Ashanti

ROBERT B. EDGERTON: The fall of the Asante empire

293 blz., geïll., The Free Press 1995, ƒ 50,60

Aan het begin van de negentiende eeuw vormden de Ashanti (in het Engels aangeduid als 'Asante') verreweg de machtigste staat in West-Afrika. Het koninkrijk telde meer dan drie miljoen mensen, die voor een deel gevestigd waren in omvangrijke stedelijke gebieden als Dwaben met zijn veertigduizend inwoners. Ter vergelijking: Engeland bezat toentertijd elf miljoen inwoners en een stad als Manchester negentigduizend. Naast een hoog ontwikkeld politiek bestel kenden de Ashanti een grote mate van sociale organisatie - met functies zelfs als die van belastinginspecteur of verkeersagent -, terwijl ze bovendien een leger op de been konden brengen van maar liefst tweehonderdduizend man. Ten grondslag aan al die macht en civilisatie lagen bovenal de enorme goudvoorraden die het land (ruwweg het huidige Ghana) rijk was.

Amper honderd jaar later was het beeld volkomen veranderd. De hoofdstad Kumase lag in puin, de politieke leiders waren dood of verbannen, en tienduizenden Ashanti hadden hun leven verloren op het slagveld. Het land maakte voortaan deel uit van de Britse kolonie Gold Coast en een leger van gouddelvers, rubberplanters en missionarissen stond klaar om het gebied om te toveren tot 'one of the brightest jewels in the British Crown'.

Het zijn de tussenliggende jaren, van 1806 tot 1900, die in The fall of the Asante empire aan bod komen: de confrontatie tussen de Ashanti en de militaire voorhoede van het Britse wereldrijk, die zou uitgroeien tot de langste en hevigste oorlog uit de koloniale geschiedenis van Afrika. Edgerton doet nauwkeurig verslag van de strijd: de militaire manoeuvres en tactieken, de dapperheid, om niet te zeggen bloeddorst waarmee aan beide zijden werd gevochten, en dat alles in een jongensboeken-decor van hinderlagen, verraad en ontbering. Dat laatste betrof dan vooral de Britse troepen die niet alleen met de Ashanti hadden te kampen, maar ook met de drukkende hitte en luchtvochtigheid, en allerlei ziektes als malaria en dysenterie. Desondanks hielden veel Britse officieren - ijzervreters die in alle uithoeken van hun rijk wel eens gewond waren geraakt - strikt vast aan hun dagelijkse kopje thee met melk, zelfs tijdens een veldtocht als de kogels over hun klaptafeltje vlogen.

Al die heroïek neemt niet weg dat het verloop van de oorlog en de uiteindelijke nederlaag van de Ashanti door een heel simpele factor werd bepaald: de toenemende superioriteit van de Britse wapens. Het is dit, pas laat tot stand gekomen Europese overwicht aan wapentuig dat ook andere volken in Afrika ten slotte fataal werd. Het is hetzelfde overwicht, stelt Edgerton, dat al snel de indruk deed ontstaan dat de kolonisatie van Afrika eigenlijk maar betrekkelijk weinig moeite had gekost.

Met zijn boek wil hij dat beeld rechtzetten, laten zien dat er meer speelde dan een lijdzame onderwerping aan de 'White man's burden', dat er ook trotse koningen waren als Osei Bonsu die een hoge Britse gezant - die zojuist had uitgeweid over de zegeningen van de Britse beschaving die hij graag kwam verbreiden - fijngevoelig toevoegde (in de woorden van de gezant): “Now, how do you wish to persuade me that it is only for so flimsy a motive that you have left this fine and happy England?”