De conjunctuur der Lage Landen

JAN DE VRIES en AD VAN DER WOUDE: Nederland 1500-1815. De eerste ronde van moderne economische groei

894 blz., Balans 1995, ƒ 85.- (per 1 september ƒ 110.-)

In 1970 verscheen het handboek over de economische en sociale geschiedenis van Nederland tijdens de Republiek, getiteld Van Rijkdom en Regenten en geschreven door de Utrechtse hoogleraar J.G. van Dillen. Het vormde de culminatie van diens levenslange arbeid op het onderhavige terrein en bezat de bijzonderheid dat enigerlei theoretische benadering erin ontbrak. Noch de invloed van de Franse 'Annales-school' met haar accent op de lange-termijnontwikkeling en de rol van economische, sociale én geografische factoren, noch die van de 'new economic history' of 'cliometrie' met haar streven naar toepassing van economische theorie en gebruik van kwantitatieve gegevens, was bij Van Dillen aanwezig.

Een jongere generatie met daarin B.H. Slicher van Bath als meest prominente figuur had zich intussen wel bezig gehouden met de toepassing van theorie en kwantificering. Een grote uitstraling had hierin het centrum van onderzoek dat Slicher van Bath in 1956 in Wageningen stichtte en dat onder de Nederlandse historici dank zij vele bijdragen de naam 'Wageningse school' verwierf. Maar met of zonder veel van de nieuwe methode kwamen ook elders in het land talrijke publikaties tot stand over het hele terrein van de Nederlandse economische en sociale geschiedenis.

Dat het vele werk van de Wageningse school en daarbuiten eens tot een synthese zou moeten leiden, lag voor de hand. De vraag was slechts wie deze uitdaging zou aandurven. Dit zijn, naar thans blijkt, de Amerikaan van Nederlandse afkomst en in Berkeley werkzame Jan de Vries en de Wageningse hoogleraar Ad van der Woude. Beiden hebben zich in de afgelopen decennia onderscheiden door originele en niet zelden baanbrekende studies die hen bij uitstek kwalificeerden voor het grote werk.

Voorop mag hier al staan dat de auteurs zich niet alleen onderscheiden door het gebruik van de geschetste moderne methode, maar eveneens door hun veelomvattende benadering van de geschiedenis. Met een verwerking van economische en sociale aspecten maar ook van politieke en culturele komt hun boek het ideaal van een integrale geschiedenis zeer nabij. Het noopt er in ieder geval toe op deze plaats een indruk te geven van het werk in zijn geheel en er niet een onderdeel uit te lichten.

Topprestatie

Met dit boek is alleen al ambachtelijk een topprestatie geleverd. Ook de economische en sociale geschiedenis kent sinds geruime tijd allerlei sub-specialismen. Met speels gemak bewegen beide auteurs zich daarin. Als ervaren scribenten schrijven zij een bevattelijke stijl die hun werk ook voor de geïnteresseerde leek toegankelijk maakt. Met 834 bladzijden hebben zij zich ruimte verschaft voor een breed exposé. Het belang van de behandelde materie en de duur van de beschreven periode rechtvaardigen deze. Het boek is bepaald wijdlopig maar niet breedsprakig. De uitgever is bovendien de lezer behulpzaam geweest met een aangenaam leesbare letter en een voor een volume van 894 bladzijden verrassend licht gewicht. Er staan dan nog vrijwel geen zetfouten in en om een duizelingwekkende hoeveelheid voetnoten te vermijden, is een uitvoerige literatuurlijst toegevoegd.

Eén ding blijft ons echter verborgen en dat is de arbeidsverdeling van de schrijvers. Aan een verantwoording daaromtrent ontbreekt het. Slechts het vertalen van het Engelse tekstdeel, van Jan de Vries dus, in het Nederlands wordt vermeld zonder te specificeren om welk deel het gaat. Je moet wel een vakman zijn om het te kunnen raden. Met hedendaagse universitaire precisie wordt ten slotte in de verantwoording naar voren gebracht dat het schrijven van de platte tekst 48 manmaanden heeft gekost, waarvan 36 maanden op het NIAS in Wassenaar en het Getty Center te Santa Monica (Californië). Deze instellingen van afzondering en rust bewijzen daarmee weer eens hun nut voor de wetenschap.

Los van dit alles, hoe belangwekkend ook als keuken van het vak, gaat het om de inhoud van dit boek als een economische en sociale geschiedenis van Nederland in de periode 1500 tot 1815. Op de suggestieve ondertitel moet hier nog worden teruggekomen, maar in eerste aanleg laat de inhoud zich op twee niveaus benaderen, vooral als het verhaal van ontwikkelingen en gebeurtenissen met veel kwantificering en als een analyse vanuit een vooral economisch-theoretische benadering.

Het eerste niveau is gevat onder het hoofd structuren, dat wil zeggen de lange-termijnontwikkeling van de geografische situatie, het economisch getij (seculaire trend), de demografische en de monetaire evolutie, de laatste aangeduid als 'het geld'. Een afzonderlijke bespreking is vervolgens gewijd aan drie vragen: wat was de rol van de middeleeuwse erfenis, bestond er een calvinistische economie en was er sprake van één volkshuishouding? Ook de daaropvolgende sectoren vallen onder het eerste niveau in hun weergave van landbouw, visserij, nijverheid, handel en scheepvaart. Hierin ligt het meest traditionele deel van het werk, maar met een grote verrijking aan gegevens en aan inzicht die de vele publikaties sinds Van Dillen in 1970 hebben gebracht.

Er is veel meer dan samenvatting aan de orde. Het eigen accent van de auteurs valt op de systematische kwantificering, verlucht door talrijke grafieken, die bijvoorbeeld de betekenis van de altijd wat verwaarloosde bouwnijverheid in een verhelderend licht stelt en daarnaast ook voert tot een schatting van de omvang van de Nederlandse buitenlandse handel omstreeks 1650, 1720 en 1770. Daar zal naar gekeken worden door economen en statistici!

Zouden de schrijvers het hierbij hebben gelaten, dan zou een nieuwe Van Dillen zijn ontstaan van in totaal 582 bladzijden, met talloze aanvullingen en nuanceringen en niet zelden ook nieuwe analyse. Die is hier treffend en belangrijk op het terrein van de openbare financiën, in het bijzonder door de nadruk op de progressieve elementen in het belastingstelsel die na 1672 vrijwel de beurs van de gewone man deden ontzien. Het doet daarmee gegronde twijfel rijzen aan wat het institutionele onvermogen van de Republiek is genoemd. Dat dit onvermogen wel in het commerciële financiële bedrijf bestond - het bleef steeds aan een centrale bank ontbreken - vindt bij de auteurs erkenning zonder dat zij overigens dit contrast nader becommentariëren.

Stapelmarkt

Ver boven een samenvatting van bestaande kennis uit stijgen de beschrijving en analyse van de activiteiten der Verenigde Oostindische Compagnie en Westindische Compagnie. Dat is mede omdat deze geïntegreerd worden in het beeld van het verschuivende handelspatroon der Republiek in het algemeen.

Toen de aanvoer van de vijf grote handelsgoederen (graan, haring, zout, textiel en hout) terugliep, ging eind zeventiende, begin achttiende eeuw de groei van de handel in koloniale waren (suiker, koffie en tabak uit de Nieuwe Wereld en specerijen, katoenen stoffen, porselein, zijde, koffie en thee uit Azië) een compensatie vormen. Het mondde ten slotte uit in een nieuw Nederlands handelssysteem, waarin de koloniale goederen een centrale rol speelden. De stapelmarktfunctie omstreeks het midden van de achttiende eeuw rustte in ons land meer op heruitvoer van koloniale waren dan op herdistributie van Europese goederen. Als een aparte component voegde de agrarische export zich daaraan toe. Rondom 1810 is Nederland een netto-exporteur van agrarische produkten geworden, een blijvend kenmerk van de Nederlandse handel in de negentiende en twintigste eeuw.

Zo is nog veel meer indringends aan te wijzen, maar dat zou ten koste gaan van het laatste deel van dit boek, analysen getiteld en een 250 bladzijden beslaand. Het verwijst naar het meest ambitieuze van dit werk, vervat in de ondertitel: de eerste ronde van moderne economische groei.

Alleen daarop afgaande meende ik aanvankelijk dat het simpel om een fase in de eigen Nederlandse economische ontwikkeling ging, met als tweede ronde de jaren 1890-1910 en als derde 1955-1970. Maar dit 'eerste' blijkt bij nadere lezing te slaan op de situering in het tijdvak 1500-1815 zelf én in het internationale kader. Nederland zou in die visie al die andere economische centra, voorafgaande als de Italiaanse steden, Brugge en Antwerpen en daaropvolgende als Engeland, te vroeg en te vlug af zijn geweest, zowel op het gebied van de moderniteit als naar dat van de economische groei.

Dat is een kolossale pretentie die op eerste aanblik eerder op een verkoop- dan op een wetenschappelijk argument lijkt, want ook pakkende ondertitels zijn tegenwoordig in de mode. Het geeft in ieder geval sinds Van Dillen een extra dimensie die een kwart eeuw geleden ondenkbaar zou zijn geweest, zelfs als pretentie.

Vóór zij ten slotte hieraan toekomen maken De Vries en Van der Woude eerst nog twee dwarsdoorsneden, een compositorische vondst omdat zij te beschouwen zijn als contrapunten van de eerder gestelde drie vragen. De eerste dwarsdoorsnede gaat in op de relatie tussen stad en land en maakt duidelijk dat voor het overgrote deel van de Republiek gesproken mag worden van een groeiende symbiose, waarbij stad en platteland een functionele samenhang vertonen van een economisch, sociaal en cultureel verzorgend verband.

Gemeten aan beroepsdifferentiatie en beroepsfrequentie springt ook van het platteland een verrassende moderniteit naar voren. Eerder dan in de omringende landen bereikt ons land als geheel omstreeks 1650 een geavanceerde beroepsstructuur, waarin de landbouw met 41, de nijverheid met 32, handel en verkeer met 16 en de overige beroepen met 10 procent vertegenwoordigd zijn.

Ten aanzien van de steden afzonderlijk hebben de auteurs gewoekerd met de kwantitatieve gegevens om een beeld te schetsen van de inkomens- en vermogensvorming en de concrete opbouw ervan. Het levert een reeks van fascinerende uitkomsten op, zoals voor de achttiende eeuw de verstarring van de lonen, de grootste dichtheid van renteniers in Den Haag, de overduidelijke betekenis van de medische sector, de winkeliers als ruggegraat van de economie en de concentratie van het stedelijke inkomen en vermogen bij personen die zelf overheid zijn of er nauw mee zijn verbonden.

Het pendant van dit hoofdstuk vormt de daaropvolgende dieptepeiling naar levensstandaard en arbeidsmarkt. De schrijvers maken hier aannemelijk dat een groot deel van de arbeidende bevolking een levensstandaard en bestaanszekerheid bezat die elders in Europa zelden werden bereikt en zeker niet in die continuïteit. Na 1750 en zeker na 1770, en dat is kenmerkend voor de structurele economische neergang, hield die situatie op te bestaan en kreeg de sociale zorg van kerk en overheid nadrukkelijker betekenis.

De armenzorg onderscheidde zich van die in andere Europese landen niet zozeer door periodieke crisisinterventie maar door de continu verleende hulp. In de stedelijke en vaak ook in de plattelandseconomie nam de armenzorg aldus een structurele positie in, gepaard gaande aan een verbod op bedelarij en de instandhouding van tuchthuizen. Bij een tentatieve becijfering van het nationale inkomen in de achttiende eeuw van ƒ 250 à ƒ 300 miljoen zou de inkomensoverheveling een 2,5 à 4 procent hebben bedragen. Hun schatting van het nationale inkomen in 1742, een even moedige als gedurfde exercitie, hebben De Vries en Van der Woude in het laatste hoofdstuk geïntegreerd.

Willem I

Het is al aangekondigd, dit is een boek met een spannend slot dat het niet als een nachtkaars doet uitgaan, maar het huis in vuur en vlam zet, onder de nuchtere titel macro-economische beschouwingen. De lange-termijnontwikkeling 1500-1815 wordt hier in het kader van de zich ontplooiende en verwezenlijkte moderne volkshuishouding gezet en vervolgens in fasen onderscheiden.

Wie gehecht is aan het traditionele beeld, kan gerust zijn; de karakteristiek van de Gouden Eeuw blijft behouden. Die is alleen niet van lange duur, gegeven de jaren 1663-1714 als een periode van crisis en aanpassing met daarna 1714-1780 als een tijd van niet anders dan aanpassing en ten slotte 1780-1815 als de terminale fase. Nadien vangt onder koning Willem I om zo te zeggen een nieuwe ronde aan. Het unieke van de voorafgaande eerste ronde is dat ons land toen een stadium van moderne economische groei bereikte zonder eerst door de steeds als noodzakelijk beschouwde industriële omwenteling (de zogenaamde industriële revolutie) te zijn gegaan. Zo consequent en veelomvattend is dit elders nergens gebeurd.

Dit moderne school in de aanwezigheid van processen en structuren die rationeel handelen bevorderden, zoals de efficiëntie in het economisch handelen en de uitdaging tot en verwezenlijking van vernieuwing. Als staat bezat de Republiek achter de façade van decentralisatie moderne trekken van een goed gestructureerd bestuur dat veiligheid en bevordering van economische belangen verwezenlijkte. De samenleving kenmerkte zich door verdraagzaamheid in kerkelijke zaken en een structuur van de huishoudens waarin het kerngezin overheerste. Er bestonden bovendien verhoudingsgewijs weinig gepolariseerde sociale verhoudingen. Kortom, de Republiek vervulde een pioniersrol in het ontstaan en de realisering van het verschijnsel moderne economische groei.

De latere, Engelse industriële revolutie verschijnt hiernaast en hierna als een andere variant, en wel de industriële variant van moderne economische groei. In die zin is de Nederlandse geschiedenis van het besproken tijdperk uniek en het is indrukwekkend dat De Vries en Van der Woude dit in hun synthese hebben aangetoond. Laten we maar erkennen wat de flaptekst al vermeldt, het boek is een meesterlijk standaardwerk.

Kritiek

Voor mij is deze conclusie onontkoombaar, ook in het besef dat veel afhangt van de overtuigingskracht die de vele moderne elementen in de volkshuishouding bezitten. Zij zullen in de komende tijd de algehele toetsing van de kritiek in het forum der wetenschap nog moeten doorstaan. Kritiek in de marge is altijd mogelijk en zal ook hier niet ontbreken. Zelfs een zo omvangrijke literatuurlijst als hier is benut, doet de lezer even opkijken wanneer hij bijvoorbeeld de uitvoerige kwantitatieve beschouwingen over de economie van de Republiek mist die Raymond W. Goldsmith in diens Premodern financial systems. A historical comparative study (1987) naar voren heeft gebracht. Een vergelijking met de eigen uitkomsten zou haar nut hebben gehad.

Maar dit laat het omvattende geheel van deze eerste ronde van de beide auteurs onverlet. Wat overweegt voor vele auteurs wier bouwstenen en bouwsteentjes zijn benut - de recensent rekent zich graag daartoe - zijn de voldoening en erkentelijkheid dat zij iets hebben kunnen aanreiken dat De Vries en Van der Woude tot deze nieuwe synthese hebben gevoerd. Zo werkt dat en zo behoort het ook in de geschiedenis als een volwassen en moderne wetenschap.