Een nieuwe lijn verdeelt Europa

Met de verdwijning van het IJzeren Gordijn kwam er een einde aan de zichtbare verdeling van Europa. De buffer van versperringen en onder vuur liggende zones des doods is verleden tijd. Wel bleef er de scheidslijn tussen het rijke westen en het arme oosten, maar de opheffing van ook dat onderscheid zou de hoogste prioriteit krijgen. Met de hereniging van Duitsland werd al een brok Oosteuropese achterlijkheid overgeheveld naar het domein van de republiek der kansrijken, als een voorproef van wat nog komen ging.

Nu, ruim vijf jaar later, zijn er eigenlijk alleen maar scheidslijnen bijgekomen (denk bijvoorbeeld aan 'de harde kern' van Schengen-landen die zich politieel en justitieel isoleert van de rest). Natuurlijk, het is bezwaarlijk om dat toe te geven, en als ze op een kaart zouden worden getekend, zouden ze als stippellijnen worden aangeduid: tot zover is de integratie vanuit de kern al opgerukt. De veronderstelde tijdelijkheid zou de nadruk krijgen. De vraag is evenwel of die lijnen inderdaad tijdelijk zijn.

Met de Kirchberg-Verklaring van 9 mei 1994 werd aan Bulgarije, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Polen, Roemenië, Slowakije en Tsjechië de status van geassocieerd partner met de West-Europese Unie toegekend. Zoals in het rapport Stabiliteit en Integratie van de Atlantische Commissie wordt opgemerkt: Hierdoor “is een veiligheidsrelatie tussen de WEU/EU en de negen betrokken Midden- en Oosteuropese landen ontstaan”. Met andere woorden, binnen de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa en de Noord-Atlantische Samenwerkings Raad is een scheidslijn getrokken tussen landen die wel en die niet een directe veiligheidsrelatie met de Europese Unie en haar militaire vazal WEU hebben.

Dat de Kirchberg-Verklaring geen hoge golven heeft veroorzaakt, erkennen de rapporteurs. Zij schrijven: “Op zichzelf - militair-operationeel beschouwd - is de relatie met de WEU niet van groot belang. Het uitblijven van een Russische reactie op de Kirchberg-Verklaring wijst daar eveneens op, terwijl daarin toch een onderscheid is gemaakt tussen een aantal Midden- en Oosteuropese landen en de Russische Federatie en de overige GOS-republieken. In die zin is er - voor het eerst sinds 1989 - door het WEU-besluit wel degelijk een lijn getrokken door Europa.”

Geen groot militair belang dus, en evenmin een Russische reactie (positief of negatief), maar wel voor het eerst sinds het jaar van de val van de Muur een lijn die Europa verdeelt. Want hoeveel nadruk er ook wordt gelegd op de betekenis van goede betrekkingen met Rusland - ook in het rapport van de Atlantische Commissie - de veiligheidsrelatie die de betrokken landen uit Midden- en Oost-Europa met de EU/WEU zijn aangegaan, betekent uitsluiting van die relatie van de verder oostelijk gelegen staten. En wie de gevoelens van burgers en politici in Midden- en Oost-Europa verdisconteert, kan niet anders dan de Kirchberg-Verklaring zien voor wat zij is: een poging tot verzekering tegen Russische avonturen.

De aantrekkingskracht van West-Europa voor Oost- en Midden-Europa is gegeven en gemakkelijk verklaarbaar. De vleespotten en de kanonnen die hen beschermen staan nu eenmaal in het Westen. Andersom liggen de zaken ingewikkelder. Zo is er de aanname dat de veiligheid van heel Europa afhankelijk is van de mate van orde verder oostelijk en dat die orde, wil zij duurzaam zijn, moet wortelen in de samenleving daar en niet, zoals voorheen, dictatoriaal mag worden opgelegd. Welvaart of ten minste zicht daarop is een voorwaarde voor een dergelijke toestand. In feite zien we een herhalingsoefening van de manier waarop na de Tweede Wereldoorlog het zwaar ondermijnde West-Europa op de been is geholpen.

Maar waarom dan de speciale veiligheidsrelatie nu? Wel beschouwd was de Amerikaanse hulpverlening destijds, bekend geworden als het Marshall-plan, bedoeld om heel Europa, inclusief de Sovjet-Unie, een economische injectie te geven. De NAVO daarentegen was een tot West-Europa beperkte reactie op de verslechtering van de betrekkingen met Moskou en de veronderstelde dreiging die daarvan uitging. Nu er, zoals in het Westen van hoog tot laag wordt volgehouden, geen sprake is van gevaar, zou, ook gezien het precedent, logischerwijze met een hulpprogramma kunnen worden volstaan.

Het zich verenigende Europa wordt hier achtervolgd door zijn eigen geschiedenis. En dan niet alleen door het feit dat het deze eeuw zoveel oorlogsgeweld heeft doorgemaakt, dat het, getraumatiseerd als het is, zich geen menselijke samenleving kan voorstellen zonder een militair concept. Meer nog speelt mee dat de Europese Unie en de Europese Gemeenschappen waarop zij rust heel nadrukkelijk vanuit de overweging van de handhaving van veiligheid zijn opgezet.

De voorloper van de WEU ontstond in 1947 als een Frans-Brits veiligheidsverdrag tegen Duitsland. De Kolen- en Staal Gemeenschap schiep in 1952 weliswaar een markt, maar vooral ook een supranationale beheersautoriteit over de belangrijkste industriële hulpbronnen van de historische vijanden Duitsland en Frankrijk. Twee jaar later sneuvelde een in oorsprong Frans plan om een Europese Defensie Gemeenschap te vormen in de Franse Nationale Vergadering.

In 1957 kwamen als substituut voor de mislukte EDG de verdragen van Rome tot stand tot oprichting van de EEG (Europese Economische Gemeenschap) en Euratom. De idee van één markt stond centraal, maar het doel van die markt, een grotere welvaart, stond nog voornamelijk in het teken van de veiligheid: hoe meer welvaart hoe minder kans op interne sociale onrust die de vijand, het internationale communisme, in de kaart zou spelen. Tenslotte dan de Gemeenschappelijke Landbouw Politiek van 1962: deze moest een Europa scheppen dat voor zijn voedselvoorziening onafhankelijk was. Voor het geval dit deel van de wereld opnieuw door rampspoed zou worden getroffen.

Het beeld van Europa als een autark politiek-militair bastion bepaalt nog steeds het streven naar een Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheids Beleid en naar een Gemeenschappelijk Europees Defensie Beleid. Zolang het om West-Europa ging, veilig opgeborgen als dat was in de NAVO, was het niet meer dan een theoretische exercitie. Maar nu het verenigde Europa zich uitbreidt naar het Oosten zijn er praktische gevolgen. Een ervan is dat Europa weer door militair bepaalde scheidslijnen wordt doorsneden.