Bezetters

AAD JONGBLOED: Standort Holland. Duitse soldaten over hun oorlogstijd in Nederland

144 blz., Walburg Pers 1995, ƒ 29,50

Ondanks het grote aanbod van boeken over de Tweede Wereldoorlog is één boek nog steeds niet geschreven. De auteur van het standaardwerk De SS en Nederland, dr. N.K.C.A in 't Veld, had het graag willen doen: een studie schrijven over de Wehrmacht en Nederland. De toenmalige directeur van het Rijskinstituut voor Oorlogsdocumentatie waar In 't Veld werkzaam was, drs. A.H. Paape, dacht daar helaas anders over. En jammer dat deze lacune in de geschiedschrijving nog steeds niet is opgevuld. Het boek van de journalist Aad Jongbloed Standort Holland. Duitse soldaten over hun oorlogstijd in Nederland maakt wel iets goed, maar het verlangen naar een gedegen studie over dit onderwerp blijft bestaan.

Gedurende de bezetting waren ruim 120.000 Duitse soldaten in Nederland gelegerd. De Wehrmachtsbefehlhaber in den Niederlanden, Friedrich Christiaan Christiansen, zag met lede ogen toe hoe zijn machtspositie in twee dagen door Hitler werd uitgehold. Op 18 mei 1940 heette het nog dat hij op hetzelfde niveau stond als Reichskommissar Seyss-Inquart. Twee dagen later heette het dat Christiansen de belangen van de Wehrmacht tegenover Seyss-Inquart vertegenwoordigde “waarbij opengelaten werd, in hoeverre de Reichskommissar met die belangen rekening wilde houden”, aldus L. de Jong, die Christiansen aanduidt als niet meer dan een garnizoenscommandant, voortdurend voor de voeten gelopen door de SS en de SD. De Wehrmacht, schrijft Jongbloed, hield naar buiten de schijn op botsingen met de Nederlandse bevolking uit de weg te willen gaan “maar intern bleek dat de Wehrmacht alles wat in Nederland gebeurde nauwlettend in de gaten hield.” Net als de SD maakte de Wehrmacht gebruik van verklikkers, spoorde zij joden op, voerde zij razzia's uit. Het Wehrmacht-bevel dat vlak voor 10 mei was uitgegaan en waarin de soldaten werden gemaand behoorlijk op te treden, bleek een wassen neus.

Voor zijn boek sprak Jongbloed met zeven Wehrmachtsoldaten over hun ervaringen voor en tijdens hun verblijf in Nederland. Hij koos ze uit een lijst van ruim 30, maar een aantal van hen wilde niet praten. De hospitaalsoldaat, die in 1942 in een lazaret in Amsterdam terecht kwam, wilde wel. Hij draaide zijn diensten als verpleger, werd verliefd op een verpleegster in het Wilhelmina Gasthuis, schreef haar 138 brieven nadat zij te kennen had gegeven zich niet meer met hem te kunnen vertonen, zat aan het einde van de oorlog in krijgsgevangenschap, kwam in 1945 vrij en trouwde in 1950 met haar. “Ik schaam me om het te zeggen, maar de oorlog heeft me louter geluk gebracht”, zegt hij.

Duitse soldaten moesten vanaf 2 december 1933 de eed op Hitler zweren. Eén geïnterviewde, destijds ingelijfd bij de Luftwaffe, wil ondanks deze eedaflegging de lezer en Jongbloed laten geloven dat hij in zijn tijd, 1944, geen officier kende die nazi was. “We waren daarvoor - en dat durf ik best te stellen - te slim, we hadden geen ideologie nodig.” Hier had Jongbloed wel even wat mogen opmerken. Misschien heeft hij dat ook wel gedaan, maar dat blijkt niet uit de tekst.

Mooi is het relaas van de soldaat die na zijn infanterie- en koksopleiding eerst in Wuppertal werkte en later werd overgeplaatst naar Den Haag waar hij voor officieren de maaltijden bereidde. In Den Haag leerde hij een Duits dienstmeisje kennen, Anna, - geen spionne maar een anti-nazi. Haar vader zat in een concentratiekamp. “Ik wist, eerlijk waar, niets van wat er allemaal gebeurde, helemaal niets”, zegt de geïnterviewde. Tot hij zag hoe joden uit hun huis werden gesleurd en in een vrachtwagen werden gesmeten. Anna maakte hem duidelijk dat ook hij deel uitmaakte van de oorlogsmachinerie, ook al stond hij dan boven het fornuis. Hij kwam in gewetensnood, vroeg haar wat hij moest doen en dook op haar aanraden onder. Na de oorlog probeerde hij vergeefs Anna terug te vinden. Zijn moeder werd erop aangekeken dat haar zoon was gedeserteerd. Zelf sprak hij er na de oorlog nauwelijks over.