De verlokking van de oorlog

MATTIJS VAN DE PORT: Het einde van de wereld. Beschaving, redeloosheid en zigeunercafés in Servië

391 blz., Babylon De Geus 1994, ƒ 39,90

Een veelgehoord commentaar op de burgeroorlog in ex-Joegoslavië is de verwondering over het feit, dat gruwelijkheden op zulk een grote schaal aan het einde van de twintigste eeuw in Europa nog mogelijk zijn. De sluipschutter die er prat op gaat honderden weerloze burgers te hebben vermoord, het in kampen opsluiten en maltraiteren van voormalige buren - het zijn allemaal gedragswijzen die de gemiddelde Westeuropese beschouwer even exotisch als ongewenst voorkomen. Redeloos geweld is het, en zo onbeschaafd. In ex-Joegoslavië is echter sprake van een zekere acceptatie van het geweld. Nergens is er verzet van enige omvang tegen de oorlog. De drie oorlogspartijen die na veel interne machtsstrijd en liquidaties in de oorlog zijn overgebleven, kunnen zich ongestoord voorbereiden op nieuwe militaire campagnes deze zomer, ongehinderd door een wel morrende, maar verder braaf meevechtende bevolking.

Een belangrijke factor bij die acceptatie is de in Joegoslavië wijd verbreide overtuiging, vooral onder Serviërs, dat oorlog bij het leven hoort als ademen. 'Twee keer per generatie', zegt een door de Amsteeerdamsee antroplooog Mattijs van de Port in zijn dissertatie aangehaalde boerin. En die gruwelen, tja, die horen in een Balkan-oorlog, de vijfde alweer in deze eeuw.

Van de Port heeft in zijn proefschrift gepoogd een verklaring te vinden voor die redeloosheid, of liever gezegd gepoogd deze te beschrijven aan de hand van een andere 'redeloze' situatie - die waarin Serviërs uit de stad Novi Sad zich in bacchantische laveloosheid, agressiviteit, zelfmedelijden of spilzucht te buiten gaan in cafés met zigeunerorkesten. Op de overeenkomst tussen het gedrag op een geslaagd avondje met zigeuners en de situatie van vrijheid en leed waarin iemand in een oorlogssituatie terecht komt, berust deze fascinerende studie.

Van de Port heeft zijn observaties in 1991 in Novi Sad gedaan, een stad die in de geschiedenis van het Servische beschavingsproces een bijzondere rol speelt. Tot 1918 lag Novi Sad in het Oostenrijks-Hongaarse rijk. En het was juist hier in deze grensstad, even buiten het koninkrijk Servië, dat de Servische natie de beschikking kreeg over de attributen van de moderne civilisatie naar negentiende-eeuws model: een nationaal theater, een Servisch gymnasium en een soort academie van wetenschappen, de nog altijd bestaande Matica Srpska.

In de maanden voor het uitbreken van de oorlog heeft Van de Port geconstateerd dat de Serviërs van Novi Sad vlijtige leerlingen zijn geweest in het civilisatieproces. Fini ljudi wilde men zijn, ordentelijke stedelingen en Europeanen, met een gehaakt kleedje over het televisietoestel, vakantiereisjes naar het buitenland enzovoorts. De stedelijke Serviërs van Novi Sad kijken wat dit betreft neer op andere, onbeschaafdere en zelfs voor 'zigeuners' uitgescholden Serviërs uit andere delen van Joegoslavië. Vooral de Bosnische volksgenoten moeten het ontgelden, die zich in het kader van de naoorlogse bevolkingspolitiek in groten getale in de dorpen rondom Novi Sad hebben gevestigd en door de stedelingen nog steeds laatdunkend 'kolonisten' worden genoemd.

De jaren voorafgaand aan de burgeroorlog geven de uitholling van het civilisatie-ideaal der fini ljudi te zien. De relatieve welvaart en Europese allure van Joegoslavië bleken toch vooral gefinancierd uit buitenlandse, nooit afbetaalde leningen, die bovendien het disfunctioneren van het Joegoslavische socialisme van 'arbeiderszelfbestuur' langdurig hadden verhuld. Nadat de Koude Oorlog was beëindigd, Joegoslaviës internationale spilfunctie was gedegradeerd tot die van een Balkanland uit vele, en de economische crisis in volle omvang aan het licht trad, kwam het civilisatie-ideaal uit de voorafgaande decennia velen als prazni price voor, praatjes voor de vaak. De collectieve vraag naar een andere, achter de uiterlijke schijn liggende werkelijkheid groeide en daarmee het verlangen naar de onbeschaafdheid en de redeloosheid van de oorlog.

Dit alles is een zeer vrije parafrase van Van de Ports betoog, dat natuurlijk gekenmerkt wordt door antropologische precisie, al blijft het jargon in het boek tot een minimum beperkt. Heel mooi beschrijft de auteur het verontrustende gevoel van veel buitenlandse waarnemers in het begin van de oorlog: dat - ondanks bezweringen van het tegendeel - veel Joegoslaven de oorlog wilden, compleet met geweld en gruwelen, als een soort grootscheepse, collectieve katharsis, en een ontlading van aan de oppervlakte gekomen, hoog opgelopen persoonlijke spanning.

Van de Ports kijk op de stad Novi Sad en haar Servische inwoners - de vele anderen komen helaas niet aan bod -, de gecompliceerde mengeling van angst voor en fascinatie met de beginnende oorlog, gevoelens van superioriteit en inferioriteit jegens de Westerse onderzoeker, is zo fascinerend dat zijn uiteenzettingen over het eigenlijke onderzoeksonderwerp - gedrag tijdens een avondje met zigeunermuziek - in het boek bijna als een anticlimax komen. Ook die zijn echter hoogst interessant.

Op zo'n rijkelijk met drank besproeid avondje laat men zich eens helemaal gaan. Men schoffeert de zigeunermuzikanten, of bedreigt ze zelfs met wapens, om ze vervolgens - luid meekwelend - met fooien te overladen en heftig te beminnen. Dit alles in de - onuitgesproken - gedachte dat zigeuners, juist omdat ze zo onbeschaafd, om niet te zeggen inferieur zijn, dragers zijn van een kennis die een de civilisatie torsende Serviër slechts af en toe een avondje kan botvieren.

Het einde van de wereld roept vele vragen op, waarop de schrijver van een verantwoorde case-study natuurlijk met geen mogelijkheid een antwoord kan geven. Ten eerste de vraag of de bevindingen te Novi Sad ook gelden voor andere gebieden in Joegoslavië. Het lijkt me zeer aannemelijk. Ikzelf moest bij lezing van het boek sterk denken aan een Serviër in Sarajevo, een jongen die, totdat hij verrot werd geschoten, met groot enthousiasme deelnam aan de verdediging van de stad. De heldenmoed van de militie waarvan hij deel uitmaakte, werd zeer bevorderd door grote hoeveelheden, voor de aanvang van de offensieven door een plaatselijke bendeleider gefourneerde cocaïne. Zijn haat jegens de Servische tegenstanders rond de stad ging moeiteloos samen met de overtuiging dat de Serviërs die Kroatische steden beschoten, volledig gelijk hadden. Het kost weinig moeite ook uit Kroatische of moslim-kring voorbeelden van zulk extatisch, niet in politieke of 'nationale' termen verklaarbaar gedrag te vinden.

De algemene conclusie waartoe Het einde van de wereld kan leiden, is dat er bij de oorlog in Joegoslavië nog heel andere mechanismen en drijfveren in actie zijn dan in de meer gebruikelijke politiek-sociale analyses van Joegoslavië en de oorlog aan de orde komen. Het zijn deze gegevens die de oorlog in ex-Joegoslavië voor goedbedoelende, rationeel handelende westerse diplomaten of VN-militairen ook zo bijzonder onhanteerbaar maken. De in het Westen ten onrechte met hoon overladen onderhandelaar David Owen heeft die onmacht in het televisiepgramma Diogenes mooi verwoord: “Die mensen kenmerken zich door een zekere wreedheid. Er wordt een andere waarde gehecht aan het leven dan bij ons.” Nu de oorlogspartijen in ex-Joegoslavië zich lijken op te maken voor een nieuwe ronde in de strijd, en ook Nederlandse VN-militairen er steeds meer in het gedrang raken, is het wellicht goed, dat even voor ogen te houden.