Worst proeven tussen Dickens en Faverey; Openbare bibliotheken en de strijd om de markt

Sinds de openbare bibliotheken niet meer automatisch voor subsidies in aanmerking komen, zijn ze zich steeds sterker gaan richten op de behoeften van hun lezers. Het gevolg daarvan is dat populaire genres als de streekroman door bibliotheken meer worden ingekocht, terwijl impopulaire genres als poëzie in de verdrukking komen. “Als we mensen de trog voorhouden, wil dat nog niet zeggen dat ze eten.”

Door de drie verdiepingen tellende bibliotheek van het Brabantse Oss lopen directeur Mari Nelissen en hoofd collectievorming Hans van Duijnhoven naar een hoekje achteraf. Want Oss, vindt Nelissen, mag dan vooral bekend zijn om zijn criminaliteit en worstenindustrie; de bezoeker moet niet denken dat er geen poëzie aanwezig is. Eenmaal voorbij 8000 cd's, 3500 videobanden, 1800 cd-roms en zeventig kasten vol romantische lectuur en streekromans die de bibliotheek 'gezellig en ontspannend' heeft genoemd, spreidt de directeur glunderend zijn armen. “Eén-en-twintig meter poëzie! Ik durf te wedden dat er in de randstad grotere bibliotheken zijn met minder in huis!”

De kasten met poëzie zijn opvallend vol. Dit in tegenstelling tot de drie populaire plankjes er tegenover met het bordje versjes en gedichtjes erop. Op die plankjes staat nog een klein beetje Toon Hermans, Herman van Veen en een verzameling Candlelight, gedichten van luisteraars van het gelijknamige radioprogramma. Maar de rest is uitgeleend. “Aan deze planken kun je zien of er veel getrouwd en gestorven wordt”, zegt Nelissen. “Bepaalde momenten in het leven zijn blijkbaar poëtisch. Dan wil men nog wel een versje.”

De uitleencijfers van de overige 21 meter poëzie zijn teleurstellender. De 17.000 leden die de middelgrote bibliotheek van Oss (62.000 inwoners) heeft, leenden in 1994 samen 600.000 'banden', zoals boeken, cd's, tijdschriften en alles wat er verder nog uitleenbaar is. Maar nog geen half procent van die uitgeleende werken bestond uit poëzie: 1500 keer werd er vorig jaar een dichtbundel uitgeleend, ínclusief de categorie versjes en gedichtjes. De volle poëziekasten in de bibliotheek zijn dan ook een erfenis uit betere tijden. De Osse bibliotheek schaft nu, naast cd's, videobanden en gemiddeld 35 romans en 55 boeken uit de sector 'non-fictie', per week nog maar één dichtbundel aan. Tien jaar geleden was dat, hoe weinig imponerend ook bij zulke aantallen, nog het dubbele. “We proberen nu in ieder geval ons aanbod te handhaven door zo min mogelijk poëzie af te schrijven”, zegt Hans van Duijnhoven. “Maar als we mensen de trog voorhouden, wil dat nog niet zeggen dat ze eten.”

Zwembaden

De bibliotheek van Oss begint in het aanhouden van minder populaire werken een uitzondering te worden. Steeds meer Nederlandse bibliotheken schaffen steeds minder aan van wat 'het publiek niet lust', zoals een bibliothecaris het noemt. Dat komt pijnlijk duidelijk aan het licht in de boze brief die Maarten Asscher, directeur van uitgeverij Meulenhoff, in januari schreef aan de Nederlandse Bibliotheek Dienst (NBD). Deze dienst regelt voor bibliotheken centraal de inkoop van nieuwe titels. Tot ontzetting van Asscher had de NBD van de dichtbundel De gevelreiniger en anderen van Arjen Duinker slechts elf exemplaren besteld voor de ongeveer 1200 bibliotheken die Nederland telt.

Ook de vereniging van openbare bibliotheken NBLC is verontrust over de invloed die de smaak van het grote publiek op de titels in de kast begint te krijgen. Het NBLC heeft daarom aangekondigd dit najaar samen met het ministerie van OCW het aanschafbeleid van bibliotheken te gaan onderzoeken. Uiteindelijk moet dan duidelijk worden, aldus voorlichter R. Kooyman van het NBLC, 'hoe we kunnen zorgen dat iedere titel voor iedere gebruiker beschikbaar blijft.'

Het Nederlandse bibliotheekbeleid wordt al jaren niet meer bepaald door 'een club van boekenliefhebbers die alleen naar het aanbod op de boekenmarkt keek en die het weinig kon schelen of het allemaal ook werd uitgeleend', zoals Kooyman de oude situatie omschrijft. In die tijd, van 1975 tot 1987 om precies te zijn, vielen de bibliotheken nog onder de Bibliotheekwet. Dat hield in dat het Rijk het bibliotheekpersoneel - de hoogste kostenpost - betaalde en vijftien procent van de overige kosten voor zijn rekening nam. De plaatselijke overheden vulden dat bedrag daarna ruim aan, want iedere gemeente was volgens de wet verplicht haar bibliotheek optimaal te laten functioneren. Landelijk was het totale bibliotheekbudget in die tijd ruim 900 miljoen gulden. Iedere bibliotheekdirectie bepaalde zelf wat er werd aangeschaft. Theoretisch werd dat weliswaar gecontroleerd door vier inspectieteams van de overheid, 'maar die kwamen zelden langs', zegt Kooyman.

Nadat de toenmalige minister Brinkman van WVC de bibliotheeksubsidies in 1983 met twintig procent had gekort en in de daaropvolgende jaren decentralisatie van de bibliotheken was doorgevoerd, veranderde de situatie definitief met de Welzijswet van 1987. Bibliotheken zijn sindsdien niet meer als 'basisvoorziening' erkend. Ze zijn volledig afhankelijk van de goodwill van gemeente en provincie, die het geld dat ze krijgen uit de gemeentefondsen naar eigen inzicht mogen uitgeven. Ze kunnen voor bibliotheken kiezen, maar ook voor sporthallen, zwembaden en andere gemeentelijke voorzieningen. Aan de ruim 600 bibliotheekorganisaties met hun 1200 vestigingen in Nederland gaven de gemeenten het afgelopen jaar volgens het ministerie van OCW in totaal 786 miljoen gulden uit, 114 miljoen minder dan in de hoogtijdagen van de Nederlandse bibliotheek, toen er ruim honderd instellingen en bijna driehonderd vestigingen minder waren. Van die 786 miljoen gulden die vorig jaar werd uitgegeven was 123 miljoen bestemd voor het mediabudget. Voor de aankoop van boeken, maar ook voor cd's, videobanden en andere media als cd-i. De rest van het geld werd voor het grootste deel besteed aan personeel en huisvesting.

“Bibliotheken zijn zich met de komst van de bezuinigingen en de verantwoording die ze moeten afleggen bij de gemeenten bewust geworden van hun klantenkring”, zegt Kooyman van het NBLC. “Bovendien werd met de opkomst van de automatisering plotselijk pijnlijk zichtbaar hoeveel er niet werd uitgeleend.” In Oss geeft Hans van Duijnhoven ('Duinker hadden we nog niet, maar we gaan hem zeker kopen nu hij door alle publiciteit rond Asschers brief bekend is bij het publiek') daarvan een kleine demonstratie. Hij vraagt wat titels per computer op. Paul van Ostayens Bezette Stad blijkt sinds de aanschaf in 1975 zestien keer te zijn uitgeleend, de Gedichten van Cola Debrot sinds 1985 drie keer, en Hans Favereys Zijden Kettingen sinds 1983 slechts zes keer. Toon Hermans' Groot Versjesboek van het plankje 'versjes en gedichtjes' werd in diezelfde tijd liefst 141 maal uitgeleend.

Koffiepot

Een grotere concurrent dan Toon Hermans is voor de poëzie en andere, weinig populaire literatuur, de ontspanningslectuur. Behalve griezelverhalen en liefdesromans beginnen de streekromans, en dan vooral die van de populaire Mien van 't Sant, symbolisch te worden voor het leengedrag van de gemiddelde lezer en het gewijzigde bestedingspatroon van veel bibliotheken. In de 20.000 banden tellende bibliotheek van Zwartsluis, een van de kleinste in Nederland, toont hoofdbibliothecaris Willy Post de poëziecollectie die tweeënenhalf plankje groot is. Ze is er, zegt ze, 'gezien de omstandigheden best trots op'. Want de 4431 overwegend protestants-christelijke inwoners van Zwartsluis, waarvan er 1200 lid zijn van de bibliotheek, leven zich liefst uit in de 53 plaatselijke sport-, muziek- en andere verenigingen, en in streekromans. “Er zijn ook wel mensen die van literatuur houden”, zegt Post, “maar die hoor of zie je niet. De streekroman-fans bespreken hun nieuwste lectuur hier op zaterdagochtend luidruchtig rond de koffiepot, of sturen hun echtgenoot langs om even zeven 'leuke' boeken op te halen, die ik dan voor ze moet uitkiezen.”

Willy Post koopt daarom iedere nieuwe streekroman, gemiddeld drie per week, tegen slechts één dichtbundel per jaar. “In de jaren '80 hield ik geld over”, aldus Post, wier mediabudget in tien jaar van 35 tot 25 duizend gulden werd verlaagd. “Voor een paar duizend gulden ging ik dan aan het eind van het jaar lekker extra échte literatuur inslaan bij de NBD. Maar nu is de vraag essentieel geworden. Want zeker een kleine en arme gemeente als Zwartsluis moet weten of haar subsidies ook nuttig besteed worden. En dat betekent hier: of er van de aankopen ook gebruik wordt gemaakt.”

Toch vindt ook Post de situatie niet zo treurig als ze door het aanbod in haar kasten lijkt: “Wat iedereen in de discussie vergeet, is dat we tegenwoordig een interbibliotecair leenverkeer hebben. Deze bibliotheek hoort bij de overkoepelende Overijsselse bibliotheekcentrale. Wie een dichtbundel wil die ik niet heb, vindt hier in ons gezamenlijke computersysteem de dichtstbijzijnde bibliotheek die het wel heeft.” Belangrijker dan de kwantiteit van 'moeilijke' genres in haar kasten, vindt Post de kwaliteit van het totale aanbod van de gezamenlijke bibliotheken.

Filialen

Volgens J. van Velzen, directeur van de openbare bibliotheek van Amsterdam die, met een totaal budget van dertig miljoen gulden en een collectie van bijna anderhalf miljoen banden, samen met de bibliotheek van Rotterdam de grootste van Nederland is, worden de weinig populaire genres ook in zijn bibliotheek bedreigd naarmate de communicatie tussen bibliotheekvestigingen beter wordt. De Amsterdamse bibliotheek heeft volgens Van Velzen weliswaar 'alles' in huis en koopt ook 'alles' aan, maar collectioneert 'wijkgericht'. “We stemmen de hoeveelheid minder populaire genres in onze achtentwintig filialen af op de behoefte ter plaatse”, aldus Van Velzen. “We zetten geen kasten vol dichtbundels meer neer op een op een plaats waar niemand ze leest. Via ons computersysteem zijn ze snel genoeg te vinden en op te vragen en dus is, gezien de vraag die ernaar is, soms één exemplaar van een bepaald werk voldoende voor achtentwintig filialen.”

De afdeling fictie van de centrale bibliotheek in de Amsterdamse binnenstad is, dat geeft bibliothecaresse Ans Waterschoot onmiddellijk toe, in het geheel niet representatief voor het landelijke beeld: 'Het is een grachtengordelbibliotheek'. Hier worden de top-tienen met de meest uitgeleende schrijvers van poëzie en romans volledig bevolkt door literaire auteurs. “Streekromans krijg ik nauwelijks de deur uit, terwijl de poëzie voortreffelijk loopt.” De Nederlandse uitgevers die zich beklagen over het geringe aantal dichtbundels dat door de meeste bibliotheken wordt aangeschaft moeten volgens Waterschoot 'eerst maar eens de hand in eigen boezem steken': “Een prachtig voorbeeld dat me al jaren heel hoog zit is Een liefde van Lodewijk van Deyssel. Een klassieker, staat op álle literatuurlijsten, maar ik kan het hier niet aanbieden omdat het nergens te krijgen is. De uitgevers laten zich nog veel meer dan wij door het grote publiek leiden.”

Uitgever Maarten Asscher blijft er echter bij dat de bibliotheken ten onrechte dreigen te vercommercialiseren. “Veel bibliotheken verdienen nu wat bij aan de uitleen van cd's, waarvoor ze een paar gulden vragen, of met zogenaamde 'sprinters', goedlopende actuele titels die voor ƒ 2,50 per stuk worden uitgeleend. Maar bibliotheken zijn er niet om winst te maken, maar om hun culturele rol in het oog te houden. Die heeft de overheid de afgelopen jaren onvoldoende gecontroleerd.”

Volgens Hans van Duijnhoven van de bibliotheek in Oss doen de verhuurde cd's en de sprinters, die in Oss 'hardlopers' heten, geen afbreuk aan de culturele taak van de bibliotheek. “Met de opbrengst uit de cd's met popmuziek kunnen we een mooie en weinig geleende collectie klassieke muziek betalen, net zoals een uitgever met een goedlopende titel wat moeilijker verkopend werk uitgeeft. De hardlopers worden volledig bekostigd uit wat ze zelf opbrengen en ze zorgen er zo voor dat actuele literaire titels in voldoende mate voorhanden zijn, nu we daar zelf eigenlijk geen geld voor hebben. Dat is ook goed voor de uitgevers, maar die willen kennelijk vooral het slecht lopende werk aan ons slijten.”

Redding

Oss is nu als een van de eerste bibliotheken aan het pionieren met de cd-rom. Terwijl de Tweede Kamer nog moet besluiten of dit soort digitale informatie in bibliotheken verboden moet worden, heeft Oss al 1800 stuks in huis. “Juist om aan te geven hoe noodzakelijk het is.” Van Duijnhoven laat een cd-rom zien waarop 150 Engelstalige literaire klassieken staan: “Dickens, Shakespeare, noem maar op, en dat kost 125 gulden! Dít is de toekomstige redding van de Nederlandse poëzie!”

Zal het onderzoek van het NBLC leiden tot de aanschaf van meer exemplaren uit moeilijke genres, zoals de uitgevers graag willen? Iedere uitgever vindt zijn eigen titels het belangrijkst, zegt R. Kooyman van het NBLC, “en het blijft natuurlijk onzin om al die twaalf duizend titels die per jaar in Nederland op de markt komen in iedere bibliotheek neer te zetten.” Daarom zal het NBLC vooral gaan onderzoeken of de volledig gedecentraliseerde bibliotheken op landelijk niveau zodanig kunnen samenwerken dat “de bewaarfunctie en het actuele aanbod van de gezamenlijke bibliotheken optimaal zijn, en de collecties zo toegankelijk mogelijk voor iedereen,” aldus Kooyman. De samenwerking waarop hij doelt, zou moeten lijken op een combinatie van de gezamenlijke automatisering waarmee de kleine bibliotheken als die in Zwartsluis al binnen elf overkoepelende provinciale bibliotheekcentrales op elkaars bestanden zijn aangesloten, en op de 'wijkgerichte' wijze waarop de Amsterdamse bibliotheek haar collectie nu over de verschillende filialen verspreidt. Men denkt over een gemeenschappelijk geautomatiseerd systeem, waarin de collecties op elkaar worden afgestemd, zodat het aanbod zo niet in kwantiteit, dan toch in kwaliteit overeind blijft.

“De bibliotheken gaan ongetwijfeld tegensputteren als ze zien dat de collega's in een dorp verderop de titels mogen aanschaffen die ze zelf graag in huis zouden hebben”, zegt Kooyman. De op een na grootste bron van zorg van het NBLC noemt hij daarom het afbakenen van een basiscollectie van werken die daarnaast in iedere bibliotheek beschikbaar moeten blijven. “We hopen dat de huidige selectiecriteria van de bibliotheken in voldoende mate op elkaar lijken om wat dat betreft tot overeenstemming te komen. Ons onderzoek moet uitwijzen wat die criteria zijn.”

Het allergrootste probleem blijft de smaak van het publiek. “We kunnen de collecties poëzie en andere lastige genres nog zo toegankelijk maken - als mensen niet weten dat het de moeite waard is, blijven ze toegankelijk en al in de kast”, zegt Kooyman. In Zwartsluis komt daarom iedere klas van de twee plaatselijke basisscholen één uur per week in de bibliotheek op bezoek. “Ze moéten een boekje lenen, en dat moéten ze lezen”, zegt Post.

Veel heeft het in Zwartsluis nog niet uitgemaakt. Ook de kinderen die op deze wijze de gehele bassischool hebben doorlopen en inmiddels voortgezet onderwijs volgen, geven meestal de brui aan het lezen. In Oss organiseert de bibliotheek talloze lezingen met beroemde auteurs. Maar een van de meest succesvolle bleef toch die van de Osse slager, die met het oog op de plaatselijke cultuur mocht komen uitleggen waarom zijn worsten altijd prijzen winnen, met proeven na afloop.

De bibliotheek in Oss organiseert nu een ambitieus poëzieproject. Plaatselijke popbandjes mogen muziek maken bij speciaal voor de gelegenheid geschreven poëzie van bekende dichters, wat ook nog op cd wordt gezet. Toch is de kast met 'verplichte leeslijst'-boeken, in de drukste dagen van de mondelinge schoolonderzoeken, bomvol. Naast de bijna lege kast met uittreksels daartegenover kijkt een eindexamenkandidaat mistroostig. Voor lezen heeft hij eigenlijk geen tijd, zegt hij desgevraagd, en van poëzie houdt hij niet. “Dat gaat zo moeilijk diep.”