Brede scholengemeenschap wordt niet 'voorgetrokken'

E.J. Bomhoff kritiseerde afgelopen maandag in zijn column het beleid van staatsecretaris Netelenbos om meer vrouwen in de schoolleiding te krijgen en de vorming van 'brede' scholengemeenschappen te stimuleren. 'Netelenbos discrimineert dubbel', oordeelde Bomhoff. Volgens L. Henkens en H.F.P. Ietswaart sloeg hij de plank mis.

Zolang de heer Bomhoff zijn betogen zo opbouwt als hij deed in NRC Handelsblad van 10 april, zal het nodig blijven om 'het nog een keer uit te leggen', zoals hij minister Ritzen citeert. 'Netelenbos discrimineert dubbel', stelt Bomhoff, want ze doet aan positieve discriminatie van vrouwelijke schoolleiders, en ze trekt brede scholengemeenschappen financieel voor.

Om te beginnen is het niet waar dat staatssecretaris Netelenbos scholen verplicht vrouwen positief te discrimineren bij vacatures in de leiding. De verplichting voor schoolbesturen bestaat uit het opstellen van een plan waarin staat hoeveel vrouwelijke managers men wil aanstellen en de opdracht zich daar vervolgens aan te houden.

In het basisonderwijs is 87 procent van de directeuren man, terwijl 75 procent van de docenten vrouw is. Iedereen die zich daar tot nu toe enigszins in heeft verdiept, komt tot de conclusie dat de oorzaak niet is dat er geen goede vrouwelijke managers zijn, maar dat het idee directeur = man uiterst hardnekkig is. En dat is jammer, want Bomhoff betoogt zelf hoe goed vrouwen als manager kunnen zijn. Voor kinderen in opvoedingssituaties is de voorbeeldfunctie - vrouwen als leidinggevenden - van belang. Veel leerlingen zien dat niet in hun omgeving, althans niet in de school.

Tweede punt: Bomhoffs pleidooi dat er bij minister Melkert op dient te worden aangedrongen dat (onder meer) de vrouwenvakscholen zouden moeten worden ontzien is uitermate op zijn plaats, maar komt ietwat laat. Dat is enkele weken geleden gebeurd (door minister Ritzen) en met resultaat: een aantal op te heffen scholen blijft nu toch in stand.

Ten derde de lerarensalarissen. De ontwikkeling van salarissen van overheidspersoneel - en daarbinnen niet in de laatste plaats die van onderwijspersoneel - is door opeenvolgende kabinetten gematigd. Dit met brede instemming van economen als Bomhoff. Maar, waar in de loonstructuur en de personeelsvoorziening van het onderwijs problemen ontstonden, is onlangs wel degelijk geïnvesteerd. Bomhoffs opmerkingen doen absoluut geen recht aan het bedrag van ruim een miljard extra dat is uitgetrokken voor het leraarschap. Met als concreet gevolg voor beginnende leraren in basis- en voortgezet onderwijs in 1994 een salarisverhoging van honderden guldens (tot 850 gulden) per maand.

Tot slot de brede scholengemeenschappen. De maatregelen om de vorming daarvan te bevorderen, zijn niet in het geniep genomen. Daarover is in de openbaarheid, in het parlement gediscussieerd. Niet iets om je voor te moeten schamen dus, zoals Bomhoff suggereert.

Door de fusie-operatie die hij zo verafschuwt zijn honderden vbo- en mavoscholen op het platteland opgenomen in scholengemeenschappen. Vele daarvan zouden het zelfstandig niet hebben gered door teruglopende leerlingenaantallen. In feite gaat het hier vooral om maatregelen die voorkomen dat je door een fusie juist minder geld krijgt. In het recente verleden merkten fuserende scholen tot hun schrik dat de bekostiging door de fusie terugliep en er personeel moest worden ontslagen.

Wat gymnasia betreft gaat Bomhoff voorbij aan het feit dat startende gymnasiumleerlingen het in een flink aantal gevallen niet redden en overstappen naar een ander onderwijstype. De aandacht is de laatste tijd echter vooral getrokken door twee of drie gevallen van lokaal onderwijsbeleid, waarbij een gymnasium in een scholengemeenschap werd ondergebracht.

De belastingbetaler moet betalen voor die geforceerde fusies, schrijft Bomhoff, en Netelenbos zit daar achter. Volgens de regels kan een categoraal gymnasium met voldoende leerlingen gewoon zelfstandig voortbestaan. Het bevoegd gezag (het schoolbestuur of de gemeente) kan er natuurlijk wel voor kiezen om samen te gaan vanwege (inhoudelijke) voordelen van een fusie.

Het curieuze van het door Bomhoff gewraakte fusieproces in Gouda is overigens dat niet de tot stand te brengen scholengemeenschap inclusief gymnasium het ministerie het meeste geld kost, maar juist de situatie waarbij het gymnasium buiten de fusie blijft, met een verschil van ongeveer een ton. Bij de discussie over brede scholengemeenschappen gaat het er niet zozeer om dat de belastingbetaler meer of minder betaalt, maar scholen krijgt die meer mogelijkheden kunnen bieden. En dat is winst.