Dominee Ter Linden schrijft eigen bijbel

Over enkele maanden trekt de Amsterdamse dominee Nico ter Linden zich terug uit de hervormde Westerkerk aan de Prinsengracht, zijn vaste preek- en vertelplek waar hij achttien jaar heeft gewerkt. Hij gaat schrijven. De aankondiging van zijn vertrek heeft veel van de circa negenhonderd Amsterdammers die op zondag gewoon waren naar hem te luisteren, hard geraakt.

Toch blijft Ter Linden zijn métier trouw, want het boek dat hij gaat schrijven, is een bijbel. Het wordt een verhalenbijbel met uitleg erbij. “Je kunt de mensen niet alleen vertellen dat Jezus over het water liep, maar je moet hen ook laten weten welke symboliek daarachter zit.”

Had hij in de oude Wester tot nu toe zijn groot bijbels verteluur, nu is er een groot vertelboek in aantocht. De auteur denkt er ongeveer zes jaar voor nodig te hebben. Het wordt zoiets “als het werk van De Jong die het Nederlandse oorlogsverhaal in een paar dikke delen heeft vastgelegd”. Maar waar L. de Jong veertien delen voor nodig had, denkt Ter Linden met vijf delen te kunnen volstaan.

Nico ter Linden komt uit een echte domineesfamilie en studeerde theologie in Utrecht. “Daar leerde je alleen maar Jezusvakken en geen menswetenschappen. In Nijmegen heb ik dat later ingehaald en heb ik godsdienst- en pastorale psychologie gestudeerd.” Na zijn afstuderen was hij achtereenvolgens dominee in Stompetoren (Noord-Holland) en predikant in de strafgevangenis in Alkmaar en in de Nijmeegse Pompekliniek voor tbs'ers. Voor zijn werk zegt hij vooral geïnspireerd te zijn door zijn leermeester prof. Willem Berger, een van de invloedrijkste Nederlandse pastoraaltheologen als ook door de Duitse, katholieke theoloog-psychoanalyticus Eugen Drewermann, die binnen de kerk minstens even omstreden is als zijn vakgenoten in de jaren '70 en '80.

Vol verbazing stelt Ter Linden dat er nog altijd theologen zijn die menen dat de bijbel van kaft tot kaft echt gebeurd is en dat het daarin om authentieke wonderen gaat. “Er gebeuren in de bijbel inderdaad wonderen, maar het is maar hoe je die leest. Die verhalen zijn feitelijk niet waar, maar hebben voor gelovigen wel een heel groot waarheidsgehalte. Net zoals mensen over kinderen die ze zelf verwekt en gebaard hebben, kunnen zeggen dat ze 'made in heaven' zijn. Zo was Jezus behalve dat hij echt mens was naar de ervaring van sommigen ook een geschenk uit de hemel. Als ik zeg 'mijn vrouw is een roos' en een ander zegt 'de mijne is een brandnetel', dan weet iedereen dat dat niet letterlijk bedoeld is. Zo is het ook met de bijbel. Bijbeltaal is geen gewone taal, geen krantetaal, maar geloofstaal, poëzie, gestamel.”

Ter Lindens werkwijze vindt navolging. “Theologen begrijpen beter hoe belangrijk het is om aan verhalen het verhaalkarakter terug te geven. Het gaat niet om cleane gebeurtenissen, maar dat je inziet dat verhalen een geheim karakter hebben. Predikanten moeten dus minder belerend leren preken en minder christelijk-leerstellig of politiek-dogmatisch van toon zijn. De aangesprokene moet voelen dat hij zelf in het verhaal voorkomt. Of men iets met het verhaal doet, er maatschappelijke gevolgen aan verbindt, moet men zelf maar zien. Dat is mijn afdeling niet. De hoofdzaak is dat mensen geraakt worden door de Here God die op een mysterieuze manier in die verhalen aanwezig is. En uiteindelijk is het zelfs onnodig om je af te vragen of het wel werkelijk zó is gebeurd. Kinderen doen dat ook niet. Die vragen zich ook niet af of de beesten in het grote dierenbos wel echt kunnen spreken.”

Al vrij lang liep Ter Linden rond met het plan een eigen bijbel te schrijven. “Ik ga dat mede aan de hand van de talloze preken die ik in al die jaren heb gemaakt, doen. Het zijn eendagsvliegen geweest, maar nu kan ik ze gelukkig bewerken en bundelen want het waren goede verhalen. Als je preekt, dan sta je zelf stomverbaasd wat er allemaal uit je mond komt. Het is zoals de chassidische leraar zei: als ik spreek, spits ik ook zelf mijn oren, want ik wil er echt geen woord van missen.”