Tussen Vrouwe Sofia en Vrouwe Fortuna; De waarde van de kunstverzameling van Joost Ritman

De in financiële moeilijkheden geraakte zakenman Joost Ritman, wiens kapitale boekenbezit tot beschermd cultuurbezit is verklaard, kocht in de periode 1976-1992 voor 94 miljoen gulden aan kunst. Dat is vergelijkbaar met het bedrag dat de Nederlandse musea samen voor hun belangrijkste aankopen neertelden. De kunstcollectie wordt dit jaar verkocht, maar wat is eigenlijk de waarde ervan?

Veilingen van onderdelen van de Ritman-collectie: zilver 16 mei bij Sotheby's Genève; glas in november bij Sotheby's Londen; oosterse tapijten deels in New York en deels bij Sotheby's Londen (november?); schilderijen los te koop bij Noortman, Londen; Rembrandt-etsen: bij Artemis in Londen; één koper wordt gezocht; juwelen bij Sotheby's (nog geen datum vastgesteld).

Zelfs onder bezeten kunstverzamelaars is het in dit land een zeldzaamheid wanneer iemand zich volledig laat meeslepen door wat Werner Muensterberger de 'unruly passion' van het verzamelen noemt. Joost Ritman is zo iemand. In veertig jaar tijd zag hij kans een privé-collectie bijeen te brengen van Rembrandt-etsen (112 bladen), zestiende- en zeventiende-eeuws Nederlands goud en zilver (meer dan honderd objecten), glas (iets minder dan 100 objecten), majolica, parelmoer, ivoor en meubels. Tot maart 1995, toen grote delen ervan verkocht moesten worden, kon zijn verzameling zich in een aantal van deze categorieën zich meten met die van menig belangrijk museum. Hoewel hetzelfde niet gezegd kan worden van de groep van 25 schilderijen, vormde die toch een van de kostbaarste particuliere collecties van het land.

Wat Ritman bijeen gebracht heeft aan tekeningen, tegels, keramiek, klokken, beelden en textiel uit de Gouden Eeuw mag met recht opmerkelijk genoemd worden; zijn collectie Art Nouveau-sieraden is van grote klasse; en de gemiddelde verzamelaar zou lang niet ontevreden zijn met Ritmans oosterse tapijten, Chinees porselein, Egyptische oudheden en Russische lakdozen, verzamelgebieden die niet zijn grootste belangstelling hadden.

Alleen al hierom mag men Ritman beschouwen als verreweg de grootste Nederlandse verzamelaar van dit ogenblik. Toch zijn kunst en antiek minder belangrijk voor hem dan zijn boeken en manuscripten. En niet alleen voor hem.

De Bibliotheca Philosophica Hermetica (gesticht in 1975) die 16.000 delen omvat, waaronder ongeveer 1000 manuscripten en incunabula, werd op 24 november 1994 op de lijst van beschermd Nederlands cultuurbezit geplaatst als 'het enige vrijwel complete centrum (in Nederland en daarbuiten) waar onderzoek op het gebied van de christelijk-hermetische traditie kan worden beoefend'. Deze traditie is genoemd naar Hermes Trismegistus, een Egyptische godheid die de beschermer is van kosmische en natuurwetten, het menselijk verstand en de geest. Voor Ritman bevat de bibliotheek het gedachtengoed van allen die in Europa en het Nabije Oosten op zoek zijn geweest naar het verband tussen de Schepper, de kosmos en de mens.

Ritman werd in 1941 geboren in een Rozekruiserfamilie. Hij relateert al zijn daden aan de leer van dit 'Christocentrische' geloof en is geneigd te denken in twee-, vier-, vijf- en zeventallige concepten, maar vooral in drietallige. Schepper, kosmos, mens; het spirituele, het verstandelijk/artistieke en de vorm; religie, wetenschap/cultuur, stoffelijkheid. In Ritmans eigen leven bestaat deze triade uit zijn bibliotheek, zijn kunstverzameling (bijna geheel ondergebracht in een firma met de naam Dutch Renaissance Art), en het familiebedrijf De Ster, producent van wegwerp-eetgerei ten behoeve van luchtvaartmaatschappijen.

“Mijn bedrijf omspant de aarde,” zegt Ritman; “de bibliotheek de westerse wereld. De kunst concentreert zich op Nederland. Ik wilde met mijn collectie van Hollandse kunst en antiek het beste naar Nederland terugbrengen van wat ons land op het toppunt van haar creatieve kracht heeft voortgebracht. Op mijn vijfendertigste, de leeftijd die de zomer van het mensenleven inluidt, begon ik met het verzamelen van belangrijke kunstwerken. Het geld daarvoor had ik verdiend in het hoogtij van mijn levenslente, tussen mijn achtentwintigsteen mijn vijfendertigste.”

Parelmoeren bloemstuk

Ritmans kunst en zijn bibliotheek zijn ondergebracht in zijn eigen huis, een zeventiende-eeuws pand aan de Amsterdamse Bloemgracht. Niet een erg deftig adres, maar het is de plek waar De Ster sinds Ritmans geboorte gevestigd is, de plek waar hij, zoals hij zegt, thuishoort. Zelfs na de verkoop van een deel van zijn collectie bezit hij nog meer dan duizend kostbare objecten die hem dagelijks omringen. Het is zeker niet het huis van een periode-purist. Stoelen en banken zijn gekozen op comfort, niet op stijl. Op nog geen meter afstand van een verfijnd zeventiende-eeuws parelmoeren bloemstuk waarvan de blaadjes als door een wonder naar groen iriseren en de bloemen naar roze, hangt een rijtje amateuristische tekeningen met Rozenkruizer motieven.

Al Ritmans bezittingen hebben een diepere betekenis voor hem. Het eerste oude boek van zijn bibliotheek, de Aurora van de Duitse mysticus Jacob Böhme in de uitgave van 1653, kreeg hij in 1964 van zijn moeder. Toen hij in 1978 begon met het verzamelen van de etsen van Rembrandt, was de Faust een van zijn eerste aankopen. Ritman associeert deze Duitse mysticus met Christian Rosencreutz zelf, de man aan wie de Broederschap zijn naam ontleent. Sedertdien heeft hij nog twee drukken van de Faust gekocht en toen twee jaar geleden de etsplaat zelf te koop was, verwierf hij die ook. In deze aankopen, zoals in alles wat hij doet, zegt Ritman, wordt hij door goddelijke inspiratie geleid. “God is een oneindige cirkel die niet begrensd is en wiens centrum alomtegenwoordig is. Waar ik ook ben, en wat ik ook doe, altijd heb ik toegang tot dat middelpunt. Ik put direct uit de bron. Mijn motto is Ad Fontes.”

Ritman verzamelt niet alleen voor de heb. Weinigen kloppen tevergeefs aan om een bruikleen voor tentoonstellingen; hij is een royaal sponsor bij kunstaankopen en tentoonstellingen van musea. In 1993, toen het water hem aan de lippen stond, droeg hij 100.000 gulden bij tot de aankoop door het Rijksmuseum van Rembrandts Portret van Johannes Wtenbogaert, een man die hij bewondert als geestelijk leidsman. Wanneer Ritman zegt dat het hem niet gaat om het accumuleren van eigen bezit, maar om het bevorderen van communicatie op het gebied van kunst en cultuur, kan niemand hem beschuldigen van schijnheiligheid.

De schaal waarop Ritman verzamelde was zo immens, dat de enige cijfers die in de buurt komen, de bedragen zijn die alle Nederlandse musea samen voor hun belangrijkste aankopen neertellen. Aangezien Nederlandse musea over een beperkt aankoopbudget beschikken, zijn zij gedwongen bij anderen aan te kloppen wanneer ze iets duurs op het oog hebben. Hun belangrijkste bron buiten de overheid is de Vereniging Rembrandt, in 1883 gesticht tot het behoud van Nederlands cultureel erfgoed. Gemiddeld verschaft de Vereniging Rembrandt zo'n 40% van de gelden voor de aankopen waaraan zij haar fiat geeft. In de vijf jaar van 1984 tot 1988 droeg zij bij aan kunstaankopen van zo'n zes miljoen gulden per jaar. (Buiten beschouwing gelaten is het grootste aankoopbedrag, de tien miljoen gulden voor Rembrandts Haesje Claesdr.; de bijdrage van de Vereniging Rembrandt bedroeg in dit geval aanzienlijk minder dan 40%.) In dezelfde periode kocht Ritman kunst en antiek voor gemiddeld viereneenhalf miljoen per jaar. Kijken we alleen naar de gebieden waarop zowel Ritman als de musea actief waren - schilderijen van Nederlandse meesters (alweer zonder Haesje) en zilver - dan blijkt dat Ritman aan schilderijen bijna evenveel uitgaf als alle Nederlandse musea bij elkaar en aan zilver meer dan drieëneenhalf maal zoveel. Op het gebied van glas, tapijt, ivoor en parelmoer stond Ritman op eenzame hoogte. Hijmonopoliseerde vrijwel de gehele markt.

Golfoorlog

Het is al uitzonderlijk dat één enkele man midden in de jaren tachtig meer geld uitgaf aan zeventiende-eeuwse kunst dan alle Nederlandse musea bij elkaar, nog onbegrijpelijker zijn de cijfers voor het jaar 1989 en voor 1990. In die twee jaar telde hij ruim vijfmaal meer neer voor zijn kunstaankopen dan het totaalbedrag van alle belangrijke aankopen door alle musea in Nederland bij elkaar.

In 1991, in de overgang tussen de zomer en het herfsttij van zijn leven, ging Ritman onderuit. De Golfoorlog legde het vliegverkeer voor passagiers gedeeltelijk lam terwijl de bank die tot dan toe zijn aankopen had gefinancierd (NMB) fuseerde met de Postbank tot de ING Bank. Deze instelling was minder onder de indruk van zilver, ivoor, schilderijen en mystieke boeken als kapitaal dan de NMB was geweest. De ING bevroor Dutch Renaissance Art en de Bibliotheca Philosophica Hermetica en zette Ritman af als directeur van De Ster. Vijf jaar van manoeuvreren en onderhandelen leidde tot de huidige situatie wat de collecties betreft: in november 1994 werd de bibliotheek tot beschermd cultuurbezit verklaard, en maart 1995 zag de verkoop van vijf categorieën: schilderijen, Rembrandt-etsen, glas, zilver en oosterse tapijten. Ze werden gekocht door een consortium gevormd door de kunsthandels Noortman (schilderijen) en Artemis (etsen) en door Sotheby's (de rest).

De keuze uit de verschillende mogelijkheden die openstonden was, zegt Ritman, geen moeilijke zaak. “Als verzamelaar stond ik onder de hoede van twee beschermvrouwen: Vrouwe Sofia (Wijsheid) bracht mij mijn boeken en Vrouwe Fortuna mijn kunst. Bij Vrouwe Fortuna hoort het Rad van Fortuin. Wie haar volgt weet dat hij even makkelijk naar boven als naar beneden meegevoerd kan worden. Wie niet tegen verlies kan moet geen bezit hebben. De bibliotheek daarentegen staat onder het teken van Vrouwe Sofia. Wijsheid gaat niet op en neer. Wijsheid groeit. Mijn bibliotheek moest ik dus wel zien te behouden, ook al is die in zijn stoffelijke vorm een gijzelaar van de Fortuin.”

Wat kocht Ritman en hoeveel zijn zijn kunstwerken afzonderlijk en als cluster van verzamelingen waard? Het draait nu om de knikkers, en dus zijn dat de meest pertinente vragen. Het gaat om stukken waar Ritman zo'n 94 miljoen gulden voor heeft uitgegeven. Meer dan de helft van dat bedrag gaf hij uit in1989 en 1990. Deze jaren bleken achteraf de absolute topjaren te zijn geweest voor prijzen op de kunstmarkt - maar ook, in het recente verleden, topjaren voor de kwaliteit van het aanbod.

Van de collecties die nu naar de veiling gaan zijn de zeldzaamste het glas en het zilver. Veel van Ritmans zeventiende-eeuws glas is het produkt van twee verschillende makers: de glasblazer en de graveur. De eerste was gewoonlijk een anonieme handwerksman in dienst van een werkplaats in Holland, Vlaanderen, Frankrijk of Venetië; de tweede meestal een niet met name bekende amateur. Ritman bezat echter een gesigneerde bokaal van een van de bekendste van deze graveurs, Willem van Heemskerck. Veel dergelijk glas werd gemaakt ter gelegenheid van een bruiloft of een doop, ter herinnering aan een overledene of om een politieke affiliatie aan te geven. Het opmerkelijkste stuk in de collectie is een gewoon fluitglas waarop met diamantstift een portret van de jonge Willem III is gegraveerd, gekopieerd van een prent uit die tijd. Het aanbod van deze breekbare waar is vrijwel opgedroogd en als de collectie niet in zijn geheel wordt gekocht, zoals Ritman dat in 1989 deed op de Guépin-veiling waarvan een derde van deze stukken afkomstig zijn, is het nauwelijks voorstelbaar dat een dergelijke verzameling ooit nog bij elkaar gebracht zal kunnen worden. Gebaseerd op wat Ritman er zelf voor betaald heeft, vertegenwoordigt de glasverzameling niet meer dan 6,1% van de totale waarde van zijn verzameling.

Nautilusschelpen

Het oude Hollandse (en Vlaamse - de grenzen zijn onscherp) goud en zilver vertegenwoordigt ongeveer 15% van de totale geldwaarde van de collectie. De kostbaarste zeventiende-eeuwse stukken werden gemaakt voor officiële instanties - stadsbesturen, de schutterij, gilden. Daardoor waren deze waardevolle objecten toegankelijk voor veel burgers die iets dergelijks nooit zelf zouden kunnen betalen. Bij speciale gelegenheden ging een zilveren bokaal rond waaruit iedereen dronk. Het pronkstuk uit Ritmans collectie (oneerbiedig voorbijgaand aan een plaquette van de hand van Adam van Vianen en een schaal door Christiaen van Vianen) is een stuk vaatwerk in de vorm van een steigerend paard, rond 1600 vervaardigd waarschijnlijk voor de Gorkumse schutterij. De meer dan 100 stukken omvatten alle mogelijke vormen en technieken waarin met zilver werd gewerkt: er zijn monturen met nautilusschelpen en kokosnoten, molenbekers, kandelaars, terwijl ook de meer alledaagse variëteiten vertegenwoordigd zijn.

De aantrekkingskracht van de Art Nouveau-sieraden (13,7% van de aankoopwaarde van de collectie) lag voor Ritman in hun terugkeer naar de natuur, maar ook hun symbolistische element telde voor hem mee. In 1990 verwierf hij een van de grootste toen bestaande collecties kammen. Sotheby's Londense juwelenexpert Philippe Garner is verrukt van deze “zorgvuldig uitgelezen verzameling, die niets willekeurigs heeft.” Er zijn, zegt hij, kapitale stukken bij van de grootmeesters van Art Nouveau, Lalique en de Fouquets. Hij noemt ze “kunstenaars-unica van uitgesproken signatuur,” in tegenstelling tot de commerciële produkten die deze meesters ook maakten. Vele zijn nooit gedragen, veronderstelt Garner. Voor dit deel van de verzameling, dat Sotheby's mij niet wilde laten zien, veronderstelt men dat het veilinghuis één koper zoekt.

Van de 122 Rembrandt etsen (25,1%) behoren twee tot de meest gezochte uit het hele oeuvre: een Ecce Homo (de ongeëvenaarde druk afkomstig uit de Chatsworth verzameling), en één van de beste drukken van de 'Honderd gulden-prent', waarop Christus de kinderen tot zich laat komen. Een specialist op het gebied van de Nederlandse prentkunst van het Rijksmuseum die de collectie goed kent, zegt dat de nadruk ligt op eersteklas, ongebruikelijke, experimentele drukken. Veel prenten zijn afkomstig uit bekende historische verzamelingen en zijn minder vaak van eigenaar verwisseld dan meestal het geval is. Ritman zegt dat hij om zijn 122 bladen bijeen te brengen minstens 4000 prenten door zijn handen heeft laten gaan. Heel passend biedt Artemis deze collectie dan ook in haar geheel aan.

Het duurste deel van de verzameling wordt gevormd door de schilderijen van oude Nederlandse meesters die 32% van het bestede totaal vertegenwoordigen. Enkele ervan behoren in mijn ogen tot het beste dat door de respectieve meesters is voortgebracht. In deze categorie plaats ik onder meer de Zeeslag bijBergen van Willem van de Velde de Oude, Ludolf Bakhuysens Prinses Maria, Jan Steens Kaartspelers met een meisje dat de hartenaas verbergt en een Vrouw met bezem door David Teniers de Jonge. Er is geen reden deze schilderijen te beschouwen als een samenhangend geheel; Noortman heeft na een maand al zes stukken uit de groep verkocht. De Zeeslag bij Bergen wordt in consignatie tentoongesteld in het Scheepvaartmuseum in Amsterdam. (De resterende 7,9% van de objecten zijn de oosterse tapijten die in november onder de hamer gaan in New York en Londen.)

Joost Ritmans optimisme is fenomenaal. Was het eerst zijn ambitie om kunstschatten terug te geven aan zijn geboorteland, nu ze naar de vier windstreken verspreid dreigen te raken noemt hij ook dat een passende bestemming. “Laat ze de ambassadeurs van Nederland in de wereld zijn. Ze zullen altijd verbonden blijven met mijn naam. Dan heb ik toch iets bijgedragen. Hermes zegt dat je alles wat je ontvangt en vervolgens prijsgeeft, vernieuwt. Het gaat in het leven niet om het behoud maar om de voortzetting. Ik heb de stukken uit mijn collectie vernieuwd. Omdat mijn naam synoniem is met kwaliteit zullen ze meer aandacht krijgen dan anders. De Nederlandse Gouden Eeuw vaart wel bij het verspreid raken van mijn kunstwerken. Echt van mij waren ze trouwens toch nooit.”