstellingen. 'Aanzitten' heet in Sierra Leone het bekleden van een bestuursambt. En wie in Kameroen zegt dat iemand 'te eten heeft gekregen', bedoelt dat hij of zij tot gezagsdrager is benoemd.

De nieuwe leiders hadden na de onafhankelijkheid de politiek ver-afrikaniseerd. Nu eens flirtten zij met een aangepaste versie van het socialisme, dan eens met het Roots-gevoel. Zette president Mobutu in Zaïre een hoed van luipaardvel op, Siaka Stevens, zeventien jaar lang president van Sierra Leone, droeg een ronko onder zijn kostuum, een bloedrood krijgshemd dat hem bovennatuurlijke krachten bezorgde. Ronko's heten ook wel: Afrikaanse 'kogelvrije' vesten.

Ook Fourah Bay College, met z'n Victoriaanse stijfheid, raakte in de greep van de Afrikaanse cultuur. Professor Jones had nog meegedaan met de rage om gestampte cassave-wortel te eten in plaats van toast met bacon. Studenten hingen hun colberts op een knaapje en hulden zich in bonte gewaden. Ze kozen inheemse namen en verdiepten zich in de zwarte magie. Op die manier had de universiteit haar eigen jaren zestig beleefd.

Maar in de praktijk bleef ook van die bevlogenheid niets over, zegt de antropoloog Jo Opala. Hij is een blanke Amerikaan die twintig jaar geleden als Peace Corps-vrijwilliger naar Sierra Leone was gekomen en nooit meer is weggegaan. Hoeveel toegewijde studenten had hij niet gehad, stuk voor stuk wereldverbeteraars die, zodra ze een overheidsbaantje hadden, in corrupte klerken veranderden?

Opala verzet zich tegen het alles verzengende cynisme, dat vooral Westerse ontwikkelingswerkers in zijn greep houdt. Hij verzet zich tegen The Bell Curve, “de stelling dat zwarten nu eenmaal dommer zijn dan blanken”. Hij verzet zich ook tegen de Amerikaanse politieke correctheid, die de oorzaak van honger, corruptie en slachtingen steevast buiten de zwarte Afrikaan zoekt. Pas na het einde van de apartheid in Zuid-Afrika, zo had hij gemerkt, kon je er in academische kring op wijzen dat zwarten ook zwarten uitbuiten. Opala vindt dat je de dingen bij hun naam moet noemen. Prompt zegt hij: “De staatsvorm van Sierra Leone is de kleptocratie”. De antropoloog houdt ervan om oud-leerlingen die het tot minister of ambassadeur hebben geschopt, diep in de ogen te kijken en te vragen: “Steel jij?” De een zegt dan: “Het is niet mogelijk om niet corrupt te zijn.” De ander: “Ik steel met terughoudendheid”.

Loyaliteit in Sierra Leone is zoiets als rijst, je kan het kopen. Ook al had Siaka Stevens - de opperkleptocraat - zich omringd met meelopers, hij bleef zijn landgenoten wantrouwen. Stevens was een vakbondsleider, die, toen hij eenmaal de macht in handen had, de vakbonden terroriseerde. Uit angst voor zijn eigen leger kreeg elke soldaat niet meer dan één kogel per jaar - dit tot vermaak van schoolkinderen die er een sport van maakten om militairen op straat na te roepen: one bullet, one bullet.

Eén keer, in 1980, heeft de president geprobeerd om Sierra Leone tot een natie te smeden - tot een land om trots op te zijn. In dat jaar nodigde hij alle Afrikaanse staatshoofden uit voor een conferentie in Freetown. Dr. Joe Allie, een historicus van Fourah Bay College, weet zich die jamboree nog goed te herinneren. Als jongen uit het bos, een Temne met zijn wangen vol initiatie-tekens, was hij juist begonnen aan zijn studie geschiedenis.

Joe wist niet wat hij zag: als tijdelijke hoofdstad van Afrika kreeg Freetown een grondige facelift. Er verrezen vijf-sterren-hotels en lantaarnpalen. Voor het eerst sinds de onafhankelijkheid rook de stad weer naar verf en mortel. De enige dwarsligger was de gouverneur van de Centrale Bank, die waarschuwde dat een arm land als Sierra Leone zo'n prestigeproject niet kon betalen. Hij werd ontslagen en kreeg een fataal auto-ongeluk, wat niet wegnam dat zijn sombere voorspelling uit zou komen.

Reepjes

In 1979 was het buurland Liberia zo goed als failliet gegaan aan de organisatie van dezelfde conferentie. Na afloop waren er in de hoofdstad Monrovia rijst-rellen uitgebroken, die uiteindelijk tot de militaire coup van sergeant Samuel Doe hadden geleid.

“De geschiedenis van Sierra Leone is een exacte kopie van die van Liberia”, zegt Allie. Dat is een huiveringwekkende constatering, die iedereen in Freetown herhaalt, als was het een bezweringsformule. Want met Liberia, en niet in de laatste plaats met zijn president, was het slecht afgelopen. Ook daar waren de rebellen moordend en brandschattend opgetrokken naar de hoofdstad. President Doe, die de etnische vetes had aangewakkerd in de hoop dat zijn stamgenoten hem zouden helpen, controleerde op het laatst nog maar twee procent van zijn land, waaronder het paleis en het strand. In 1990 viel hij tenslotte ten prooi aan een krijgsheer met de naam Prince Johnson, die hem levend aan reepjes liet snijden.

Van de marteldood van Doe bestaat een video, waarvan er in heel West-Afrika illegale kopieën circuleren. Normale mensen haken af op het moment dat Prince Johnson een blikje bier opent en het oor van Doe bestelt, die naakt en gekneveld om genade smeekt. Maar in de huiskamerbioscoopjes van Freetown is de band een hit, die je samen met een stel vrienden onder het genot van een blikje bier bekijkt. “Je kunt de video zien als het einde van de moderne staat in Afrika”, zegt Allie. “Ongeveer zoals de executie van het Roemeense echtpaar Ceausescu het einde van het socialisme in Oost-Europa bezegelde.”

Wat hem benauwt is het domino-effect. Er zit een patroon achter de neergang, zoals die zich nu in Sierra Leone voltrekt. Na de staatshoofdenconferentie van 1980 sloeg in Freetown de verpaupering toe. Op een dag viel de stroom uit. Stonden al die lantarenpalen daar! In 1980 waren de faculteitsgebouwen van Fourah Bay College bereikbaar per telefoon. Later had iemand alle toestellen meegenomen, zogezegd ter reparatie, en nooit meer teruggebracht.

Maar wat Freetown zijn armoedige karakter gaf was de weeë geur van rottend huisvuil, dat zich in de toch al nauwe straten ophoopte omdat niemand nog de moeite nam het op te halen. In het voorjaar van 1992 stierf er een bedelaar aan ondervoeding. Zijn in kranten gehulde lichaam lag in een greppel bij het Nationaal Museum, pal tegenover het presidentieel paleis. Het heeft er vijf dagen gelegen - de tijd die de bevoegde instanties nodig hadden om benzine voor de lijkauto te regelen. De conservator van het museum had de aasgieren, die in de kapokbomen van het Victoria-park waren neergestreken, met moeite op afstand kunnen houden.

Kort na de dood van de bedelaar bestormde luitenant Nyuma met zijn rijdend luchtdoelkanon het paleis van de president en pleegde zijn coup. In Freetown barstte een spontaan carnaval los. Had Fourah Bay College toch nog iets goeds voortgebracht, zeiden de sloppenbewoners. Een groep kunstenaars, voor een deel rastafarians, begon enthousiast de geschiedenis van Sierra Leone uit te beelden in muurschilderingen: van Africanus Horton uit de vorige eeuw tot Tom the Lion met zijn Ray Ban-zonnebril.

De coupplegers vormden een Nationale Voorlopige Regerende Raad. Elke eerste zaterdag van de maand werd uitgeroepen tot 'veeg-zaterdag': een dag waarop het volk werd ingezet voor de schoonmaak van Freetown. Luitenant Nyuma en kapitein Strasser lieten zich fotograferen met een bezem in de hand. Ze vaardigden ook een verbod uit op het doden van aasgieren - nuttige beesten in een stad zonder vuilnisdienst.

Freetown werd leefbaarder maar de rebellen bleken niet te stuiten. Duizenden straatjongens die een geweer konden vasthouden werden door het regeringsleger na een korte training de jungle ingestuurd, maar omdat er geen versterkingen, geen medische hulp en soms geen voedsel achterna werd gestuurd, sloegen deze regeringssoldaten zelf aan het plunderen. Het verschijnsel van de losgeslagen legereenheden is in heel Afrika bekend, maar in Sierra Leone is het een zo wijdverbreid probleem, dat niemand nog onderscheid weet te maken tussen soldaten en rebellen, die gemakshalve sobels worden genoemd.

Soldaten die van het front terugkwamen vertelden dat de rebellen een behekste vrouw bij zich hadden die onopgemerkt het legerkamp van regeringstroepen kon infiltreren. Ze was naakt en liep achterstevoren, in een spiegel kijkend, wat haar onzichtbaar maakte. Het verhaal haalde zelfs de BBC.

Als minister van defensie kon luitenant Nyuma niet achterblijven. Ook hij deed een beroep op de magie van de medicijnmannen. Hij voegde een speciale divisie aan het leger toe, het geheime genootschap van Tamaboro jagers. Van deze jagers, die werken met gifpijlen, is bekend dat ze in dieren of stenen kunnen veranderen. Hun aanvoerder zou zelfs kunnen vliegen, maar dat heeft niet geholpen want hij is door de rebellen gepakt en onthoofd.

Wie aan Tom the Lion vraagt - zoals onlangs een journalist van The Guardian - of hij de situatie nog wel in de hand heeft, krijgt dit antwoord: “Het kostte de Amerikanen in het oerwoud van Vietnam ook tijd om de juiste tactiek uit te vinden.”

Professor Jones vergelijkt het verhaal van Sierra Leone met Lord of the Flies, William Golding's klassieke roman over een groep brave kostschooljongens die - teruggeworpen op zichzelf - in wilden veranderen.

In paniek roept kapitein Strasser dezer dagen de bevolking van Freetown op “om de stokken en machetes gereed te houden voor het gevecht met de fantoom-vijand”. Nog hangt zijn foto in de halfverlaten gebouwen van Fourah Bay College. Het staatshoofd kijkt je excuserend aan, met een opgetrokken wenkbrauw en een hoge katterug. Alsof hij het zelf ook niet weet. Soms, zo heeft hij in een interview gezegd, droomt hij van een studie in het buitenland.