Het giftige geschenk; De mediadrama's van Cady Noland

Met de Amerikaanse kunstenares Cady Noland heeft Museum Boymans-van Beuningen een brutaal type in huis gehaald. Met haar kunstwerken, krantenfoto's op alumininium platen en teksten, wil Noland de rol van de media in de huidige maatschappij aan de kaak stellen. Maar heeft zij er eigenlijk wel wat nieuws over te vertellen?

Tentoonstelling: Gefascineerd door gewelddadigheid. Cady Noland. T/m 11 juni in Museum Boymans-Van Beuningen, Rotterdam.

Het zou overdreven zijn museum Boymans-van Beuningen een uitzondering te noemen op de apathische houding van onze grote musea ten opzichte van de actuele Amerikaanse kunst. Daarvoor zijn de solotentoonstellingen van vier jonge Amerikanen, Gober, Prina, Prince, Wool en nu Cady Noland (allen midden jaren vijftig geboren), verspreid over vijf jaar te veel een incident geweest. Maar met Noland heeft Boymans wel een voor Nederlandse begrippen brutaal type in huis gehaald. De 39-jarige Amerikaanse heeft namelijk in Boymans een paar van haar werken rondom de gigantische gekleurde stalen blokkendoos van Donald Judd gezet. Tot dat moment stond die daar triomfantelijk in z'n eentje een voorwerp van Nederlandse museumdirecteuren-adoratie te wezen.

Ze passen daar helemaal niet, de formalist Judd zou ze zeker hebben verfoeid als onder meer veel te verbaal. Het zijn een soort decorstukken, los staand en zo'n anderhalve meter hoog, uitgevoerd in zilver glanzende aluminium platen waarop teksten en foto's zijn afgedrukt, meestal in zwart-wit, soms in rood of blauw. De teksten vertellen iets van de foto's, afkomstig uit kranten en tijdschriften, en ze maken tegelijk duidelijk dat Noland een kunstenaar is die, geheel in tegenstelling tot Judd, aan kunst een uitgesproken wereldse betekenis wil geven. De foto's tonen mensen op ware grootte en naast Judds kolossale bouwsel werken ze als een spottend commentaar op kunst die zich als pure vorm breed maakt in de ruimte en het menselijke naar de kant drukt.

Noland stelt zich niet alleen in deze zaal op als een indringer, haar hele tentoonstelling functioneert in het museum als een Fremdkörper, alsof ze begrepen heeft dat er van haar soort maar heel weinig hier te gast zijn geweest. De eerste zaal bijvoorbeeld is eigenlijk meer een restruimte tussen twee gangen in. Voor het vervolg van de tentoonstelling moet je de trap op, naar de Judd en de vaste collectie toe. Het gevoel dat haar werk door het museum zwerft wil daarna niet meer wijken, ook al beperkt de expositie zich feitelijk tot vier zalen.

De indruk van zwerven wordt versterkt door het decorachtige karakter van het werk. De aluminium platen met krantenfoto's en teksten staan er terloops bij, soms vrijstaand op klossen, soms nonchalant tegen de muur leunend waarbij, als om hun toevallige aanwezigheid te onderstrepen, de teksten herhaaldelijk op hun kant of kop staan. Ze lijken zetstukken van een visueel verhaal dat uit fragmenten bestaat, maar zich bij nadere beschouwing iedere keer centreert rondom een of twee merendeels zilverkleurige sculpturen. De Judd is daarbinnen eigenlijk maar een zijlijn, een plagerijtje, bedoeld voor de kunstwereld.

Rijk en machtig

Nolands verhaal is onmiskenbaar Amerikaans, in stijl, verteltrant en in onderwerp. Stijl en verteltrant zijn helder, direct en onpersoonlijk. Met onpersoonlijk bedoel ik niet dat je een Noland niet herkent. In haar werk van de afgelopen vijf, zes jaar komen steeds dezelfde materialen, elementen en media terug, zoals aluminium platen, ronde ijzeren buizen voor stellagebouw, allerhande afval, fotografie en tekst. Maar Noland heeft ze gekozen omdat ze glad, koud en afstandelijk zijn, wat past bij haar verhaal. Dat is geen persoonlijk maar een algemeen verhaal, het verhaal van 'the American way of life', waarbij 'life' als media-life moet worden gelezen. Daarin, zegt ze, fungeert iedereen als zetstuk.

Nolands 'iedereen' is een media-persoonlijkheid, zij het in andere zin dan Andy Warhols glamourvolle visioen van 'iedereen vijftien minuten op de televisie'. De media-persoonlijkheden van Noland zijn media-drama's, geen sudderende maar schetterende media-drama's, het giftige geschenk van de maatschappij aan de rijken en machtigen.

In ouder werk toonde Noland bijvoorbeeld overbekend geworden krantenfoto's van Patty Hearst, de wegens terrorisme veroordeelde dochter van een krantenmagnaat, en van de moord op de mogelijke moordenaar van John F. Kennedy, ook weer op losstaande panelen. In de eerste zaal in Boymans is het een minder bekende figuur, Vincent Foster, een advocaat van het Witte Huis, zo vermeldt de op het fotopaneel gedrukte tekst, die zelfmoord heeft gepleegd met het pistool van zijn vader in zijn mond.

Dat detail is belangrijk, het geeft aan de onberispelijk geklede man op de foto een persoonlijke geschiedenis met een wrange toon. Foster zou tot zijn daad zijn gekomen door een beschuldiging van god mag weten wat in de Wall Street Journal en een briefje hebben achtergelaten met de opmerking: “Ik ben niet gemaakt voor de baan of het spotlicht van het publieke leven in Washington.” En tot slot: “Hier wordt het kapotmaken van mensen als een sport beschouwd.”

Die laatste, pijnlijke zin maakt ons in zekere zin tot betrokkenen: is deze man een slachtoffer van de pers, van het sensatiezuchtige publiek, is de waarheid geweld aangedaan? Het valt nu op dat de teksten op een ouderwetse typemachine zijn getikt en correcties met de hand zijn uitgevoerd. Ze wekken de indruk dat iemand rondzwervende informatie, krantenfoto's en -knipsels, bij elkaar heeft gesprokkeld als een ouderwetse detective.

Er is weinig speurzin voor nodig om te begrijpen dat die detective Noland heet en dat Noland over het een en ander zo haar eigen gedachten heeft. De sculpturen in de zaal geven als het ware commentaar op de foto's. Zo heeft Noland in het midden een ruim tweeëneenhalve meter hoge, vierkante poort gezet, gemaakt van twee zilverkleurige ijzeren vierkante staanders met een ijzeren dwarsbalk bovenop. Er hangt, als aan een galg, een autoband aan, zo'n sjieke uit de jaren vijftig met een witte rand.

Die band werkt als een aanwijzing: hij moet iets te maken hebben met de rest, maar wat? Hij zou ook het fatale bewijsstuk kunnen zijn bij een tribunaal dat mensen veroordeelt tot het schandblok. Dat staat hier namelijk ook, al is het nu van aluminium en moeten je nek, armen en benen tamelijk mager zijn willen ze in de voor hen bestemde gaten passen.

Veroordeeld, te schande gemaakt, gehangen door de media: dat is, denk ik, de strekking van Nolands detectivestory. Hoe weinig voor die procedure nodig is, laat ze in dezelfde zaal zien met een fotopaneel van een man die door reporters wordt omringd en een tekstpaneel waarop kort het verhaal van Thomas Eagleton, een presidentskandidaat in 1992, staat vermeld: de pers heeft ontdekt dat Eagleton de laatste twaalf jaar drie maal een zenuwinstorting heeft gehad! Wat dat betekent weten we onderhand en zeker in deze context kost het geen moeite om dwars door het tafereel op de foto heen te zien dat dit eigenlijk het beeld is van een man die wordt gelyncht.

Maar doet dat doorzicht ons nog iets? Wij weten immers best dat de Amerikaanse media (en niet alleen zij) er inderdaad een sport van maken de intiemste bijzonderheden van publieke figuren in kannibalistisch volksvermaak om te zetten. Naar aanleiding daarvan is, notabene ook in de media zelf, veel gefilosofeerd en gepsychologiseerd over wat de 'American mind' zou zijn, over zijn religieuze hypocrisie, homofobie, seksuele frustraties, zijn machismo en racisme, en nu een bataljon reporters al maanden full time O.J. Simpson moleculair ontleedt kun je dat nog aanvullen met hysterie. De vraag is dan ook wat Noland daaraan heeft toe te voegen.

American Dream

De tentoonstelling wekt niet de indruk dat zij de kwestie ook daadwerkelijk wil uitdiepen. Daarvoor geven de aanwijzingen ofwel de mediabeelden te weinig en te bekende informatie. Wel wijzen een aantal aspecten in de richting van de ambitie om een breed beeld van het verschijnsel te schetsen, een soort iconografie van het media-drama, op zijn Amerikaans.

Zo onderstreept Noland het typisch Amerikaanse in een doorloop na de eerste zaal met een mensgrote driedimensionale Elvis Presley-achtige figuur. Hij staat op de grond en is geschilderd in billboardstijl. Er staat geen tekst bij en dat hoeft ook niet, want de speurder in ons leest: rock and roll, pop art, de vroege jaren zestig. Dit moet haast wel een symbool zijn van de American Dream.

Een etage hoger, in de zaal van Judd, springen we verder terug in de tijd met een los staand paneel waarop een negentiende-eeuwse verkiezingsaffiche is gedrukt van een kandidaat voor het congres, William Randolph Hearst. Hij is een voorvader van Patty Hearst want onder zijn portret staat een slogan die het verschijnsel van de krantenmagnaat en zijn verbintenis met de politiek al aankondigt: “Trusts moeten gereguleerd worden door het congres.”

Verderop staat een rechthoekig fotopaneel met twee schaterende vrouwen en een meisje op de sofa, een plaatje dat een paar meter verderop in de volgende zaal weer terugkomt in een meer gefiguurzaagde versie. 'Betty Ford, March of Dimes, The Poster people' is er in vlekkerige typeletters bij geschreven.

Voor wie weinig belangstelling of geheugen heeft voor media-evenementen is dit een duistere aanwijzing. Bovendien maakt het specifiek Amerikaanse het er voor een buitenstaander niet makkelijker op. En daar begint het bij Noland ook meteen te wringen: dit zijn ikonen van de Amerikaanse media-wereld die je moet kennen om Nolands geschiedschrijving van de American mind met z'n American dream te kunnen lezen.

Je moet weten, om een in aluminium uitgesneden, rood afgedrukte foto van twee zittende meisjes, getiteld 'Manson girls, sit in', te kunnen begrijpen, dat Charles Manson een moordzuchtige Amerikaanse sekteleider uit de jaren zestig is die veel vrouwelijke volgelingen had. Pas dan snap je dat dit element, samen met een fotopaneel van een bijbel op een tafel vol rommel, genomen in Mansons huis na zijn arrestatie, de Amerikaanse geest symboliseert als gewelddadig, dweepziek en bigot. Daarna krijgt de vrolijke grote rood-wit geblokte place-mat aan de muur, die rondom een zonnig lachend bord met zwart bestek zegt: 'Eat y'er fuckin face off!' het beoogde sinistere trekje.

Noland veronderstelt dus bij haar publiek een zekere voorkennis en daarmee deelname aan de algehele sensatiezucht die ze in de vorm van summiere decorstukken om ons heen zet. In zekere zin wordt het publiek zo tot medeplichtigen bestempeld die eigenlijk zelf in het schandblok horen (in deze zaal staat er weer een, maar nu van hout). Zou ze verwachten dat wij, op zoek naar de betekenis achter haar kunst, dat gaan inzien zodat er misschien iets verandert? Ik geloof het niet. Daarvoor is de laatste doodlopende zaal te schamel, te desolaat en te depressief.

In een uit ronde buizen opgetrokken rechthoek van ruim tweeëneenhalve meter in omtrek, hangen daar een plat geslagen rubberen haan, een onduidelijk stuk gereedschap en een sleutelhanger met een handje dat een obsceen gebaar maakt, te bungelen. Daarnaast staat een soort houten schietschijf in de vorm van een cowboy. Niks happy end, de American Dream is hier in een deprimerende leegte opgelost. Er rest ons niets anders dan dit cul de sac te verlaten. Met het gevoel dit allemaal al eens eerder te hebben gehoord, maar dan veel spannender, veel intrigerender en veel diepgaander verteld. Misschien was dat wel in die vermaledijde media zelf.