Het verboden eiland omzeild; J.G. Frazers pandemonium van menselijke gedragsvormen eindelijk vertaald

Honderden, zo niet duizenden beschrijvingen van opmerkelijke rituelen en gebruiken verzamelde de Engelse wetenschapper J.G. Frazer in zijn boek The Golden Bough. Onlangs verscheen eindelijk een Nederlandse vertaling van dit antropologische standaardwerk. “Dat je in dit betoverende pandemonium van menselijke gedragsvormen het spoor niet bijster raakt, is te danken aan die weloverwogen ordening van zijn materiaal. Het is een van die betrekkelijk zeldzame wetenschappelijke werken die een blijvende waarde bezitten.”

J.G. Frazer: De gouden tak. Over mythen, magie en religie. Vert. Aris J. van Braam. Uitg. Contact, 910 blz., prijs ƒ 145,-.

“Verscheidene stammen op Madagaskar geloven dat zijzelf van de krokodillen afstammen en beschouwen daarom het schubbig reptiel als, in wezen, een mens en een broeder. Als een van deze dieren zich vergrijpt aan een van zijn menselijke verwanten, begeeft het stamhoofd (-) zich aan het hoofd van zijn mensen naar de waterkant en sommeert hij de familie van de schuldige deze aan de arm der wrekende gerechtigheid uit te leveren. Dan voorziet men een haak van aas en zet die uit in de rivier of het meer. De volgende dag wordt de schuldige broeder of een van zijn familieleden aan wal gesleept; en nadat men hem in een streng onderhoud de ernst van het misdrijf aan het verstand heeft gebracht, wordt hij ter dood veroordeeld en geëxecuteerd. Nadat het recht aldus zijn loop heeft gehad (-) wordt de dode krokodil beweend en begraven als een familielid; er wordt een heuvel boven zijn stoffelijke resten opgeworpen en een steen geeft de plaats van de kop aan.”

Dit is een van de honderden, zoniet duizenden beschrijvingen van opmerkelijke rituelen en gebruiken die J. G. Frazer verzamelde in zijn studie The Golden Bough. Het heeft lang geduurd, maar nu is er dan toch eindelijk een Nederlandse vertaling beschikbaar van dit beroemde standaardwerk. Dat wil zeggen: van de samenvatting daarvan, want The Golden Bough, dat tussen 1890 en 1905 in drie opeenvolgende drukken uitdijde tot een monstrum van twaalf delen, heeft pas in de abridged edition van 1922 de vorm gekregen waarin het sindsdien regelmatig is herdrukt.

Dat boek, nu vertaald als De Gouden Tak, is nog altijd een kloeke turf van zo'n 900 pagina's. Zijn wetenschappelijke actualiteit heeft het inmiddels allang verloren, maar het is een van die betrekkelijk zeldzame wetenschappelijke werken die een blijvende waarde bezitten. Niet alleen omdat het zo goed is geschreven dat het ook voor geïnteresseerde leken heel genietbaar is, maar ook omdat het een enorme invloed heeft uitgeoefend buiten zijn werkgebied: Freud, en in zijn voetspoor andere psycho-analytici (zoals Geza Róheim) hebben er dankbaar uit geput, en ook in de literatuur heeft het boek zijn sporen nagelaten.

Tientallen dichters en schrijvers, onder wie Yeats, Pound en T. S. Eliot (die er in zijn noten bij The Waste Land expliciet naar verwees), lieten zich erdoor inspireren, en in de Nederlandse literatuur heeft bijvoorbeeld het werk van Hugo Claus er het nodige aan te danken. Als het gaat om de relatie tussen mythologie en literatuur kun je nauwelijks een studie opslaan waarin niet naar Frazers werk wordt verwezen. Reden genoeg dus om er nieuwsgierig naar te zijn.

Tweegevecht

De gouden tak is opgezet als een speurtocht naar de betekenis van een ritueel dat in de oudheid bestond bij een heiligdom van Diana, gelegen in het Heilige Woud van Nemi, niet ver van Rome. Daar gold een merkwaardige regel voor het priesterschap: de priester, die de titel 'Koning van het Woud' droeg, kon alleen opgevolgd worden door een weggelopen slaaf die erin geslaagd was, een tak af te breken van een heilige boom die in dat woud stond. Lukte hem dat, dan mocht hij de priester uitdagen tot een tweegevecht, en wanneer hij hem doodde was hij de nieuwe 'Koning van het Woud'.

Maar wanneer het ontraadselen van dit merkwaardige ritueel de enige bedoeling van Frazer was, zou het dan niet voldoende zijn geweest wanneer hij zijn bevindingen had samengevat in een wetenschappelijk artikel van pakweg 30 tot 40 pagina's? Dat had zeker gekund, maar dan hadden we wel een onbetwist meesterwerk van de antropologie gemist. Het ritueel van de priesteropvolging in het Heilige Woud van Nemi mag dan het uitgangspunt van zijn onderzoek zijn geweest, in feite is het slechts één van de talloze riten en gebruiken die Frazer onderzocht in zijn alomvattende comparatieve studie 'over mythen, magie en religie', zoals de ondertitel luidt.

En behalve een geleerde was Frazer ook een heel bekwaam schrijver: hij gebruikte dit concrete uitgangspunt als leidraad en ordeningsprincipe om een overzichtelijke structuur aan te brengen in de overstelpende hoeveelheid materiaal die hij verzamelde. Zodat het boek bijna leest als een roman. Frazer voert de lezer mee op een speurtocht die hem letterlijk over de hele wereld voert, en door alle stadia van menselijke beschaving van de Australische Aboriginals tot en met het Victoriaanse Engeland worden de meest uiteenlopende ceremoniën, rituelen en folkloristische gebruiken beschreven.

Dat je in dit betoverende pandemonium van menselijke gedragsvormen het spoor niet bijster raakt, is te danken aan die weloverwogen ordening van zijn materiaal, waarbij de lezer er regelmatig aan herinnerd wordt waar het ook alweer om ging.

Punt voor punt werkt Frazer zijn eenvoudige probleemstelling uit: “ten eerste: waarom moest de priester van Diana te Nemi, de Koning van het Woud, zijn voorganger doden, en ten tweede, waarom moest hij voor hij dit deed de tak van een bepaalde boom afsnijden, een tak die door de Ouden algemeen werd geïdentificeerd met de Gouden Tak van Vergilius?” Maar achter de schijnbare eenvoud van deze vragen doemt een complexe wereld op van magische en religieuze overtuigingen.

Daarom begint hij met uiteenzettingen over magie, in hoofdstuk 3, en over de verhouding tussen magie en religie in hoofdstuk 4. Op basis van de ideeën die in deze eerste hoofdstukken worden ontvouwd, ontwikkelt Frazer stap voor stap zijn theorie over de vegetatiemythen die de achtergrond vormden van het ritueel van de bloedige priesteropvolging in Nemi.

Hij volgt daarbij de comparatieve methode: door vergelijking van een groot aantal soortgelijke rituelen uit de meest verschillende culturen verheldert hij de ideeën die eraan ten grondslag liggen. Dat leidt tot het inzicht dat de mens in prehistorische tijden een praktijk van bloedige offerrituelen ontwikkelde die ten doel hadden het leven van de natuur te hernieuwen: door middel van imitatieve magie meende men de natuurlijke cycli in de plantengroei te kunnen beïnvloeden.

Wat zijn werk vooral bijzonder en prikkelend maakte, was dat Frazer zich niet beperkte tot gegevens uit 'primitieve culturen' en lang vervlogen tijden, maar steeds systematisch naar parallellen zocht in folkloristische gebruiken die tot in zijn dagen (en soms tot op heden) nog in de Europese cultuur bewaard waren gebleven. Zo betrok hij ook onze eigen cultuur in zijn onderzoek.

Bovendien wierp hij een nieuw licht op een hele categorie mythen, die tot dan toe eigenlijk uitsluitend door classici en andere schriftgeleerden waren geïnterpreteerd: in de mythen van Isis en Osiris, van Venus en Adonis, Cybele en Attis, herleidde hij het gegeven van de 'stervende god', of de dood van de goddelijke zoon-minnaar, tot de vegetatiemythen die erin schuil gaan. Ook in de mythen van Dionysus, Demeter en Persephone herkende hij dezelfde patronen. En uiteindelijk is dit hele complex van vegetatiemythologie voor de goede verstaander ook herkenbaar in het verhaal van het lijden, het sterven en de wederopstanding van Christus.

Verboden eiland

Dat Frazer daar slechts in het voorbijgaan op wijst en er geen groot punt van maakt, is begrijpelijk genoeg: dat had hem ongetwijfeld zijn baan aan de universiteit van Cambridge gekost. Zoals Robert Graves opmerkte in zijn studie over mythen The White Goddess was sir James Frazer in staat 'zijn mooie kamers in Trinity College, Cambridge, tot zijn dood te behouden door zorgvuldig en methodisch om zijn gevaarlijke onderwerp heen te zeilen, alsof hij de kustlijn van een verboden eiland in kaart bracht zonder zich werkelijk te verplichten tot de verklaring dat het bestond.' Maar het staat wel vast dat juist dat inzicht in de oeroude, heidense wortels van de christelijke mythologie een belangrijke reden is geweest voor het feit dat dit boek zoveel moderne dichters en schrijvers heeft geïnspireerd.

Onder die theologische bovenbouw van zondeval en verlossing schemerde opeens iets heel anders door: een prehistorische, bloedige praktijk van mensen- en dierenoffers, geboren uit de noodzaak om te overleven, om de vruchtbaarheid van de aarde en een goede oogst veilig te stellen door middel van magische rituelen.

Zo zouden prehistorische boomgenoten en korengeesten de voorlopers geweest zijn van latere goden in menselijke gedaante, die periodiek geofferd moesten worden om ervoor te zorgen dat het gewas opnieuw uit de akker zou opschieten en een goede oogst zou geven. Frazer ontvouwt een adembenemende waaier van voorbeelden uit de meest uiteenlopende culturen om een en ander te adstrueren.

De beschrijvingen daarvan, die het leeuwedeel van het boek in beslag nemen, zijn nu eens verbazend en ontroerend, dan weer schokkend door hun bloedigheid. Soms klinkt er een milde ironie in door, al laat Frazer ook niet na de moderne westerse mens die dit alles beschouwt tot bescheidenheid te manen. In hoofdstuk 23, 'Onze schuld aan de primitieve mens', geeft hij blijk van een groot relativeringsvermogen als hij constateert dat dat wat wij de waarheid noemen uiteindelijk ook niets anders is dan de hypothese die het beste blijkt te werken. “Per slot van rekening”, schrijft hij, “zijn onze overeenkosmten met de primitieve mens nog steeds veel talrijker dan de verschillen.”

Enig doorzettingsvermogen is soms wel vereist, want waar je als leek al ruimschoots tevreden bent met vier of vijf voorbeelden die eenzelfde principe demonstreren, is Frazer vaak niet tevreden voor hij er twintig, dertig of meer heeft beschreven. Hij hechtte dan ook naar eigen zeggen meer waarde aan een omvangrijke collectie van goed gedocumenteerde feiten dan aan theorieën, die veel sneller achterhaald zijn.

Daarin had hij ongetwijfeld gelijk: als theoreticus is hij veelvuldig bekritiseerd. Bijvoorbeeld door Hubert en Mauss, wat zijn magieconcept betreft; later door René Girard in La Violence et le sacré, en door C. S. Kirk, die hem in The nature of Greek Myths van 'naïef comparatisme' beschuldigt. Ook Freud had zijn kritiek, zij het dat die vooral betrekking had op Frazers veranderlijke mening inzake het totemisme, in een ander werk. Maar als methodische materiaalverzameling en als boek is De Gouden Tak nog steeds een onovertroffen monument.

Krokodil

Het is een beetje als met die terechtgestelde krokodil uit het geciteerde verhaal: of die de werkelijke schuldige was, doet er eigenlijk niet toe - het gaat om het ritueel van de vergelding. Zo is het ook met Frazers boek: of zijn theorie wel de juiste is, doet er voor de huidige lezer niet zoveel meer toe. Belangrijker is de manier waarop hij die heeft gepresenteerd en verduidelijkt.

Net als Freud, maar op een heel andere manier, heeft Frazer enig licht geworpen op de duistere keerzijde van de beschaving. Er zou een mooi essay te schrijven zijn over de invloed die beide auteurs - tijdgenoten, eminente geleerden en uitstekende schrijvers - hebben uitgeoefend op de literatuur van deze eeuw. Dat is niet zo verwonderlijk, want beiden hebben een fascinerende bijdrage geleverd aan de ingrijpende verandering die ons mensbeeld in deze eeuw heeft ondergaan.

Des te opmerkelijker is het dat, terwijl Freud veelvuldig gebruik maakte van de resultaten van Frazer, de laatste het werk van Freud altijd heeft genegeerd. Waarom dat zo was, weet ik niet. Mogelijk vond hij dat Freud zijn materiaal misbruikte. Of was het misschien de weerzin van een synthetiserende tegen een analytische geest?

Hoe het ook zij: wie de westerse literatuur van de twintigste eeuw bestudeert, kan moeilijk om hun werk heen. Terwijl de surrealisten er als de kippen bij waren om Freud te omhelzen, werd Frazer al snel door Angelsaksische modernisten ontdekt. Hun invloeden, hoe verschillend ook, kruisten elkaar op het gebied van mythologie en symboliek. Maar de psychoanalyse, die alle uitingen van de menselijke geest reduceert tot een stelsel van nogal monotone mechanismen, was ongetwijfeld vruchtbaarder voor interpreten dan voor scheppende kunstenaars, terwijl The Golden Bough juist talloze schrijvers en dichters inspireerde door een fijn vertakt weefsel van mythologische samenhangen en archetypische motieven bloot te leggen. Frazer legde de verbeelding niet op de snijtafel; hij liet alleen zien hoe ze door alle eeuwen en culturen heen het leven van mensen heeft vormgegeven en hoe ook de christelijke beschaving geworteld is in een bodem van oeroude heidense rituelen.

Toch hebben beide invloeden elkaar waarschijnlijk ook versterkt. Want als Freuds psychoanalyse veel romanschrijvers al snel duidelijk maakte dat hun rol als psycholoog was uitgespeeld, en dat ze het construeren van 'oedipale driehoeken' beter maar aan de interpreten over konden laten, dan heeft Frazers werk, met zijn enorme rijkdom aan voorbeelden, de aandacht gevestigd op de mogelijkheden die de mythologie aan de roman bood.

Beter laat dan nooit: nadat Freuds volledige werk in het Nederlands vertaald is, hebben we nu ook de beschikking over een vertaling van Frazers meesterwerk. Die vertaling leest prettig en lijkt me over het algemeen recht te doen aan Frazers heldere stijl. Het enige minpuntje is dat het oog af en toe blijft haken aan lelijk opgerekte zinsconstructies. Gelukkig komt dat niet al te vaak voor en het zou ondankbaar zijn om in een zo rijk gevulde schatkamer te vallen over een paar schoonheidsfoutjes.

UIT: HOOFDSTUK 5, WEERMAGIE

Als de Wakondyo, een stam in midden-Afrika, naar regen snakken, roepen zij de hulp in van de Wabamba, die aan de voet van de besneeuwde bergen wonen en in het gelukkige bezit van een 'regensteen' zijn. Tegen een redelijke vergoeding wassen de Wabamba de kostbare steen, smeren hem in met olie en leggen hem in een kruik water. Daarna zal het zonder mankeren gaan regenen.

UIT: HOOFDSTUK 12, HET HEILIGE HUWELIJK

De indianen in een dorp in Peru huwelijkten een mooi meisje van een jaar of veertien uit aan een mensvormige steen die zij als een god (huaca) beschouwden. Alle dorpelingen namen deel aan de bruiloft die drie dagen duurde en die met allerlei feestelijkheden gepaard ging. Het meisje bleef nadien maagd en bracht ten behoeve van het volk offers aan het afgodsbeeld. De mensen betoonden haar de grootste eerbied en hielden haar voor een godin.

UIT: HOOFDSTUK 47, LITYERSIS

De korengeest wordt ook gedood in de gedaante van een haan. In delen van Duitsland, Hongarije, Polen en in Picardië zetten de oogsters een levende haan in het koren dat het laatst gemaaid zou worden; ze jagen hem na over de akkers en begraven hem tot zijn nek in de grond; daarna hakken zij zijn kop af met een sikkel of een zeis.

UIT: HOOFDSTUK 55 DE OVERDRACHT VAN KWAAD

In Berkhampstead in Hertfordshire waren er vroeger bepaalde eikebomen die vanouds bekend stonden om hun koortsbestrijdende eigenschappen. De overdracht van de kwaal op de boom was eenvoudig maar pijnlijk. Een pluk haar van de patiënt werd aan de eik genageld; een flinke ruk en hij liet zijn haar en de koorts in de boom achter.