Anski

Het dragen van een T-shirt was in de dagen van Colijn geen waardevrije daad. Het hing van de kleur af of je er ongehinderd mee op straat kon lopen of met de politie in aanraking kwam. Droeg je een rood shirt dan werd je op de bon geslingerd of belandde je op het politiebureau.

In Amsterdam werd een 14-jarige scholier geverbaliseerd omdat hij een rood T-shirt droeg, dat de dag tevoren nog dienst had gedaan op een gekostumeerde fietstocht van zijn school ter gelegenheid van een jubileum van de ANWB. Om mee te dingen naar een prijs hadden alle leerlingen van de school zich uitgedost in rode T-shirts versierd met witte kruisen, voorstellende het wapen van Amsterdam. Na de fietstocht had de jongen de kruisen erafgetornd zodat het shirt geschikt was om ermee naar school te gaan.

“Waarom draag jij een rood hemd?” vroeg de agent die hem had aangehouden.

De scholier begreep de vraag niet en gaf geen antwoord.

“Weleens van het uniformverbod gehoord?”

Hij had er nog nooit van gehoord.

Van de agent kreeg hij geen uitleg. ('Verbod tot het in het openbaar dragen van kledingstukken of onderscheidingstekenen waaruit een bepaald staatkundig streven blijkt', in wezen gericht tegen de NSB en haar organen, maar in de praktijk ook toegepast op verenigingen van linkse douwtrappers).

“Is jouw vader communist?”

Omdat hij vreesde dat elk woord verkeerd zou worden opgevat, gaf hij weer geen antwoord.

“Jij gaat op de bon”, zei de politieagent. “Hoe heet jij?”

De jongen noemde zijn naam. “Milo.”

“Milo? Wat is dat voor een rare voornaam?”

“Ik kom uit Polen.”

“Wat doe je dan hier?”

De agent noteerde naam en adres en verdween met zijn vangst naar het bureau, de jongen achterlatend met het dreigement: “Je hoort er nog wel van!”

Typerende dienstklopperij anno 1934, met een ondertoon van licht antisemitisme. Antisemitisme was geen uitheems verschijnsel, het kwam ook in Nederland op grotere schaal voor dan uit L. de Jongs geschiedschrijving blijkt. Het personeelsdossier van het Nederlandse ministerie van Oorlog vatte de kwaliteiten van een dienstplichtig militair in vier woorden samen: 'Jood maar toch geschikt'.

Het was een representatief geval van officieel antisemitisme, waarvan Milo Anstadt - de scholier die op de bon ging - in zijn jeugdherinneringen meer voorbeelden geeft. Antisemitisme in parlementaire toespraken (en niet alleen in die van de NSB), in overheidsbeschikkingen, in ministeriële circulaires. Maar vergeleken met het officiële en burgerlijke antisemitisme dat hij in zijn geboorteland Polen kende, was het antisemitisme in Nederland nogal mild. 'Het lieve Nederlandse volk (...) wist met het antisemitisme heus wel raad', herinnert Milo Anstadt zich, maar het genre was - in vergelijking met het Poolse - in Nederland niet virulent noch gewelddadig.

Kwaadaardig antisemitisme, erkent Anstadt, bestond hier niet, hooguit een beheerste ofwel sluimerende versie ervan. De Nederlandse kabinetten die joodse vluchtelingen uit Duitsland terugstuurden om Hitler te vriend te houden telden weliswaar genoeg ministers die niet voor jodenvrienden doorgingen (die ingehouden ironie typeert Anstadts hele boek), maar vrijwel alle joodse organen werkten aan dat restrictieve vreemdelingenbeleid mee, uit beduchtheid dat Nederland overstroomd zou worden door vluchtelingen. Het antisemitisme, zo redeneerden, aldus Anstadt, 'joodse kringen', zou door de massale aanwezigheid van Duitse joden uit zijn sluimertoestand worden gewekt en agressievere vormen aannemen. (Milo Anstadt: Jonge Jaren. Polen-Amsterdam 1920-1940; 284 blz., uitg. Contact, Amsterdam, 1995)

Milo Anstadt is in deze bundeling van zijn memoires (waarvan het deel over zijn vroegste Poolse jeugd eerder afzonderlijk is verschenen) nog niet de televisiejournalist, schrijver en jurist, maar de jongen die in twee culturen opgroeit: een pools-joods milieu in Lwòw (nu Oekraïne), waar zijn wieg staat en een Amsterdams-joods milieu in de sociale stratificatie van net boven het proletariaat. Met een scherp observatievermogen tekent hij op een onderhoudende toon zijn eigen intellectuele en emotionele ontwikkeling tegen de achtergrond van zijn sociale omgeving. Die omgeving wordt beheerst door Oostjoden, overwegend uit Polen afkomstige, aan hun eigen cultuur toegewijde joden, die zichzelf niet zozeer betere joden vinden dan de geassimileerde Nederlandse joden alswel cultureel superieur.

Op de culturele scholingsbijeenkomsten van de vereniging Anski, waarvan hij in zijn boek een instructieve geschiedenis geeft, compenseert hij zijn gebrek aan formele scholing. Ondanks zijn geringe vooropleiding schrijft hij overigens een lenig en foutloos Nederlands. Bij Anski vindt hij de weg naar de literatuur, in het bijzonder naar de linkse Duitse schrijvers uit de jaren twintig en wordt hij salon-communist. Onder het mom van communistische wereldbeschouwing zwetsen de jongens van Anski er flink op los, heftig gelovend dat de wereld van imperialistische complotten aan elkaar hangt. Maar als de Duitsers ons land binnenvallen laat zijn politieke instinct hem toch niet in de steek. Hoewel hij het conservatieve Engeland van Chamberlain heeft leren brandmerken als de imperialistische klassevijand, voelt Milo Anstadt op 10 mei 1940 aan zijn water dat Churchill onze ware bondgenoot is.