De concurrenten van Hans Brinker

G.J. ARENDS: Sluizen en stuwen: De ontwikkeling van de sluis- en stuwbouw in Nederland tot 1940

279 blz., geïll., Delftse Universitaire Pers i.s.m. de Rijksdienst voor de monumentenzorg 1994, ƒ 79,50

Toen in 1991 bij de aanleg van de spoortunnel onder de Nieuwe Maas te Rotterdam resten van een 13de-eeuws houten sluisje werden aangetroffen was dat reden om uitgebreid archeologisch onderzoek te verrichten. De media besteedden veel aandacht aan de vondst en impliciet raakten we ervan overtuigd met een uniek artefact te maken te hebben. Veel minder bekend is dat in 1942 in dezelfde omgeving een vergelijkbare sluis werd blootgelegd, die bovendien completer bewaard was. Ook dit exemplaar dateerde uit de 13de eeuw en de sluis werd vermoedelijk gebouwd bij de afdamming van de Rotte, rond 1270.

Beide waterkeringen waren bedoeld als uitwateringssluis en ze waren dus niet geschikt als scheepvaartweg. Toch waren de twee sterk verschillend van type: het eerstgevonden exemplaar was uitgerust met een zogenaamde klepdeur, de sluis gevonden in 1991 echter met een enkele draaideur. Het verschil zit hem in de positie van de draaias: horizontaal, respectievelijk verticaal. Beide typen waren in zoverre geavanceerd dat ze zich automatisch openden en weer sloten op de wisselende waterhoogten binnen en buiten. Hiernaast kwamen toen ook nog hef- of schotdeuren voor, verticaal beweegbare sluisdeuren die moesten worden opgehesen om doorstroming van water mogelijk te maken. Elk van deze drie typen is tot op heden in gebruik gebleven, zij het met de nodige aanpassingen en verbeteringen, maar in de loop der eeuwen werden ook nog andere systemen ontwikkeld.

De waarschijnlijk belangrijkste vooruitgang werd geboekt met de uitvinding van de schutsluis. Door koppeling van twee of meer enkelvoudige sluizen door middel van een schutkolk werd scheepvaart mogelijk tussen wateren van ongelijk peil. Deze innovatie bleek niet alleen van nut waar getijdeninvloeden een rol speelden, maar betekende ook dat toenemende differentiatie optrad tussen de boezempeilen van aangrenzende waterschappen. Voor de scheepvaart was dat bepaald niet gunstig, want elke schutting - al ging het om overbrugging van een verschil van maar 10 cm - bracht tijdverlies met zich mee.

Schutsluis

Schutsluizen brachten echter ook geheel nieuwe mogelijkheden. Door het in serie plaatsen ervan konden - bij voldoende aanvoer van water in de bovenpanden - goede vaarwegen worden ontwikkeld in gebieden die van nature niet of nauwelijks geschikt waren voor verkeer te water. Over waterscheidingen tussen stroomgebieden heen zijn zo sedert de 17de eeuw onder andere in Frankrijk en in enige Duitse staten kanaalverbindingen ontstaan waarmee door middel van reeksen van vele tientallen schutsluizen honderd meter en meer hoogteverschil werd overwonnen.

Sluizen zijn ook niet meer weg te denken uit het Nederlandse cultuurlandschap, maar een toegankelijk overzichtswerk over deze artefacten ontbrak nog. Daarom is Sluizen en stuwen van G.J. Arends een welkome nieuweling.

Arends heeft in hoofdzaak gekozen voor een thematische opzet van zijn boek, dat nu al een standaardwerk genoemd mag worden. Slechts in het eerste deel geeft hij min of meer chronologisch een overzicht van wat er sedert de Romeinse tijd aan waterbouwkundige 'kunstwerken' (zo heet dat nu eenmaal) in ons land is ontwikkeld. Daarna gaat hij over tot de technische beschrijving van de afsluitmiddelen of deuren, waarvan hij maar liefst elf typen onderscheidt. Hij verliest hierbij gelukkig niet in details en formules, maar heeft gekozen voor duidelijke tekeningen en foto's.

In de beide volgende hoofdstukken richt Arends zich respectievelijk op stroomsluizen en op sluizen voor de scheepvaart. Onder de stroomsluizen vallen niet alleen die voor de waterhuishouding, maar ook militaire sluizen. Dit zijn vrijwel alle zogenoemde inundatiesluizen, aangelegd voor inlaat van water ten behoeve van de landsverdediging. De inwerkingstelling van de Hollandse Waterlinie vergde bijvoorbeeld een vrij nauwkeurige dosering van het water: afhankelijk van de plaatselijke terreinhoogte moest juist zoveel worden ingelaten dat doorwaden praktisch onmogelijk was, terwijl door geringe diepte het oversteken met behulp van vaartuigen eveneens onuitvoerbaar moest blijven.

Toch werden hiertoe geen principieel andere afsluitsystemen gebruikt dan voor andere doeleinden en hiermee raken we ook aan een zwakke kant van het boek. Auteur en redacteur hebben er niet voldoende voor gewaakt doublures uit de tekst te zeven. Meer dan nodig is kan de lezer zich afvragen of hij per abuis een passage opnieuw leest, maar keer op keer blijkt dan dat dezelfde informatie al eerder werd verstrekt.

Verder is het jammer dat Arends niet van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt de mate van gaafheid en zeldzaamheid van verschillende sluistypen en afsluitmiddelen duidelijk aan te geven. Een simpel register was hiertoe reeds voldoende geweest.

Register

Zo worden 'spuisluizen met kruisende deuren' summier behandeld, maar vormen zij een zeer schaars type. Een dubbel stel, in gesloten toestand kruislings tegen elkaar leunende puntdeuren vormt een afsluitmiddel dat zowel naar binnen als naar buiten kan keren. Hiervan werd in vroeger tijd gebruik gemaakt met het doel op 'natuurlijke wijze' stadswateren grenzend aan getijdegebieden schoon te spuien. Gewoonlijk keerde de sluis hoog buitenwater. Maar bij vloed kon ook water worden ingelaten en vastgehouden om het vervolgens bij laag water met grote kracht weer naar buiten te laten stromen. Hierbij werden vuil en slib vanzelf naar buiten gezogen. De Donkere Sluis te Gouda werkt volgens dit principe, maar hij is, hoewel nu vermoedelijk een unicum in ons land, merkwaardig genoeg geen rijksmonument.

Ondanks deze kleine tekortkomingen is Sluizen en stuwen een waardevolle aanvulling op de literatuur over bouwtechniek in Nederland.