Ontaard in Amsterdam

Donderdag, 27 februari 1941: 'Staking voorbij. Vreselijk weer. Klaar met Bruine zee.' Donderdag, 22 juli 1943: 'Zeer heet - depressief als altijd, en het zweet brak mij uit. Sinds lange tijd weer aan de Amstel, door lege jodenstraten.' Dinsdag, 6 juni 1944: 'De invasie kwam naar Calais... Kranten en aankondigingen gelezen op het station, daarna plotseling naar Overveen om bij Krantje-Leck [sic] pannekoeken te eten...' Maandag, 12 maart 1945: 'Was 's morgens in de dierentuin op mijn stille plekje, en bezocht het nijlpaard in zijn fraaie villa. Ze was net aan het baden. Terug door de vervallen jodenstraten.' Vrijdag, 4 mei 1945: 'Het is koud - 's avonds. Om tien uur verscheen hier bij Lütjens een Hollands meisje: VREDE!'

Dit zijn citaten uit het dagboek van de Duitse schilder Max Beckmann, die tijdens de oorlog woonde in Amsterdam. Boven de deur van zijn oude huis, Rokin 85, staat het nog te lezen, in kleine, onopvallende letters: 'Hier woonde en werkte Max Beckmann, 1937-1947'. Beneden is een Thais restaurant.

Beckmann, een formele, teruggetrokken man, was ook in zijn persoonlijke aantekeningen niet spraakzaam. De toon van zijn dagboek is melancholiek, wrang, to the point. Het is vooral voor Nederlanders zeer de moeite van het lezen waard. Want Beckmann beschreef de oorlog vanuit een ongewoon perspectief. Hij was een 'goede' Duitser, die in de tien jaar dat hij hier woonde nauwelijks een woord Nederlands heeft geleerd. Hij las Goethe, Ernst Jünger en klassieke Chinese romans - of, liever gezegd, hij liet zich vaak voorlezen door zijn devote vrouw, Quappi. George Grosz, die Beckmann 'ein humorloser Mensch' vond, noemde hem de Hermann Hesse van de schilderkunst.

Hij was een dromer, en tegelijk een man van absolute stiptheid. Als iemand iets vroeger bij hem op bezoek kwam dan was aangekondigd, kwam Beckmann naar de deur, zei dat de heer Beckmann niet thuis was, en vroeg de bezoeker het een half uur later nog eens te proberen. Het liefst zat hij in zijn eentje, of met Quappi, in bars van dure hotels. In zijn Frankfurtse tijd zat hij ook wel eens, gekleed in een smoking, in de betere stationsrestaurants. Hij observeerde het leven, maar deed er zelden aan mee. In zijn prachtige schilderijen van dansfeesten en casino's kijken mensen elkaar ook bijna nooit aan. Contactgestoordheid was misschien zijn belangrijkste thema.

Beckmanns vrienden in Nederland waren bijna allemaal van Duitse afkomst: de kunsthandelaar Dr. Helmuth Lütjens, de schilders Herbert Fiedler en Friedrich Vordemberghe-Gildewart, de schrijver Wolfgang Frommel, en nog enkele anderen. Beckmann stond geenszins sympathiek tegenover de nazi's - integendeel, hij behoorde tot de 'ontaarde' kunstenaars, en zijn schilderijen zaten, als het ware, bij zijn vriend Lütjens ondergedoken, teneinde ze niet in nazihanden te laten vallen. Maar Beckmann was niet joods, en had ook niets met het verzet te maken. Hij is daarom door de Duitse bezetters met rust gelaten, en kon zich rustig met Quappi vertonen in geliefde Amsterdamse gelegenheden, zoals Saur, het Doelenhotel, en de Charlotte-Cheri Bar. Zijn veelvuldige depressies placht hij met 'borreltjes en Goethe' te verdrijven.

Beckmann verkeerde in een zeldzame en merkwaardige positie - merkwaardiger dan bijvoorbeeld Dr. Lütjens, die allang een Nederlander geworden was. Want er zullen niet veel Duitse gojim in Amsterdam hebben rondgelopen, die even vurig op de ondergang van het Derde Rijk hoopten als de meeste Nederlanders. Maar Beckmanns blik was toch niet die van een Nederlander. Hij leed hetzelfde lot als niet-joodse Amsterdammers - luchtalarm, voedselbonnen, honger, etcetera - maar hij bleef Duits. Ook Dr. Lütjens, die dus geen Duitser meer was, kon het woord 'mof' niet verdragen.

Het moet daarom een curieus feestdiner geweest zijn, op 7 mei 1945 bij de familie Lütjens. Beckmann was een tijdje met Quappi bij de Lütjens ingetrokken, omdat hij bang was het slachtoffer te worden van anti-Duitse maatregelen. De weduwe van Dr. Lütjens vertelde mij dat er op die avond uitsluitend Duits werd gesproken. Men dronk oude klare. Verder, was er, volgens Beckmanns dagboek, 'Eine Zigarre, that's all.' Toen een groep uitbundige jonge onderduikers zich voegde bij het gezelschap, werd de jenever weggezet, om nog iets voor later te bewaren, en trok Beckmann zich terug, om alleen, op zijn kamer, tot zichzelf te komen.

Wat Beckmanns dagboek over de Nederlandse oorlogstijd zo verfrissend maakt is de afwezigheid van heldenverhalen, patriottisme, en zaken als 'goed' en 'fout'. Beckmann was in elk opzicht een buitenstaander - buiten de nazi's, buiten het verzet, en buiten de Nederlandse samenleving - en kon juist daarom een haarscherp beeld geven van hoe de sfeer in Amsterdam moet zijn geweest: 'lege jodenstraten' naast Artis; de staking voorbij, en een schilderij voltooid; afweergeschut en slapeloze nachten; Sekt in Saur, en de grüne Polizei. Het abnormale lijkt haast normaal, niet omdat Beckmann de Duitse bezetting probeerde te rechtvaardigen, maar omdat hij met een haast haiku-achtige bondigheid de tijd wist te vangen.

Voor de meeste emigranten is het leven als buitenstaander fnuikend voor hun werk. Of men nu kwam uit nazi-Duitsland, de Sovjet-Unie, Cuba, of China, weinigen is het gelukt om zonder de vertrouwdheid en de geur van de eigen omgeving nog grote prestaties te leveren. Ook hierin was Beckmann een uitzondering. De schilderijen die hij maakte op zijn atelier aan het Rokin behoren tot zijn beste werk. Hij kon heel goed observeren, maar hij putte voornamelijk uit zijn eigen hoofd. Hij nam zijn dromen mee. Dat is het voordeel van de geboren Einzelgänger.

Waarom is er desondanks in Nederland zo weinig aandacht geschonken aan Beckmann, met name aan zijn Amsterdamse tijd? Waarom is er nooit een grote tentoonstelling geweest over zijn Amsterdamse werk? Waarom geen biografie? Hoeveel buitenlandse kunstenaars van Beckmanns formaat hebben hier gewoond? Is het niet merkwaardig dat Ernst Jünger nog steeds in Frankrijk wordt vereerd, vooral om zijn Parijse dagboeken, en Beckmanns dagboek nog niet eens in het Nederlands is vertaald?

Het is merkwaardig, maar wel verklaarbaar. Jünger was in Parijs niet een echte buitenstaander. Goed en fout waren vooral in de Parijse beau monde rekbare begrippen. En Jünger hoorde bij een kosmopolitisch gezelschap van Franse en Duitse estheten, die zich boven het banale strijdgewoel verheven waanden. Juist die verfijnde afzijdigheid heeft veel Fransen aangesproken. En bovendien was de francofiele Jünger bijzonder sociaal. Geen salon bleef voor hem gesloten.

Beckmann was niet sociaal. En grote behoefte om in Amsterdamse kringen te schitteren, zoals Jünger deed in Parijs, had hij niet. En Amsterdam was, denk ik, provinciaalser dan Parijs. Een beroemde buitenlandse schilder was nu niet bepaald welkom in knusse Amsterdamse kunstkringen. De vermenging op hoog niveau van Duitse en lokale kunstenaars en intellectuelen heeft in Nederland niet echt plaatsgevonden. Daarvoor waren er te weinig interessante Duitsers (die gingen naar Parijs), en was men wat minder geneigd tot verbroedering dan in Frankrijk. Beckmann was dan wel niet fout, maar hij bleef een mof. Hij paste niet in het beeld, toen niet, en nu nog niet. Want een mof is hij gebleven. En daarom heeft Max Beckmann, een van de grootste kunstenaars van deze eeuw, hier nooit de aandacht gekregen die hij verdient.