Dubbelgeroofde veren; Tweehonderdvijftig Zuidamerikaanse indianentooien in Keulen

Palmpasenstukken, suikerspinnen, bloemachtige propellers, vurige plumeaus - de kleurrijke indianentooien die nu in Keulen worden geëxposeerd, zijn kunst met een minimum aan gewicht en een maximum aan zeggingskracht. “Nee, dit is geen pronken met andermans veren wat je hier ziet, het is een herschepping van de eerste orde.”

'Federarbeiten der Indianer Südamerikas; Aus der Studiensammlung Horst Antes.' Rautenstrauch-Joest Museum. Keulen, Ubierring 45. T/m 4 juni. Di t/m vr 10-16u, za en zo 11-16u. Cat. 78 DM. Inl. 00-49221 3369413.

Als kind hadden wij de gewoonte om voor het slapen gaan wat schaduwbeelden op de muur te maken. Daarbij gebruikten we een negentiende-eeuws Engels voorbeeldboek en het dierbaarst daaruit was mij de Wild Indian. Dit was de eerste indiaan in mijn leven. Vraag me niet hoe het kwam maar als ik de wilde indiaan had gemaakt, sliep ik altijd als een roos. Om zijn kop met veren op het behang te toveren moest je je handen zo tegen elkaar houden dat de knokkels van de linkerhand het profiel vormden en de vingers van de rechterhand de verentooi. Het was eigenlijk doodeenvoudig maar wat een effect, wat een diepe vervulling om vlak naast je warme bed, bij het schijnsel van een gemoedelijk schemerlampje zo'n intens wild type uit je tamme handen te zien komen! Het kon bijna niet anders of met zulke mogelijkheden in je vingers was je zelf ook een beetje wild. En met name wildheid, die bij uitstek onverwerfbare kwaliteit, werd door ons argeloos als het hoogst haalbare aangeslagen. Waren wilde eenden niet het allerlekkerst, wilde bloemen niet het allermooist, wilde paarden niet het allervurigst, wilde aardbeien niet het allerzoetst en wilde haren niet het allervrolijkst?

De een heeft wilde haren, de ander wilde veren. Over de wildheid van onze indiaan dachten we derhalve niet al te lang na. Ongetwijfeld school die in de tooi. Doordat de veren van het schaduwbeeld naadloos in de kop overgingen, heb ik zelfs een tijdje gedacht dat indianenveren rechtstreeks uit de hoofdhuid groeiden. Een voorstelling van zaken die zo gek nog niet was, omdat hij de onlosmakelijkheid van een en ander treffend symboliseerde. Wie indiaan zegt, zegt tenslotte tevens veer, zoals wie veer zegt tevens vogel zegt. Diep in zijn hart wil elke indiaan een vogel zijn. Geen vogel zonder veren. Bij de meeste indianenstammen wordt de veerloze man - voor de squaw, die van de verendracht is uitgesloten geldt dit niet - dan ook als onvolledig beschouwd. Zonder verentooi kan hij nauwelijks met goed fatsoen voor de dag komen. Dat vind ik ook zo sympathiek aan hun cultuur, dat de natuurlijke band tussen mens en dier niet wordt geschuwd maar gehonoreerd. Misschien wil iedereen in zijn hart wel een vogel zijn - anders was men niet zo tuk op pluimpjes of veren in de kont - maar de indianen zijn de enige die die wens met inzet van hun hele wezen in praktijk hebben gebracht. Terwijl bij ons de veer, tenzij hij zit weggestopt in luxe beddegoed, alleen maar dient om nachtclub-naakt, jagershoed, helm, bloemenvaas of paardehoofdstel op te sieren, betekent hij voor de indiaan een bevestiging van zijn hoogstaande identiteit. Het is deze identiteit (die hem zoals bekend bijna de kop heeft gekost) waaruit een hoeveelheid adembenemende kunst is voortgesproten met een minimum aan gewicht en een maximum aan zeggingskracht. Dankzij de verzamelwoede van de Duitse beeldende kunstenaar Horst Antes kunnen we daarvan in Keulen nu tweehonderdvijftig specimina bewonderen, alle afkomstig uit Zuid-Amerika.

HARPIJ

Bij het betreden van de expositieruimte vallen het eerst twee vitrines met opgezette vogels op. Als portiers staan ze daar. Je kunt er met geen mogelijkheid omheen en bent bijna geneigd ze je kaartje te tonen. Stijf, stoffig en wat wezenloos kijken ze voor zich uit, de een nog bontgekleurder en breedgevederder dan de ander: harpij, ibis, reiger, eend, nandoe, groene ara, gele ara, rode amazone, blauwe amazone, ooievaar, kip, lepelaar, koningsgier, toekan en nog veel meer. 'Hoho, toeschouwer', lijken ze te willen zeggen, 'houd eventjes halt en kijk eerst eens naar ons, want onze soort heeft voor al dat prachtigs de veren aangeleverd.' Dat is waar. Des te groter is daarom de verrassing als je de zalen binnenkomt. Wat daar uit het halfduister aan magnifiek gepluimte oplicht, heeft nog slechts zijdelings met vogels te maken. Als we dan toch geen echte vogels kunnen worden, moeten de indianen hebben gedacht, dan kunnen we in elk geval proberen hun schoonheid te evenaren. Of te overtreffen.

Wonderbovenwonder is ze dat gelukt. Ze hebben zich de vogelveren dermate toegeëigend dat het van de weeromstuit indianenveren zijn geworden. Nee, dit is geen pronken met andermans veren wat je hier ziet, het is een herschepping van de eerste orde. En opnieuw kan ik me ternauwernood aan het idee onttrekken dat al die veren stuk voor stuk uit het indianenlichaam zelf zijn gegroeid. Maar het is het lichaam niet, het is de geest. Ondanks de trieste aanwezigheid der vogeldonoren verschaft zoveel uitbundige kleurigheid je in de eerste plaats een gevoel van feestelijkheid. Ik bedoel dan het soort feestelijkheid waar vuurwerk mee gepaard gaat, vervrolijkend en bedreigend tegelijk. 'Ahh!', roep je onwillekeurig uit zonder precies te weten of het nu van vreugde of ontsteltenis is. Je weet waarachtig niet wat je ziet. Je ziet: uit hun krachten gegroeide slagroomtoeven, bloemachtige propellers, suikerspinnen, vurige plumeaus zo fijnzinnig dat je er nog geen stofje mee af zou durven nemen, kandelaars met gekleurde kaarsen, palmpasenstokken, kwallen met tentakels, rammelaars, een vis, een rok en voorts een hoeveelheid voorwerpen die zich moeilijk laat thuisbrengen. Raadpleging van het piepkleine leporelloboekje dat iedere bezoeker ter informatie bij de ingang krijgt, leert echter dat je je, op vis, rok en rammelaar na, hebt vergist. Je zag namelijk: hoofdtooien, liptooien, pijlen, bogen, oorstekers, neusstekers, halsbanden, diademen, rugstukken, borstopsmuksels en rituele matjes. Een waar festijn van metamorfoses.

Vooral de rok wekte onmiddellijk mijn begeerte. In plaats van plooien bevatte hij ellenlange van diepdonkerblauw naar donkerrood overlopende veren - zelden had ik zulke grote, haast sinistere veren gezien - die slechts van boven aan elkaar waren gezet en verder losjes naar beneden hingen. In teder contrast daarmee was de rokband met de kleinst denkbare zalmroze donsveertjes afgezet. De erotisch-magische uitstraling van het geheel was zo sterk dat ik me afvroeg wat het effect zou zijn geweest met een man erin. Zou hij de lucht zijn ingevlogen?

VENTILATORTJE

Dat brengt me op iets anders. Hoewel het fraaie Rautenstrauch-Joest-Museum werkelijk niets heeft nagelaten om alles zo goed mogelijk voor het voetlicht te brengen, had ik het getoonde toch liever op een indiaan dan in een vitrine gezien. Ook liever tegen een beweeglijke groene dan tegen een statische witte achtergrond. Kortom, ik kreeg ineens een geweldige behoefte aan weer en wind. Veren mogen dan nog zo salonfähig lijken, het zijn en blijven wilde buitendingen, die horen te ruisen, te wiegelen en te deinen. In een afgesloten ruimte lukt dat niet. Waarschijnlijk had een verdekt opgesteld ventilatortje hier en daar geen kwaad gedaan. Daar staat natuurlijk tegenover dat je alleen maar naar Keulen hoeft te reizen om dit allemaal op je gemak te kunnen bekijken zonder de wirwar van Zuidamerikaanse oerwouden door te moeten. Ook is het een groot voorrecht om zulke ingenieus vervaardigde, bijna heilige voorwerpen van dichtbij te mogen bestuderen, maar daar denkt niet iedereen hetzelfde over.

Terwijl ik me met mijn neus tegen het glas nog aan de vederrok stond te vergapen, kwam er in mijn rug een jong stel aangezet. Geroutineerde meuseumbezoekers, dat zag je zo. Ik ging opzij. Ze wisten de museale afstand tot de rok uitstekend te bewaren. Schattend deed de vrouw zelfs nog een paar pasjes extra achteruit. Daarna kneep ze haar ogen halfdicht, om zoals dat heet niet door details te worden afgeleid, en verzuchtte tevreden: “Nét abstracte kunst.” 'Inderdaad', zei de man, “daarom juist.” Mijn oren tuitten. Voor de zoveelste maal moest ik lijdelijk aanhoren hoe met een bepaald air een uiterst beperkte opvatting van beeldende kunst ten beste werd gegeven. Ik begreep heus wel wat er werd geïmpliceerd, maar hier stonden toch geen vorm- en kleurstudies uitgestald? Alsof de gebruikswaarde er niks toe deed! Alsof dit geen rok was! Alsof die rok niet bedoeld was om een gestalte te omvatten! Alsof niet alles om ons heen knetterde van de magie! Alsof die magie van de functie los te koppelen was! Alsof de functie van de schoonheid los te koppelen was! In gedachten kwam mij het werk van hedendaagse vederkunstenaars als Rebecca Horn voor ogen. Zij hebben ijverig leentjebuur bij de indianen gespeeld. Hun keurige abstracte werk kan zo de musea voor moderne kunst in, rijp voor 'het discours'. Alleen, waar is de bezieling gebleven?

Misschien kan men zich beter afvragen waar de indianenkunst haar bezieling vandaan haalt. Daarvoor keren we naar de vogels terug. Zoals reeds opgemerkt wil elke indiaan een vogel zijn. Waarom wil hij dat?

Om te beginnen is een vogel een dier. Aangezien de indiaan de opvatting huldigt dat mensen, dieren, bomen en stenen binnen het universum gelijkberechtigd naast elkaar leven, heeft hij totaal geen last van het vooroordeel dat de eigen soort iets bijzonders, laat staan iets beters, zou wezen. Daarom is het niet onbegrijpelijk als hij zich met een dier identificeert en er zelfs zijn geestelijke potentie en bescherming aan ontleent. Maar waarom moet dat dier een vogel zijn? Dat heeft weer te maken met de wijze waarop er in hun cultuur over vogels wordt gedacht. Ten eerste zien ze in de vogelmaatschappij, die zich in het oerwoud op zijn kleurrijkst doet gelden, een afspiegeling van hun eigen maatschappij. Precies als zij zelf leven vogels in verschillende stamverbanden en hebben zij allerlei manieren om hun huizen te bouwen, hun jongen groot te brengen en hun voedsel te vergaren, etc. Verder belichamen vogels de vrijheid, doordat ze in staat zijn zich van de zwaarte van de aarde los te maken en in de onmetelijke hemel te verdwijnen. Deze eigenschap brengt met zich mee dat ze zowel contact met deze als met gene zijde onderhouden. Volgens de sjamanen zijn ze dan ook dé aangewezen figuren om boodschappen en wensen naar beide kanten over te brengen (op de wijze van het bekende liedje Komt een vogel gevlogen met een brief in zijn bek), wat ze een benijdenswaardige status bezorgt.

HEIKEL PUNT

Van de vogel naar de veer is slechts een stap. De veren zijn de haren van de vogel. In de taal van de Braziliaanse Bakairi-stam worden haar en veer zelfs met één woord aangeduid. En als, wat door vele natuurvolkeren wordt aangenomen, de mensenhaar drager van magische krachten is, zouden de magische krachten van de vogel dan niet in zijn veren schuilen? En ligt het dan niet voor de hand dat ze jou deelachtig worden, zodra je je die veren hebt aangemeten?

Nu komen we op een heikel punt, want alvorens er van enig aanmeten sprake kan zijn, zullen de veren aan de vogel moeten worden ontroofd. Dat valt niet direct te rijmen met eerder genoemde gelijkberechtigdheid. Laten we het er op houden dat de indiaan de stralende verleiding van die frank en vrij rondvliegende toverkracht op een gegeven moment niet meer heeft kunnen weerstaan. Dat het hem te machtig is geworden. Dat hij ook hogerop wou. In een verenpak zon en sterren tegemoet. Bovendien: de vogel ging toch grotendeels in hém over?

Vogels laten zich niet zomaar hun veren uitrukken. Daartoe moeten ze eerst worden aangeschoten. Meestal gebeurt dat met een stompe pijl, zodat zo ongeschonden blijven en slechts verdoofd naar beneden vallen. Wanneer ze dan weer wakker worden, zijn ze met uitzondering van de slagpennen al hun mooiste veren kwijt. Weliswaar groeien die later weer aan, maar aangenaam is zoiets niet. Het kan evenwel wreder.

In Tristes Tropiques (waarin men ondermeer kan lezen wat de vooruitgang de indianen heeft aangedaan) doet Lévi-Strauss verslag van zijn bezoek aan de stam der Bororo's. Bij binnenkomst in hun dorp viel hem meteen de erbarmelijke aanwezigheid van compleet blote dierlijke wezens op die nog het meest weghadden van braadkippen op pootjes. Hun veel te grote, veel te kromme snavels zetten hem aan het denken. Het bleken kaal geplukte papegaaien te zijn! Als dat de prijs is die men voor zijn vrijheid moet betalen... Het kan nóg wreder.

De indianen verven hun veren niet. Niettemin hebben talloze ornithologen zich over de herkomst van bepaalde veren de kop gebroken, ofwel omdat ze een kleur hadden die in de natuur niet voorkwam, ofwel omdat de vorm niet paste bij de kleur. Wat bleek? De indianen bedienen zich van een bijzondere techniek om veren van een gewenste kleur uit een vogel te laten groeien. Daartoe wordt eerst een levende pad met een stekelig voorwerp geprikt. Als hij begint te bloeden, wordt hij in een klem gezet. De wond wordt met rode peper bestrooid. Van pijn wringt het beest zich in allerlei bochten. Onderwijl scheidt hij belangrijke sappen af. Deze sappen verbinden zich met het gif in het bloed. Daaraan wordt een bepaald plantenpoeder toegevoegd. Dan is het mengsel klaar. Ze trekken een groene papegaai een paar veren uit, smeren het zalfachtige goedje op de naakte plekken, en zie! Nadat hij dagenlang heeft liggen gillen en kronkelen van de pijn, groeien er plotseling, als waren het krokussen, een stel knalgele veren uit. En die komen goed van pas, omdat de indiaan een duidelijke voorkeur aan de dag legt voor de kleurencombinatie van de Belgische, zo men wil Duitse, vlag. Tapirage heet deze methode en je moet er niet aan denken dat het op jezelf wordt toegepast. Moet er dan altijd geleden worden voor iets moois?

Het is bizar om je te realiseren dat de indianen op hun beurt ook weer van hun veren zijn beroofd. Anders was de verzameling van Horst Antes immers niet tot stand gekomen. Misschien dat er veel geld voor is neergelegd maar dat doet er niet veel toe. In zekere zin is dit dus een tentoonstelling van dubbelgeroofde veren. Het maakt dat je, alle uitbundigheid ten spijt, af en toe overvallen wordt door gevoelens van zwaarmoedigheid. Wie daar niet tegen kan, moet zich maar behelpen met de ronduit schitterende catalogus waarin de meeste objecten in kleur staan afgebeeld, voorzien van achtergrondinformatie en het nodige commentaar.

Wie er wél tegen kan, spoede zich naar Keulen. Al was het alleen maar om aan den lijve te ervaren dat een pond veren lang zo zwaar niet is als een pond lood. Bevlogen lichtheid, dat is het geheim van de wilde indiaan.