Discussie met Roger Rabbit

Michel Rio, Manhattan Terminus, Uitg. Seuil, 124 blz. Prijs ƒ 34,20.

Locatie: een exclusieve, luxueuze bar/bibliotheek in New York waar slechts uitverkorenen worden toegelaten die zich op een of andere wijze op hun vakgebied of in hun persoonlijk leven hebben onderscheiden. Het etablissement wordt gerund door Magog (barkeeper), Gog (receptie) en Demagogue (gerant). Aanwezig: hoofdpersonen uit eerdere romans van Michel Rio als de Engelse zeezeiler en aristocraat Alan Stewart, de geniale bibliothecaris Leonard Wilde en de ik-figuur, het alter ego van de schrijver. Aan belendende tafeltjes bevinden zich figuren als de beroemde Amerikaanse schrijver Roger Rabbit (in wie we moeiteloos Updike herkennen), de blueszanger Scipio Africanus, de militante feministe Gloria O'War en tal van anderen. Aanleiding: de negentigjarige Wilde heeft besloten, voor hij een einde aan zijn leven maakt, zijn vrienden nog eenmaal bijeen te roepen.

We kennen een dergelijk decor van Baldicks Dinner at Magny's van de Café Deutschland-schilderijen van de Duitse schilder Jörg Immendorf, die in een reeks enorme doeken op dezelfde manier de hele Europese moderne kunstwereld verzamelde. Bij Rio zullen zich tegen deze achtergrond een nacht lang filosofische discussies afspelen, nu en dan onderbroken door liederen en slapstickachtige intermezzo's. Zodra de discussies tussen de aanwezigen losbarsten zitten we volop in de thematiek van Rio, die als steeds twee hoofdpunten heeft: de opdracht van de schijver en de relatie tussen wetenschap en fictie. Het eerste kristalliseert uit in een lang gesprek tussen Rabbit, als vertegenwoordiger van het naturalisme, met de ik-figuur die juist een zeer artificiële romanvorm voorstaat en en passant de gelegenheid te baat neemt zijn Franse critici van repliek te dienen. Dit is het aardigste deel van dit boek, voornamelijk omdat hierin alle mogelijkheden voor ironie, verdubbeling en dergelijke die deze verhaalconstructie biedt knap worden benut. Maar geleidelijk aan loopt het procédé uit de hand.

Wanneer de discussie langdurig gaat over de vraag in hoeverre en op welke wijze de literatuur dezelfde problemen kan benaderen als de filosofie of de exacte wetenschappen, krijgen de betogen meer en meer het karakter van wetenschappelijke essays en verdwijnt het roman-aspect vrijwel uit het gezicht, ondanks wat humoristische intermezzo's die vooral bedoeld lijken om de zwaarwichtigheid te breken. Te veel wetenschappelijke verwijzingen, te loodzwaar, te abstract - helaas bewijst dit boek ondubbelzinnig dat Rio voor zijn op zichzelf interessante opvattingen over de verwantschap tussen wetenschap en literatuur nog niet de overtuigende literaire vorm heeft gevonden.