Orgelklanken als een driftaanval

Orgelconcert door Gottfried Sembdner en anderen. Werken van Vriend, Van Rossum, King, Van de Putte en Adriaansz. Gehoord 12/4 Laurenskerk Rotterdam. Uitzending Radio 4, VPRO 15/5, 22.00 uur.

Onbeholpen, hoekig en stijf: zo bezag de avantgarde na de oorlog het orgel. Totdat de geniale en hoogst excentrieke Zweedse pianist-organist Karl-Erik Welin door zijn nieuwe technieken in het begin van de jaren zestig componisten als Bengt Hambraeus, Ligeti en Kagel inspireerde tot een revival in quasi-elektronische clustermuziek. De trage olifant werd een wendbare tijger, katachtig snel in kleuren veranderend door virtuoze bespeling van de registers.

Welin overleed dit jaar. Jonge orgelvernieuwers zoals Peter Adriaansz en Piet-Jan van Rossum schrijven geen clusters meer, hun idioom verwijst veeleer naar de Franse speelstijl van pakweg Guillou tot Messiaen. Adriaansz en Van Rossum waren de organisatoren van een orgelproject eergisteravond in de Rotterdamse Laurenskerk. Alleen Jan Vriends Jet's d'Orgue (1986-1991), een soort driedelige orgelsymfonie van liefst een uur lengte clusterde er in het derde deel nog wel degelijk op los, maar liet dat verrassend verlopen in een citaat uit Beethovens Eroïca.

Elk van de drie delen van Jet's d'Orgue is weer driedelig onderverdeeld. Het begint steeds met een klankexplosie die de kerk geheel vult, waarna het middendeel in een uitdunning oude orgeltechnieken incorporeert, terwijl het derde deel alle orgelfoefjes letterlijk en figuurlijk uit de kast haalt. Razend virtuoze muziek, razend virtuoos door Sembdner vertolkt, daaraan deed een ongelukje aan het eind van Jet's I niets af. De muziek, hel en fel, soms scriabinesk kleurig, klaterend en ratelend, is als één grote driftaanval. In Jet's II komt een cadens voor waarin de registranten de taak van de organist overnemen en het muzikale discours bepalen. Het eerste deel vind ik het sterkst, daar verliep de spanning geen moment. In de andere delen springt Vriend net iets te veel van de hak op de tak en wisselen sterke en zwakkere momenten elkaar af.

Dat laatste is ook het geval in Van Rossums bij vlagen boeiende Acqua, Vive! (1993), terwijl Adriaansz in Fast Movement (1993) zich geconcentreerder toont. Het thema van dit orgelproject was gewijd aan de parameter 'snelheid'. Die was bij Vriend in elk opzicht prominent aanwezig, bij Van Rossum in een snelle opeenstapeling van motieven en bij Adriaansz juist in een versnelling over de grote vorm heen. Maar Jan van de Putte wenste zich daar volstrekt niet aan te houden. Zijn bijdrage onder de titel Terra (1989-1995) vond ik verreweg het boeiendst. Lang doorklinkende bassen en traag chromatisch voortkruipende bovenstemmen, heel egaal van klank en dun gezet, ontwikkelen zich nauwelijks. Los bespeelde klokken en zelfs de klok van de toren zijn geïntegreerd in deze rituele kaalslag die in krakend slagwerk (als in Japanse theatermuziek) zijn einde vindt.

Vriend componeerde Lava Rivers, maar zijn muzikaal landschap blijft toch menselijk virtuoos, terwijl dat van Van de Putte prehistorisch lijkt. Hij riep bij mij althans visioenen op van reusachtige reptielen, die zich tevergeefs trachtten te redden door zich vast te klampen aan los rollende stukken basalt.

Als Van de Putte een furioso inzet is hij mij te dramatisch. Ik vind hem op zijn sterkst waar zijn muziek zacht klinkt en hij zich als het ware niet toestaat uit te pakken.

Van de Putte interesseert zich niet voor clusters en klankkleuren en zeker niet als een doel op zichzelf. 'Zijn' orgel klinkt weer stijf en hoekig, maar ook intens geladen zoals niet eerder, althans in onze Westerse traditie.