Brusselse strooppotten zijn te duur voor Nederland

Nederland zou in de periode van 1995 tot 2000 in totaal ongeveer 25 miljard gulden aan de Europese Unie moeten betalen. De kritiek daarop neemt toe. Terecht, vindt A.H.J.W. van Schijndel, want die prijs is te hoog. Het onderwerp leent zich uitstekend voor een mooie verkiezingsstrijd.

De Tweede Kamer buigt zich de komende maanden over het wetsontwerp tot goedkeuring van het zogenoemde 'Eigen-middelenbesluit' van de Europese Unie. Dit besluit regelt de financiering van de uitgaven van de Unie voor de periode van 1995 tot het jaar 2000. Het zal pas in werking treden nadat het is goedgekeurd door de parlementen van de lidstaten. Amendering is niet mogelijk, zodat de Kamers der Staten-Generaal het besluit slechts kunnen goedkeuren of verwerpen.

In Nederland bestaat groeiende zorg over de financiële gevolgen van het Eigen-middelenbesluit. Minister Zalm (financiën) deelt die zorg. Hij meldde de Kamer onlangs dat voor Nederland de zogeheten 'netto-positie' (het saldo van afdrachten aan en ontvangsten uit Brussel) sinds 1990 aanzienlijk is verslechterd. In 1989 ontving Nederland nog 8,9 miljard gulden en droeg het 6,3 miljard gulden af. Door de stijging van de afdrachten (van 1995 tot 2000 van 9,5 miljard tot 12,2 miljard gulden) en door het sterk achterblijven van de ontvangsten zal de netto-positie in het jaar 1999 op ruim 6 miljard gulden negatief uitkomen. Ten aanzien van de afdrachten wordt deze omslag in het Eigen-middelenbesluit geformaliseerd.

De Nederlandse netto-contributie zal daardoor van 1995 tot 2000 in totaal rond 25 miljard gulden bedragen. Ter vergelijking: in het regeerakkoord is een totaal van 18 miljard gulden aan bezuinigingen bijeengesprokkeld. Per hoofd van de bevolking betekent dit dat Duitsland al in 1995 door Nederland wordt ingehaald als hoogste netto-contribuant van de Unie. Dit drukt echter extra zwaar op de Nederlandse economie, omdat ons inkomen per hoofd van de bevolking slechts dat van Griekenland, Portugal, Spanje, Ierland en het Verenigd Koninkrijk overtreft. (Dat ons land nu tot de armere lidstaten behoort zegt trouwens iets over de verslonzing van het de afgelopen kwart eeuw hier te lande gevoerde beleid.) Mocht in 1999 geen overeenstemming worden bereikt over een nieuw Eigen-middelenbesluit voor de periode 2000-2005 dan blijft het in de voorafgaande periode geldende besluit van kracht.

Redenen genoeg om het Eigen-middelenbesluit kritisch te bezien. Dit besluit is uitvloeisel van de door de regeringsleiders op de Europese toppen van Lissabon en Edinburgh in 1992 gemaakte afspraken inzake het landbouwbeleid en de structuurfondsen. Hoe één en ander zich afspeelde is symptomatisch voor de kant die het inmiddels met de Europese integratie is opgegaan.

In Lissabon speelden de Fransen hoog spel door te dreigen de GATT Uruguay-ronde te torpederen. Hoewel het slagen van de Uruguay-ronde juist voor Frankrijk van eminent belang was, verzette deze lidstaat zich met hand en tand tegen de daarvoor noodzakelijke hervorming van het Europese landbouwbeleid. Pas na veel getouwtrek waren de Fransen bereid hun verzet op te geven als een nieuw systeem van inkomenstoeslagen zou worden gekoppeld aan de hoeveelheid grond per bedrijf. Daarmee konden de Europese akkerbouwers dan worden gecompenseerd voor de in het kader van de GATT noodzakelijke verlaging van de Europese minimum-aankoopprijzen. Nederland was niet blij met de Franse hectare-methodiek, maar ging uiteindelijk accoord om de kans op een nieuwe GATT-overeenkomst te vergroten.

Een half jaar later waren vervolgens in Edinburgh de structuur- en cohesiefondsen aan de beurt. Tot op het allerlaatste moment dreigde de top te mislukken, omdat Spanje persisteerde in een groter aandeel in de structuurfondsen. Voorts verrasten de Fransen vriend en vijand met de eis van een doorbreking van het plafond voor de landbouwuitgaven om zodoende valutaschommelingen op te vangen.

Spanje en Frankrijk kregen uiteindelijk hun zin. Maar ook andere grote lidstaten deden in Edinburgh goede zaken. Zo kregen de Britten een continuering tot het jaar 2000 van de in 1984 bedongen korting op hun totale contributie. En Duitsland kreeg een bijdrage van 25 miljard gulden voor de ontwikkeling van de voormalige DDR. Voor Nederland kan de Edinburghse top evenwel moeilijk worden gezien als een hoogtepunt in het Europese integratieproces. Die constatering berust niet alleen op de pas achteraf uitgerekende financiële gevolgen. Er is veel meer aan de hand.

Voor de lidstaat Nederland is het onaanvaardbaar dat de Europese Unie zich steeds verder verwijdert van de oorspronkelijke doeleinden van de Europese integratie.

Waar gaat het om? Paul-Henri Spaak, de wegbereider van de Europese Economische Gemeenschap, begreep dat Europa de Sovjet-dreiging alleen zou kunnen weerstaan door ononderbroken welvaartsgroei. Alleen door steeds verdergaande specialisatie en economische vervlechting kon dit doel worden bereikt. De zes EEG-lidstaten moesten dus voor eens en voor altijd afscheid nemen van de mogelijkheid tot het voeren van een op protectie van de eigen markt gerichte economische politiek.

Voortaan zou daarom tussen de lidstaten één gemeenschappelijke markt bestaan. De afschaffing van alle handelsbelemmeringen op die markt omvatte ook het instellen van een Europees mededingingsregime en een totale harmonisering van de waren- en diensten-wetgeving. Er bestaan uiteraard vele duizenden soorten goederen en diensten, hetgeen betekent dat die harmonisering (van produktveiligheids- en milieueisen en dergelijke) een nooit ophoudend monnikenwerk is. Hiervoor zijn inmiddels honderdduizenden bladzijden harmoniserende wetgeving geschreven, en dat is - althans in principe - een zegen voor het Europese bedrijfsleven.

Dé grote belofte van de Europese integratie was dus dat de verdragsstaten aan de leiband van het recht werden gelegd. De creatie van een boven-nationale rechtsorde was daarbij middel en doel tegelijk. Door zich te voegen in de communautaire rechtsorde verloren de lidstaten op de genoemde terreinen hun soevereine bevoegdheden. In plaats van de botte machtspolitiek van weleer zou het economisch leven worden beheerst door voor alle lidstaten gelijkelijk geldende regels. Aldus zou de Europese integratie zich feitelijk van onderop moeten voltrekken, dat wil zeggen: via de markt. Daarbij paste dat burgers de regels van de gemeenschappelijke markt tegenover hun eigen of een vreemde lidstaat in rechte konden afdwingen. Ook dat was destijds een revolutionaire gedachte.

Het was dan ook geen wonder dat generaal De Gaulle de EEG géén warm hart toedroeg, omdat het in aanzienlijke mate de Franse bewegingsvrijheid belemmerde in onderhandelingsprocessen van staat tot staat. Maar in Parijs zat men niet stil. In het EEG-verdrag was al voor de landbouwsector een uitzondering gemaakt op de regels van de gemeenschappelijke markt. Op dit terrein moest namelijk een 'Gemeenschappelijk Beleid' worden gevoerd, hetgeen Duitsland als een soort Wiedergutmachung bereid was te financieren. In deze bargaining area konden de lidstaten dan naar hartelust onderhandelen, zodat het politieke gewicht van Frankrijk tot z'n recht kon komen.

Gaandeweg werden nog andere beleidsterreinen toegevoegd, zoals het technologisch subsidiebeleid en het regionale ontwikkelingsbeleid. Ook op die gebieden komt het natuurlijk aan op handig onderhandelen over de toedelingscriteria bij de verdeling van de Duitse zilvervloot. Het kan echter niet anders of Nederland trekt daarbij aan het kortste eind. Voor ons land wreekt zich in dit soort onderhandelingsprocessen het gebrek aan politiek gewicht, terwijl wij bovendien kampen met een gebrek aan verarmde regio's.

De kern van de zaak is dus dat er naast het fraaie, maar nog immer onvoltooide bouwwerk van de gemeenschappelijke markt een wildgroei is ontstaan van allerhande zogeheten 'flankerend beleid'. De zin van veel van dat beleid valt eenvoudigweg niet uit te leggen. Bovendien beperkt de ongehoorde ingewikkeldheid van dat beleid het zicht daarop tot een kleine coterie van nationale ambtenaren en functionarissen van de Commissie.

Die ambtenaren noemen zich tegenwoordig vaak 'beleidsmakers'. Even gedreven als onverstoorbaar werken zij voort aan hun kindje: Het Beleid. En liefst niet gehinderd door politieke pottekijkers. Zij hechten aan een aangename, collegiale sfeer om plooien glad te kunnen strijken en hebben uitgesproken meningen over wat wel en niet haalbaar is. Zij zeggen ook dat de gemeenschappelijke markt nu eenmaal een 'complement' van flankerende maatregelen nodig heeft om de scherpe kantjes van het marktproces af te vijlen. Als de minder aantrekkelijke gevolgen van al dat beleid (fraude, overproduktie, werkloosheid enzovoort) aan de orde worden gesteld, volgt snel het antwoord dat de politici helaas te weinig oog hebben gehad voor de uitvoerbaarheid van de betreffende maatregelen. En ook de bekende dweil van de strengere fraudebestrijding doet het bij de in Europa geverseerde ambtenaren nog steeds erg goed.

Het is niet zo dat zij die vraagtekens plaatsen bij de sjablonen van de policy makers 'tegen Europa' zouden zijn of, erger nog, de Spanjaarden hun subsidies of de boeren hun inkomenssteun misgunnen. Maar hebben wij in Nederland niet het recht ons af te vragen of 35 jaar steun heeft geleid tot versterking van de economische structuur in Zuid-Italië? Of was die steun in feite alleen maar een zegen voor de mafia?

Duidelijk is in ieder geval dat er op Europees niveau geen enkele rechtvaardiging bestaat voor regionaal beleid ten behoeve van de rijkere lidstaten. Dat beleid behoren die lidstaten zelf te voeren en te betalen, al naar gelang hun politieke prioriteiten. Hetzelfde geldt voor het thans met middelen van de Unie gefinancierde inkomensbeleid voor de landbouw.

Resteert nog de vraag of er iets te zeggen valt voor de door minister Van Mierlo gemaakte opmerking, dat van Nederland een extra hoge bijdrage mag worden gevergd omdat wij veel vaker op de gemeenschappelijke markt opereren dan bijvoorbeeld een land als Spanje. Hij gaf meteen enkele cijfers: de Nederlandse export beslaat 60 procent van ons bruto nationaal produkt en daarvan gaat ruim 75 procent naar de landen van de Unie. In Spanje vormt de export 19 procent van het BNP en daarvan gaat slechts 55 procent naar de landen van de Unie. “Wie verdient er eigenlijk aan Europa?”, vraagt minister Van Mierlo.

Dit is een gevaarlijke redenering. De gemeenschappelijke markt is er nu eenmaal en het is niet duidelijk waarom er extra zou moeten worden betaald voor haar vervolmaking. Belangrijker nog: Nederland is een klein land en daardoor genoodzaakt relatief meer te importeren en te exporteren dan grotere landen. Als Nederland daarvoor extra zou mogen worden aangeslagen, zijn we terug bij de Franse zienswijze, dat de grote jongens nu eenmaal meer rechten hebben dan de kleintjes. Maar dat was nu juist de gedachte waar we in de tijd van Paul-Henri Spaak voor eens en voor altijd afscheid van hadden genomen. Het fundamentele beginsel van de gelijke rechten en plichten voor alle lidstaten betekent dus dat van Nederland nimmer een hogere bijdrage op basis van onze export-quote kan worden gevergd.

Het is daarom onbegrijpelijk dat minister Van Mierlo met het Nederland/Spanje-verhaal is gekomen. Dat verhaal schaadt zijn geloofwaardigheid bij het verdedigen van de Nederlandse belangen. De minister moet zich hierop nog eens bezinnen. In het verleden heeft minister Van Mierlo immers vaak genoeg getoond op moeilijke momenten uit het juiste politieke hout gesneden te zijn. Dat was bijvoorbeeld zo bij de kruisrakettenkwestie begin jaren '80 en ook onlangs bij zijn moedige verdediging van het visum voor Poncke Princen.

Hoe moet het nu verder met het Eigen-middelenbesluit? Er zijn twee soorten overwegingen: in de eerste plaats de repercussies voor de Nederlandse positie in de Unie van een eventuele verwerping door ons parlement. En ten tweede de betekenis van het besluit in de binnenlandse politieke verhoudingen.

Wat het eerste betreft, is het zo dat in de Unie de regeringen zich committeren aan bepaalde onderhandelingsresultaten. In dit geval is dat resultaat onderworpen aan goedkeuring volgens de nationale constitutionele regels. De vraag rijst dan of ons parlement er al dan niet verstandig aan doet de regering door het ijs te laten zakken.

Voor de positie van de lidstaat Nederland is het in beginsel zeker van groot belang dat door onze regering aangegane commitments zich ook daadwerkelijk vertalen in een bewilliging door het nationale parlement. Het gaat hier dus om het imponderabilium van de politieke reputatie, dat wil zeggen: het vertrouwen bij de andere lidstaten dat de Nederlandse regering ook in staat is haar ja-zeggen waar te maken. Nederland heeft op dit punt een uitstekende reputatie en dat is een belangrijke politieke asset. Juist een klein land moet die reputatie koesteren, alhoewel natuurlijk ook weer niet tot elke prijs. In dit geval is die prijs te hoog.

Daarmee vergeleken zijn de zorgen over Europese strafexpedities van minder belang. Als de Tweede Kamer daar toch meer over wil weten, kan zij wellicht de regering vragen nader advies in te winnen bij de Raad van State. Het is niet verstandig hierover alleen te rade te gaan bij het departement van buitenlandse zaken of onze Permanente Vertegenwoordiging te Brussel.

Nu dan het slottoneel: de binnenlands-politieke verhoudingen. VVD-leider Bolkestein zegt dat de Nederlandse afdrachten buitensporig hoog zijn en dat dat des te ernstiger is omdat de theorie achter de structuurfondsen niet deugt. Die theorie is dat vrijhandel nadelig is voor de armere lidstaten en dus moet worden afgekocht.

Los van deze principiële kritiek is het in elk geval duidelijk dat de relatieve hoogte van onze EU-bijdrage onmogelijk uit te leggen valt aan de Nederlandse bevolking. Dit betekent dat de opstelling van onze politieke partijen inzake het Eigen-middelenbesluit zich er uitstekend toe leent een grote rol te spelen bij de eerstvolgende verkiezingen van de Tweede Kamer. Het is daarom zowel begrijpelijk als terecht indien VVD-leider Bolkestein zou besluiten in deze kwestie door te bijten.

Als dat gebeurt dan heeft premier Kok meteen een groot probleem. Hij wenst uiteraard niet de geschiedenis in te gaan als de PvdA-leider die presideerde over de neergang van de sociaal-democratie als factor in de Nederlandse politiek. Voor zijn partij is een geslaagd premierschap-Kok het enig overgebleven middel om de electorale achteruitgang te keren. Al met al is dat geen eenvoudige opgave, gezien de nog op het programma staande bezuinigingen. Maar als in 1998 de economie weer is ingezakt dan wordt het natuurlijk extra moeilijk om de kritiek van de VVD op de dure Brusselse strooppotten te pareren.

Voor de Partij van de Arbeid valt het daarom te betreuren dat fractieleider Wallage de politieke betekenis van de afdrachtenkwestie niet heeft onderkend. Hij heeft de behandelende fractiewoordvoerders totaal de vrije hand gelaten. En die kwamen prompt met de verkeerd begrepen leer van de Europese solidariteit. Maar er is hoop. Europarlementariër d'Ancona heeft namelijk wèl begrepen dat er iets moet gebeuren. Zij kondigde onlangs een tournee aan waarop ook de afdrachten de revue zullen passeren. Het wachten is dus op de uitkomst daarvan.

Terug naar de positie van premier Kok. Als minister van financiën was hij er in Edinburgh zelf bij. Maar toen op het allerlaatste moment de miljarden door de lucht vlogen, zat naar verluidt alleen nog premier Lubbers aan tafel. Hoe dit ook zij, premier Kok behoort in deze kwestie onze volksvertegenwoordiging niet met een machtswoord tegemoet te treden. Onze Kamerleden moeten over het Eigen-middelenbesluit naar eer en geweten kunnen stemmen. En wat die nacht in Edinburgh betreft zou premier Kok zich een geliefd woord van onze Koning-Koopman Willem I moeten herinneren.

Hoe luidt dat woord?

Dat woord luidt: Doe wel en zie niet om.