Bordeelverbod

Het kabinet wil het bordeelverbod uit de wet schrappen (NRC Handelsblad, 1 april). Dat lijkt in de lijn te liggen van een progressief-liberale politiek. Maar het zou de zaak van de mensenrechten een slechte dienst bewijzen.

Prostitutie vormt in Nederland een florerende bedrijfstak met een jaarlijkse omzet van vele honderden miljoenen en een pro-prostitutie lobby. Deze laatste wil het doen voorkomen alsof prostitutie een gewoon beroep is, net als alle andere beroepen. Dat is het niet. Prostitutie komt op verschillende manieren voor, maar het komt uiteindelijk altijd neer op het verhuren van personen voor seksueel gebruik. Dat impliceert de aantasting van de onschendbaarheid van een persoon - een basisrecht volgens de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

Je kunt iemand niet verbieden gebruik te maken van zijn/haar zelfbeschikkingsrecht om zichzelf vrijwillig te prostitueren. Maar uit onderzoek is voldoende gebleken dat er bij prostitutie zelden echt sprake is van vrije zelfbeschikking, meestal eerder van een voorgeschiedenis van armoede, seksueel misbruik, verslaving of andere ellende.

De bordeelhouder die die situatie uitbuit door exploitatie van prostitutie maakt zich schuldig aan handelingen in strijd met de mensenrechten. Maar de klant die gebruik maakt van die gelegenheid en een overheid die die praktijken gedoogt kunnen zichzelf niet vrijpleiten van collaboratie.

Laat de minister haar tijd en energie liever inzetten voor een betere naleving van de morele verplichtingen die de mensenrechten aan onze samenleving opleggen. Op het lucratieve terrein van exploitatie van prostitutie is er in Nederland dan nog heel wat te doen!