Momenten van verlorenheid; De antifoto's van Oscar van Alphen

De fotograaf Oscar van Alphen beschouwt de camera, die alles mooier maakt dan het is, als een handicap. Maar een overgave aan de directe weergave van de harde realiteit is even beperkend en misleidend. Zijn werk, waarvoor hij onlangs de Capi-Lux Alblas Prijs 1995 kreeg, is nu te zien in het Stedelijk Museum in Amsterdam.

Tentoonstelling: Oscar van Alphen. T/m 23 april in Het Stedelijk Museum in Amsterdam.

Tot 24 april is in het Stedelijk Museum in Amsterdam een kleine overzichtstentoonstelling te zien van het werk van Oscar van Alphen. Aanleiding voor de expositie is de toekenning van de Capi-Lux Alblas Prijs 1995, een jaarlijkse oeuvreprijs, aan deze in 1923 geboren Nederlandse fotograaf. De presentatie in het Stedelijk is een ultrakorte, als in stenovorm verkorte, weergave van zo'n veertig jaar fotograferen.

In de eerste van de vier kamers zijn foto's te zien die Van Alphen maakte op straat en in cafés, in Amsterdam, Parijs en andere Europese steden in de jaren vijftig. Eerst doen de beelden denken aan de innige, aandoenlijke fotografische stijl die in die jaren furore maakte. Men keerde zich af van de gebouwen, de grote verbanden, verdacht en gehavend als ze waren door de oorlog. Men vestigde de hoop en de blik op het humane, de troostende alledaagse menselijkheid.

Maar wie wat langer kijkt naar Van Alphens foto's uit die tijd voelt al snel het pittoresk-humanistische gevoel vervluchtigen, zoals bijvoorbeeld bij de serie foto's uit de Jordaan en ook bij het doorbladeren van het fotoboek Kinderen in de grote stad (1958). De foto's zijn niet het resultaat van een artistiekerige of romantische blik, op zoek naar troostende menselijkheid, ze tonen mensen die hun best doen met bescheiden middelen hun bestaan het hoofd te bieden in een schamele omgeving. Ze lachen soms wel, maar vaker heeft Van Alphen de volwassenen en kinderen betrapt op een moment waarop ze zomaar even staren, in een glas, in de verte, naar de vloer.

Ze maken de indruk in de steek gelaten te zijn en verkeren midden in hun dagelijkse doen even in de greep van een desolate gedachte. Momenten van verlorenheid, verloren momenten. We zien wel een café-interieur met drinkende mensen, en de foto is het bewijs dat de fotograaf daar werkelijk aanwezig was, maar hij was met zijn hoofd ook ergens anders, net als sommige van de mensen die hij vastlegde.

Het zijn ernstige, beschouwelijke foto's, geen buit van de jager op het poëtische moment in het leven van alledag, geen verduidelijkend verslag van een situatie, maar eerder oproepen na te denken over de krachten die de levens en momenten gevormd hebben zoals we ze hier voor ons zien. Het is duidelijk, dat het nadenken waartoe van Alphens foto's overhalen niet beperkt blijft tot emoties en autobiografische mijmeringen. De krachten waar we mee in contact gebracht worden zijn groot, zwaar, hardhandig, ze drijven het Geheel aan, de Wereld-waarin-wij-leven, de maatschappij. Zonder de aanklacht tegen een concrete misstand te zijn is de beschouwelijkheid van de fotograaf zonder twijfel ingegeven door de overtuiging dat de wereld niet in orde is, dat ze tot in haar wortels niet deugt.

Partijdige analyse

In de jaren zestig en zeventig werkte Van Alphen als fotograaf voor Het Parool en Vrij Nederland en maakte omvangrijke reportages als geëngageerde, kritische fotograaf. Bekend is zijn documentaire naar aanleiding van de turbulente politieke gebeurtenissen in West-Duitsland rond de Berufsverbote en de paranoïde sfeer die erdoor ontstond. Begeleid door veel verklarende tekst vormden zijn foto's een rondreizende expositie. Het boek Het rijke onvermogen, uit 1978 is er de weergave van. Net als in zijn latere boek over de omstandigheden van de Palestijnen in Israel, Libanon en Jordanië trekt Van Alphen al zijn fotografische registers open, in dienst van een harde en partijdige analyse van een maatschappelijke toestand.

Dat hij ook zijn twijfels had bij die dienstbare, journalistieke rol van de fotografie blijkt uit de foto's die hij eind jaren zestig en in de jaren zeventig maakte op straat in Amsterdam. Ze zijn in de expositie te zien als een van achteren verlichte strook kleurendia's. Het zijn meestal details, voorwerpen op het Waterlooplein, handen, sieraden, slierten haar, fragmenten uit een etalage, stukjes woonboot. Die opeenstapeling is de inventarisatie van de verdwazing om hem heen, maar ook het vastleggen van het verlies aan geloof om met enkele fotografische beelden vorm te geven aan de denkende blik. Het zijn scherpe, maar ook eenzame, vertwijfeld aandoende observaties. Er dient zich een tweede breuk aan in Van Alphens werk, het duidelijkst vervat in zijn expositie (en boek) Het moment voorbij uit 1982, waar een aantal panelen van is opgenomen in het retrospectief.

Op ieder paneel zien we één of verschillende, soms door elkaar heen afgedrukte foto's, gekoppeld aan een groot gezette tekst. Zoals de titel (een verwijzing naar Cartier-Bressons begrip le moment décisive) al doet vermoeden, richt Van Alphens onderzoek en wantrouwen zich nu op het fotografische beeld zelf. De wereld mag dan niet in orde zijn, de fotografie waarmee ze onderzocht wordt is geen neutraal instrument, zij is zelf evenmin in orde.

Het door Bresson verheerlijkte moment waarop er een evenwicht bestaat tussen de esthetiek en de beleefde actualiteit van het beeld is in Van Alphens ogen een misleidend criterium. Hij beschouwt de camera, die alles, tot het neutraalste detail toe, bevriest in een esthetisch gebaar en mooier maakt dan het is, als een handicap. Maar een overgave aan de directe weergave van de harde realiteit en actualiteit is even beperkend en misleidend. Zo simpel en doelmatig is een foto nooit. Door het isoleren van een voorbij, vluchtig moment sluipt er iets onwerkelijks in ieder fotografisch beeld. Dat is de zwakte, maar ook de kracht van de fotografie en Van Alphen is er op uit die kracht naar zijn hand te zetten. De foto's uit Het moment voorbij zou je bijna antifoto's kunnen noemen, ze tonen geen enkele opmerkelijke gebeurtenis, geen enkel gezicht en als ze een raam, een plein, een detail van een parkeergarage, of met plastic overtrokken benzinepompen laten zien is de esthetiek vermeden.

De foto's worden er suggestieve, maar ook vage Andachtsbilder door, semi-symbolen. De begeleidende tekst dient als houvast. Opmerkelijk is dat Van Alphen zich verzet tegen het tot beeldende kunst verklaren van dit werk. Hij ziet het als een nieuwe vorm van reportage-fotografie. Kunst breekt opzettelijk met de actualiteit en al heeft de fotografie van Van Alphen een problematische verhouding tot de actualiteit, toch hoort ze daar thuis en niet in het rijk van de kunst.

Dat brengt me meteen bij het meest kunstachtige, en minst overtuigende onderdeel van de expositie, de laatste kamer. Daar staan videomonitoren opgesteld die een stroom aan fotografische beelden uitstorten, terwijl, voice over, een man en een vrouw fragmenten voorlezen uit het verhaal 'Madame Edwarda' van de Franse schrijver Bataille. Hoeveel je ook kunt afdingen op de soms pompeuze citaten die Van Alphen bij zijn foto's zet, toch blijft de koppige poging om de fotografie iets onmogelijks te ontfutselen boeien en verrassen. Wanneer hij de heerszuchtige tekst van Bataille binnenlaat (een hysterisch getoonzette rapsodie bol van de doodsangst, seks en schrijversmystiek) is de nauwkeurigheid en grimmigheid van zijn beelden overstemd en wordt het een zwartgallige, bombastische soep. In de videoband De oorlogen (zo heet het Bataille-projekt uit 1985), delven de beelden jammerlijk het onderspit. Ze bezwijken onder de context.

Hoe jammer dat is blijkt uit het hoogtepunt van Van Alphens werk, het boek De slak op het grasveld uit 1991. In de stilte en traagheid die de boekvorm levert werkt zijn methode van symboliseren, ontregelen en herlezen van beelden heel overtuigend. Somber is het nog steeds, maar de rust en trefzekerheid van de presentatie maken dat je kunt blijven kijken en vragen en mijmeren.

Van Alphens werk is bloedernstig, voor ironie of humor is geen plaats. Hij is een spelbreker en een oprechte zwartkijker, die er op uit is de onmogelijkheid van vrede, rechtvaardigheid en schoonheid te tonen, maar tegelijkertijd weigert zich daarbij bij neer te leggen. Zijn fotografie is een zoektocht naar de vluchtige en wanhopige, maar noodzakelijke opstand tegen de orde der dingen.