'Nederland veronachtzaamt al vijf jaar zijn technologie'

DEN HAAG, 14 APRIL. Het kabinet-Kok kreeg deze week in niet mis te verstane woorden kritiek van de Commissie van Economische Deskundigen van de Sociaal-Economische Raad (SER) en de OESO, de club van 25 rijke industrielanden in Parijs. Nederland, zo stellen beide instituten, investeert te weinig in de toekomst en geeft te veel geld uit aan uitkeringen. Live now and pay later.

Volgens de voorzitter van de SER-commissie, de Groningse hoogleraar Simon Kuipers, is Nederland al vijf jaar bezig de kennisinfrastructuur (onderzoek bij universiteiten en instellingen als TNO) af te breken - een infrastructuur die in 1990 nog sterk was.

Eind jaren tachtig waren de Nederlandse uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling in het hoger onderwijs weliswaar lager dan in Zwitserland, Zweden en Japan, maar staken ze gunstig af bij de meeste concurrerende landen. Sindsdien zijn de uitgaven voor de publieke onderzoeksinfrastructuur (TNO, universiteiten) in Nederland duidelijk achtergebleven bij die in een aantal concurrerende landen, schrijven de SER-deskundigen.

“Het kabinet-Kok heeft daar nog een schepje bovenop gedaan”, aldus Kuipers deze week bij de presentatie van het rapport 'Kennis en economie'. Volgens zijn commissie mag er, behoudens efficiency-maatregelen, geen cent op onderwijs meer worden bezuinigd. Met investeringen in onderzoek en ontwikkeling vormen die in human capital namelijk de navelstreng naar de toekomst.

Het kabinet-Kok heeft in het regeerakkoord opgenomen dat 18 miljard gulden moeten worden bezuinigd op de collectieve uitgaven. Het ministerie van economische zaken had zijn deel van de bezuiniging (300 miljoen) het eerst ingevuld. Voor ongeveer 75 miljoen gulden gaat dat ten koste van allerhande soorten onderzoek. Het ministerie van onderwijs is nog bezig met de versleuteling van de aan dit ministerie toegerekende bezuinigingstaakstelling, zodat nog onduidelijk is in welke mate het ten koste van onderzoek gaat.

Publieke onderzoeksinfrastructuur heeft betrekking op uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling door het hoger onderwijs (inclusief universiteiten) en semi-publieke instellingen als TNO en de vijf Grote Technologische Instituten (GTI's). Aan dit publieke onderzoek werd in 1992 4,8 miljard gulden overheidsgeld besteed. Ter vergelijking: de grote multinationals Philips, Shell, AKZO, Unilever en DSM gaven dat jaar 3,4 miljard gulden aan onderzoek en ontwikkeling uit. Van de collectieve uitgaven aan research en ontwikkeling nam het hoger onderwijs (inclusief universiteiten) de helft voor haar rekening: 2,4 miljard gulden. De rest wordt toegeschreven aan de (semi) publieke instellingen. De bezuinigingen op het ministerie van economische zaken grijpen aan bij de laatste categorie onderzoeksuitgaven, die van Onderwijs beperken de mogelijkheden van onderzoek in het hoger onderwijs.

De OESO maakte het kabinet-Kok afgelopen maandag in de derde editie van Education at a Glance attent op het feit dat Nederland qua uitgaven aan onderwijs op de ranglijst van 25 rijke industrielanden in vijf jaar tijd van de eerste plaats naar de degradatiezone is gekelderd. In 1987, zo becijfert de OESO, gaf Nederland nog acht procent van het nationale inkomen uit aan onderwijs, in 1992 was dat afgenomen tot 5,8 procent. Daarmee geeft Nederland momenteel in verhouding tot de welvaart minder uit aan onderwijs dan Zimbabwe en Mozambique. Stom, zeggen de economische deskundigen van de SER, want er bestaat volgens hen een direct verband tussen investeringen in kennis en economische groei.

Het ministerie van economische zaken heeft de opgelegde bezuinigingen tegen heug en meug ingevuld. Nu dat gebeurd is, hebben minister Wijers en topambtenaar Geelhoed van dit ministerie hun zinnen gezet op de potjes met geld die zijn gereserveerd voor nieuw beleid. Daarmee kunnen reeds aangekondigde bezuinigingen volgens hen worden teruggedraaid of gecompenseerd.

Dat er door Nederland meer geld moet worden geïnvesteerd in onderwijs en onderzoek is voor de economen van de SER een conditio sine qua non. Nederland is namelijk aan lager wal geraakt. Zoals oud-directeur P. de Ridder van het Planbureau in deze krant al eens heeft gesteld, hebben de low tech-sectoren in Nederland (voedings- en genotmiddelen, textiel, papier, metaalprodukten) de overhand. Maar liefst 60,1 procent van de werknemers in de industrie ontleent hieraan een baan (in Duitsland is dat bijvoorbeeld: 45,6 procent). De groei van de wereldhandel is echter niet hier, maar bij de high tech te vinden. In de jaren tachtig bedroeg de gemiddelde groeivoet van high tech sectoren met 12,4 procent per jaar bijna het dubbele van die van low tech sectoren.

Het belang van de industrie kan niet worden veronachtzaamd, want de deskundigen van de SER becijferen dat de uitstralingseffecten van de industrie op de werkgelegenheid zo groot zijn dat naast de bijna een miljoen directe arbeidsplaatsen in de industrie ook nog eens een half miljoen indirecte volledige banen in de tertiaire dienstverlening (bedrijven) en 200.000 in de overige sectoren worden geschapen. De industrie zorgt door deze uitstraling op andere sectoren per saldo voor meer banen dan de dienstensector. Maar ook met die dienstensector is het met het oog op de toekomst niet zo goed gesteld.

Zo is Nederland relatief zwak in nieuwe activiteiten in software- en computerdiensten, zakelijke dienstverlening en communicatie, hoewel daar juist de toekomstige groei is te vinden (de verwachte produktiegroei van software- en computerdiensten in de Europese Unie bedraagt voor de periode 1992-1998 gemiddeld 9,2 procent per jaar, tegen 1,9 procent voor de handel waar Nederland traditioneel sterk in is).

Deze zwakte kan, zo betogen de hoogleraren, worden opgevangen door als overheid meer in plaats van minder te investeren in fundamenteel en in toegepast onderzoek en ontwikkeling, en de verspreiding van kennis van universiteiten en kennisinstituten naar bedrijven beter te regelen. Investeren in de toekomst dus in plaats van in status quo.