Brieven uit het Ottomaanse Rijk

OGIER GHISELIN VAN BOESBEECK: Vier brieven over het gezantschap naar Turkije

Vertaald door Michel Goldsteen, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Zweder von Martels 432 blz., geïll., Verloren 1994, ƒ 99,-

In 1453 viel Constantinopel in handen van de Osman clan, die zich al een eeuw sterk maakte in West-Anatolië temidden van andere Turkse stammen die het eveneens op de resten van het Byzantijnse keizerrijk hadden voorzien. De wervelende bewegingen van de nomadische Turken kregen met de inlijving van het keizerlijke machtscentrum een nieuwe impuls. In korte tijd werd de Balkan aan wat nu het Ottomaanse Rijk heette onderworpen, en in 1529 verschenen de Turken voor Wenen. Lange leek het alsof deze tweede bestorming van Europa door de islam zou slagen waar de eerste van achthonderd jaar daarvoor had gefaald. De Turken legden nu een groter staatkundig vernuft aan de dag dan hun Arabische geloofsgenoten, een voordeel dat hun uit de Byzantijnse erfenis was toegevallen.

Met zo'n vervaarlijke tegenstander wilden de Europese machten zich wel verstaan, en voor het eerst verschenen aan het hof van een islamitische vorst gezanten die probeerden de permanente staat oorlog tussen christenen en mohammedanen in een gewapende vrede te wijzigen. De reacties van de Sultan in Istanboel, de Turkse naam voor Constantinopel, waren tweeslachtig, niet alleen wegens de verradelijkheid van de christelijke voorstellen, maar ook omdat het losse verband van de Turkse samenleving vanouds op de ghazâ, de heilige oorlog, berustte.

In 1554 begaf een Zuidnederlandse hoveling, Ogier van Boesbeeck, zich in opdracht van de koning van Oostenrijk Ferdinand I, naar Istanboel om een oplossing te bespreken van een bloedige erfkwestie in Hongarije. Juist in dat grensgebied spanden oost en west hun spierbundels en probeerden elkaar te overtroeven. Van zijn achtjarig verblijf onder de Turken deed Boesbeeck twintig jaar later verslag aan een vriend. Die vier in het Latijn geschreven brieven zijn door Verloren uitgegeven met de Nederlandse vertaling op de rechterpagina, en voorzien van een historische inleiding en een uitgebreid notenapparaat.

Op een paar uitstapjes na heeft Boesbeeck zijn tijd uitgezeten in Istanboel, en zelfs daar werd zijn bewegingsvrijheid in tijden van spanning tussen de partijen ernstig belemmerd. Dat isolement verklaart waarom zoveel van zijn mededelingen, waaronder veel Herodotus-achtige fabulaties, alleen van horen zeggen zijn, en hoe weinig hij in staat was om politieke en andere verhalen die hem op de mouw werden gespeld te toetsen. Verslagen uit die dagen over reizen in het Verre Oosten, een verblijf aan het Moskovitische hof, of de brieven van Cortez over Mexico zijn vele malen onthullender dan de 'petites histoires' uit het serail waar Boesbeeck mee gevoed werd. De onwetendheid over de Turkse samenleving waarin hij in verkeerde was zeker overeenkomstig de wens van Süleyman de Grote, de Sultan die Boesbeeck moest overtuigen van de vreedzame bedoelingen van zijn heer Ferdinand.

Niet bekend

Een andere rode draad in de brieven, die zich echter met de missie van de ambassadeur vervlocht, vormt de broedertwist in de provincie, tussen twee zonen van Süleyman. Die animositeit vloeide gedeeltelijk voort uit de competitie tussen twee van Süleymans vrouwen. Zolang het conflict tussen de broers het land in zijn greep hield, kon Boesbeeck zijn poot tamelijk stijf houden, omdat Sultans handen in zekere zin gebonden waren. Toen tenslotte de lieveling van de garde, maar niet van zijn vader, Bajazid - nee, niet de tragische prins van Racine's tragedie, die werd pas honderd jaar later vermoord - werd verraden en gewurgd, was het ook tijd voor de gezant om op te stappen.

Boesbeeck was niet rouwig om heen te gaan, hoewel hij ook aangename herinneringen aan de Turken meedroeg, 'een Turkse ruiter vormt geen onaantrekkelijk schouwspel', zo laat hij vaak weten. Maar ook letterlijk verliet hij zijn post, de zadeltassen gevuld met seringen en gladiolen die in het Westen onbekend waren. Wat bovenal de herinnering aan hem levendig zou houden, was zijn introductie van de tulp in onze streken. Van zulke wetenswaardigheden wordt terecht tekst en uitleg gegeven in de noten. Dat is niet het geval bij de talrijke klachten van Boesbeeck over de slavernij waarin de onderdanen van de Sultan zouden verkeren, en die krijgen daardoor onbedoeld een querulant karakter. Het voldoet niet om in de noten van de Janitsaren-garde te zeggen dat zij een elitecorps in het Ottomaanse leger waren; voor goed begrip is van belang is dat zij geronseld waren onder niet-Turken, en, hoe paradoxaal het ook mogen klinken, een militaire slavenstand vormden.

Inleiding en toelichting verschaffen weinig systematische informatie over de opkomst en inrichting van het Ottomaanse Rijk, en des te meer over het literaire karakter van de tekst. Het is twijfelachtig of die klemtoon zo goed gelegd is, want de humanistische stijlbloempjes waar de brieven van ritselen - de toespelingen op klassieke teksten, het gedweep met munten en monumenten, de herhaaldelijk beleden voorkeur van de schrijver voor het landleven - maken dit boek niet bijzonder, evenmin als de veronderstelde 'Stoïsche' invloed op de schrijver. In plaats van aan alle Renaissancistische gemeenplaatsen had de commentator wat meer aandacht mogen besteden aan de achtergronden van het hof waar Boesbeeck geaccrediteerd was. Het leven achter de wonderschone miniatuur op de omslag van het boek blijft voor ons even geheimzinnig als het ook voor Boesbeeck was. Maar die onschuld heeft ook een zekere charme.