Germaanse wortels

KLAUS VON SEE: Barbar Germane Arier. Die Suche nach der Identität der Deutschen

417 blz., Universitätsverlag C. Winter 1994, ƒ 69.-

Op een hoge heuvel in het Teutoburgerwoud, nabij Detmold, verrijst het kolossale standbeeld van de heroïsche Hermann de Cherusker, het zwaard triomfantelijk omhooggeheven. Dit bronzen monument uit 1875 herinnert aan de grote Romeinse nederlaag van 9 na Christus die deze Germanenleider op zijn geweten had.

Het beeld is echter veel meer dan een gedenkteken. In het door de historicus Hermann Kesting geschreven boek dat bij dit Teutoonse vrijheidsbeeld te koop wordt aangeboden, geldt Arminius (zoals hij door de Romeinen werd genoemd) als de bevrijder van Germania en dus van het gehele Duitse volk. Arminius groeide in de loop van de geschiedenis uit tot symbool van de Duitse identiteit en eenheid en stond aan het begin van een eeuwenlange Germanen-dweperij die de Duitsers even zolang parten speelde.

De Duitse germanist Klaus von See bundelde een aantal van zijn meest opmerkelijke analyses over de worsteling van de Duitsers met hun eigen afstamming onder de titel Barbar Germane Arier. Eerder verdiende hij zijn sporen met publikaties over Germaanse heldensaga's, rechtsgeschiedenis, de Edda en op het gebied van ideeëngeschiedenissen van de 19de en 20ste eeuw.

Aan zijn essays over de oorsprong van de Duitse identiteit gaat helaas geen verklarende inleiding vooraf, noch volgt een verhelderende conclusie die alle stukken met elkaar verbindt. De lezer moet de samenhang van de verschillende onderwerpen nu zelf maar ontdekken. Verder moeten we de diverse overlappingen die zich af en toe bij de verschillende stukken voordoen, voor lief nemen. Ook met zijn doorwrochte schrijfstijl maakt deze germanist het de lezer niet makkelijk. Maar wie bereid is de lange regels met veel tussenzinnen te volgen, wordt getrakteerd op veel fascinerende wetenswaardigheden over de complexe ontstaansgeschiedenis van de Duitse identiteit. Fascinerend en wellicht voor een Duitse patriot ontluisterend is de wijze waarop hij de Germaanse mythe tracht te ontrafelen en tot ware proporties terug te brengen.

Wat bijvoorbeeld in geschrift bekend is over de Germanen aan het begin van jaartelling is afkomstig uit vreemde, meestal Latijnse bronnen. De belangrijkste hiervan is wel de Germania-tekst van Tacitus. Von See kent aan deze tekst veel meer een literaire dan een historische waarde toe. In veel van wat Tacitus beschreef over de Germanen ziet hij een literair procédé: vaste topoi, die in Latijnse teksten werden gebruikt om ongeciviliseerden herkenbaar te karakteriseren. Zo komt het cliché van de blauwe ogen en het roodachtige haar ook voor bij Herodotes als hij de Scythen beschrijft. Met het woord 'barbaren', dat de Romeinen aan het Grieks ontleenden, worden niet specifiek de Germanen bedoeld, maar het diende meer om de wereld in tweeën te splitsen: aan de ene kant een eigen, ordelijke en beschaafde samenleving en daar tegenover een vreemde, wilde en onbeschaafde wereld.

Von See rekent ook in dit verband af met het begrip trouw als een van de vermeende hoogste Germaanse deugden. Toppunt van onbaatzuchtige toewijding was wel de mededeling van Tacitus dat het voor volgelingen van een gevallen leider grote schande zou zijn levend uit een veldslag terug te keren. In werkelijkheid berust dit volgens Von See op een bewuste overdrijving. Germanen waren nu eenmaal kleinzielig in hun ongeluk en hoogmoedig in hun geluk. Andere Latijnse auteurs vonden trouweloosheid juist een wezenskenmerk van de barbaren, omdat zij geen rechtspraak als de Romeinen kenden.

Nibelungen

De tekst van Tacitus werd aan het eind van de middeleeuwen door de humanisten herontdekt en later door de Duitse romantische dichters veelvuldig als stof voor hun poëzie gebruikt. Zo konden veel Germaanse stereotypen zich hardnekkig in de literatuur vastzetten. Toch had Duitsland een grote behoefte aan meer bruikbare heldendichten, aan een eigen Ilias of een Odysee. Tacitus' tekst bood daarvoor een te smalle basis. Maar een nationaal epos waaraan niet alleen het volk deelnam, maar dat ook voorzag in een herkenbare heldenfiguur, ontbrak vooralsnog.

Een gelukkig toeval was de vondst van het Nibelungenlied in de achttiende eeuw. Hiermee viel zowel een literair hoogtepunt als de mogelijkheid tot een nationale vereenzelviging samen. Nadelen waren wel dat de handeling zich afspeelde vijfhonderd jaar voor het begin van de Duitse geschiedenis, er geen analogie was met eigentijdse gebeurtenissen en dat het niet ging over de overwinning van de helden maar juist over hun ondergang. Men zag het niet, of men wilde het niet zien. Duitsland had met de Nibelungen zijn Ilias, zijn hooglied, waaruit men bij gebrek aan een ideologie, typisch Germaanse deugden als trouw, eer en vrijheidszin trachtte te destilleren.

Waarom niet werd gedacht aan het Hildebrands-lied, dat toch ook over eer handelt, wordt uit het betoog van Von See niet duidelijk. Waarschijnlijk kwam dit vanwege het net iets te hoge christelijke gehalte van dit tekstfragment. Een van de problemen met de Nibelungen-tekst was de tijd van handeling en van ontstaan. De volksverhuizingen en respectievelijk de hoofse middeleeuwen waren niet met elkaar in overeenstemming te brengen. Net zo min als bij ons elementen uit de middelnederlandse, voorhoofse tekst Karel ende Elegast en het hoofse Lanceloet en het hert met de witte voet door elkaar lopen.

De pogingen om Die Nibelungen tot nationaal epos te verheffen, mislukten uiteindelijk omdat de tekst niet door een vaderlandslievende gedachte gedragen werd, terwijl er ook niet een historische ideologie achter schuilging. Pas toen Wagner zijn tetralogie Der Ring des Nibelungen liet opvoeren, kreeg het heldenepos een grotere weerklank. Maar de componist viel voor zijn Ring meer terug op de Edda dan op Die Nibelungen. Zo ontstond ook de verwarring, want de indruk bestond dat Wagners cyclus met zijn Nornen, Walküren, Walhalla en Godenschemering, deel uitmaakte van een gezamenlijke Duitse traditie.

Von See laat ook zien dat de behoefte aan een collectief roemrucht verleden groter werd naarmate de nood van de natie steeg. Zo trok de Duitse natie zich na de nederlaag van 1918 haar wonden likkend terug in haar eigen wezen. Hoe was het in godsnaam mogelijk was dat een zo hoog ontwikkeld cultuurvolk als de Duitsers de oorlog hadden verloren, vroeg men zich af. Het antwoord werd gevonden in de Germaanse 'noodlotsgedachte'. Een nieuwe Siegfried moest redding brengen.

Zorgde het terugvallen op het Germaanse verleden voor veel verwarring, zo bracht de intrede van het begrip 'Ariër', een ander ijkpunt voor de Duitse afstamming, nog meer onduidelijkheid. Voor het eerst dook deze term op in Essai sur l'inégalité des races humaines (1853) van de Franse katholieke diplomaat en schrijver Arthur Gobineau. Hij maakte het begrip met zijn publikatie geschikt voor het antisemitisme, want meestal wordt het begrip gebruikt in de betekenis van 'niet-joods'. Zo'n zelfde tweedeling zagen we al bij Tacitus, maar die diende om de Romaanse en Germaanse wereld te scheiden. In Duitsland nam de filosoof Nietzsche de term 'Ariër' over. Na hem volgden Houston Stewart Chamberlain, de nationaal-socialistische rassentheoretici H.F.K. Günther en L.F. Claus en Hitlers partij-ideoloog Alfred Rosenberg.

Ariërs

Niemand wist aanvankelijk waar het begrip vandaan komt. Zelfs voor de nationaal-socialisten bleek de term 'Ariër' lastig te hanteren. Hoewel het zeer bruikbaar was in de nazipropaganda vermeden zij het begrip toch op den duur in hun wetgeving, waar het nauwkeuriger moest worden gedefinieerd. De achtste druk van Meyers Lexikon (de zogenaamde bruine Meyer) uit 1936 zet de term 'Arisch' op één rij met Germaans, Teutoons, Noords en ook hier wordt het in tegenstelling tot het begrip 'joods' gebruikt.

Voor de Italiaanse fascistenleider Mussolini waren de rassentheorieën een uiterst vreemde aangelegenheid. In zijn krant Popolo d'Italia maakte hij zich hierover al in 1932 vrolijk: “Als men de cultuur der Noordse rassen volgt, dan moeten de Lappen wel de grootste bloedzuiverheid hebben.” Maar de Duitsers bleven het als een serieuze zaak beschouwen. Toen later Hitlers Duitsland zich met het fascistische Italië verbond, moesten de Duitse wetenschappers zich plotseling in allerlei bochten wringen om echte Germaanse deugden bij de Romeinen te ontdekken. Ook nu, ruim vijftig jaar later, blijft het tobben met de Duitse identiteit. Na de 'Wende' is er van eenheid nog geen sprake. Sterker nog: de scheiding tussen 'Ossies' en 'Wessies' maakt de problemen rond een gezamenlijk Duits nationaal bewustzijn alleen maar ingewikkelder.