De rotte plekken van de geschiedenis; Concentratiekampen als gedenkteken of attractie

In het debat over de herdenking van de Tweede Wereldoorlog nemen in Duitsland de concentratiekampen een bijzondere plaats in. Deze 'authentieke' plekken zouden beter voor herdenking geschikt zijn dan grote, kunstzinnige monumenten. Maar hoever kan die authenticiteit gaan in kampen die na de oorlog vaak zijn vernietigd of voor andere doeleinden gebruikt? “We moeten hier geen Horrordisneyland scheppen.”

In het boek Die unsichtbaren Lager van Reinhard Matz staat een recente foto van de ingang van een gaskamer. 'Bezoek elk kwartier, gelieve te wachten', staat er met de hand geschreven op een bordje in het raam. Naast de deur is een kinderwagen geparkeerd. Het is een absurde foto, een grof beeld: het leven bezoekt de dood. Een vader of moeder heeft het kind op de arm genomen, kijkt even rond, en kan elk ogenblik weer naar buiten komen. Maar wat doet deze familie hier, in het in de Vogezen gelegen kamp Natzweiler? Zijn het gruweltoeristen? Maken ze een Holocausttour? Of is een concentratiekamp net zoiets als een kasteel, dat men op vakantie bezoekt ter afwisseling van het zwemmen in de rivier en het badmintonnen op de camping?

Vijftig jaar na de ineenstorting van het Derde Rijk is het herdenken van die episode zelf, vooral in Duitsland, een onderwerp van belang geworden. In de Duitse pers verschijnen bijna net zoveel artikelen over de manier waarop de oorlog herdacht wordt als over die oorlog zelf. De laatste jaren komen er hier, als in een eindsprint, steeds meer gedenktekens bij, in heel Duitsland telde men vorig jaar ongeveer tweehonderd nieuwe initiatieven. In het debat over de herdenking nemen de concentratiekampen een bijzondere plaats in. Deze 'authentieke' plekken zouden beter geschikt zijn als herdenkingsplaatsen dan grote, kunstzinnige monumenten die de gruwelen abstract maken. Alleen dan zou nog iets te bespeuren zijn van de verschrikkingen van het naziregime. Vooral de tegenstanders van het grote Holocaustmonument dat over een jaar in Berlijn onthuld zal worden, zien de kampen als een beter alternatief. In Sachsenhausen, Ravensbrück en Buchenwald, alle vanuit de nieuwe hoofdstad gemakkelijk te bereiken, is de herdenking niet door middel van kunst gewatteerd, maar kaal.

Lege vlakte

Maart roert zijn staart in Buchenwald, het vlakbij Weimar gelegen kamp op de noordelijke flank van de Ettersberg. Vanonder de poort trekt het weidse, landelijke uitzicht (bij helder weer kun je het Kyffhäusergebergte zien liggen) meer aandacht dan het kamp zelf; dat is veranderd in een lege vlakte. De barakken zijn gereduceerd tot met stenen gevulde rechthoeken, waarvoor een steen staat met daarop het nummer van de barak. De Poolse schrijver Andrzej Szczypiorski heeft het concentratiekamp omschreven als het absolute niets, de ontkenning van alles wat menselijk is. Misschien past de lege vlakte daarbij. In Auschwitz had een gevangene in 1944 een plan voor een monument gemaakt dat ook van een kale, met stenen geplaveide vlakte uitging. SS-ers zouden tot in alle eeuwigheid het onkruid tussen de stenen moeten wieden.

Het waait. Het sneeuwt. De tieners van een school uit het Ruhrgebied vluchten het voormalige kwartier van de Gestapo in. Daar kunnen ze beter zien hoe het werkelijk geweest is. De gids vult de lege vlakte in. Met een stok wijst ze op een maquette de keuken, de ziekenbarakken, het crematorium aan. Een jongen steekt zijn vinger op: “Was er geen gaskamer in Buchenwald?” “Nee,” zegt de gids. “Maar de SS had genoeg andere manieren om de gevangenen te doden.”

Ook in Sachsenhausen, vlakbij Berlijn, zijn bijna geen barakken blijven staan. Op het moment is er geen voor publiek toegankelijk. De twee 'joodse barakken' zijn twee jaar geleden in brand gestoken, waarschijnlijk door rechts-extremistische jongeren. Na lang aarzelen is besloten ze zo te restaureren dat sporen van de brand zichtbaar zullen blijven, vertelt Manfred Öhlhauser, de nieuwe beheerder van de stichting Brandenburgische Gedenkstätten. In een van de ziekenbarakken, die ook is bewaard, is het archief ondergebracht. Eén klein kamertje is geheel gevuld met dozen. Uit het vloeipapier komen de vergulde koppen van Marx en in Buchenwald vermoorde communistische leider Ernst Thälmann tevoorschijn. In de boekhandel van het kamp worden ze niet meer verkocht. Iets nieuws is er nog niet voor in de plaats gekomen; de schappen zijn karig gevuld. In Ravensbrück, noordelijk van Berlijn aan een klein meer gelegen, tegenover het stadje Fürstenberg, is men al iets verder. Daar is als souvenir nu een glimmende broche in de vorm van een driehoek te koop. Het rode oppervlak is versierd met een toefje prikkeldraad en een rode roos.

De 'Mahn- und Gedenkstätten' Buchenwald, Sachsenhausen en Ravensbrück bevinden zich in een overgangsfase. Want op deze rotte plekken van de geschiedenis is de tijd in 1945 niet stil blijven staan. Sachsenhausen en Buchenwald werden een paar maanden na hun bevrijding door de Russen in gebruik genomen als interneringskampen, aanvankelijk voor nazi's en SS-ers, maar later werden er ook andere vijanden van de Sovjets - sociaal-democraten, communisten met iets andere opvattingen - en volkomen onschuldigen in opgesloten. Eind jaren vijftig, tien jaar na de opheffing van deze 'Speziallager', veranderden de kampen in gedenkplaatsen die de officiële antifascistische ideologie van de DDR predikten. (Overigens veranderden de meeste kampen in de Bondsrepubliek als het al gebeurde, pas veel later in gedenkplaatsen. De meeste werden, net als in Nederland, voor een ander doel weer in gebruik genomen). In het vrouwenkamp Ravensbrück, het grootste concentratiekamp in Duitsland, vestigden de Russen een kazerne voor hun eigen troepen die pas twee jaar geleden werd ontruimd. Hier ontstond in 1959 voor de ingang van het kamp een monument.

De drie kampen, de bekendste maar zeker niet de enige in Oostelijk Duitsland, proberen allemaal voor de vijftigste herdenking van hun bevrijding nog veranderingen door te voeren. Buchenwald (in totaal ongeveer 240.000 gevangenen, 57.000 doden) vierde de bevrijding door de Amerikanen op 8 april, Sachsenhausen (204.000 gevangenen, 100.000 doden) en Ravensbrück (132.000 vrouwelijke en 20 à 40.000 mannelijke gevangenen, 50 à 90.000 doden) de bevrijding door de Russen op 23 april. In Ravensbrück zal voor het eerst een klein deel van het vroegere kamp voor publiek toegankelijk zijn. Waarschijnlijk is het de laatste keer dat de bevrijding in het bijzijn van honderden oud-gevangenen kan worden gevierd.

Stasi

Een bezoek aan een kamp was tijdens de DDR voor scholieren verplicht. De bezoekers zijn nu vooral uit het Westen afkomstig. Maar de leerlingen van de politieschool in Berlijn komen nog altijd. Verlegen luisteren ze naar de verlegen gids, die vandaag zijn eerste rondleiding houdt. “Nou ja, dit is dan dus het crematorium.” Hij wijst naar de resten van de bakstenen ovens, die pas na 1950 vernietigd zijn. De leraar komt hier al voor de zoveelste keer, maar dit hoort hij waarschijnlijk pas een paar jaar. “Vroeger waren de gidsen altijd afkomstig van de Stasi,” fluistert hij tegen me. “Dat was geen probleem, dat wist iedereen.”

In Sachsenhausen hebben, net als in Buchenwald, bijna alle groepen slachtoffers die in de DDR naar de achtergrond waren geschoven of werden verzwegen na de hereniging hun eigen gedenkteken gekregen: de joden bij de joodse barakken, de homoseksuelen ('Totgeschlagen, Totgeschwiegen') aan de muur van de kampgevangenis, de Sinti en Roma aan de barak waarin medische experimenten werden uitgevoerd. Maar ook het grote monument van de DDR staat er nog: het nieuwe Duitsland wil haar geschiedenis niet nog eens selecteren. Twee leerlingen van de politieschool leggen een krans voor het monument, een hoge zuil voorzien van 18 rode driehoeken waarvoor in brons twee gevangenen en een Russische soldaat met een geweer staan. “Hoe kan er op dit monument nu een Russische soldaat staan,” vraagt een leerling verontwaardigd. “De Russen hebben hier toch ook weer een kamp gesticht?”

Op de buitenmuur van het kamp is voor de slachtoffers van de Russen een plaquette aangebracht: 'Aan de slachtoffers van de stalinistische willekeur in Speziallager nr. 7. 1945-1950.' In de tien Russische interneringskampen op Duitse bodem zaten in totaal ongeveer 122.000 Duitsers gevangen, van wie er 42.000 stierven. In de DDR was over het bestaan van deze kampen officieel niets bekend. Tegen het herdenken van deze slachtoffers in Sachsenhausen is door oud-gevangenen van het concentratiekamp heftig geprotesteerd,” vertelt beheerder Öhlhauser. “Zij wilden niet dat op dit terrein ook nazi's en SS-ers, misschien wel hun eigen beulen, herdacht worden.” In Buchenwald is het zover niet gekomen. Op 8 april is er in het kamp wel een monument voor de Sinti en Roma onthuld, maar de slachtoffers van het Speziallager zijn buiten de muren van het kamp herdacht worden. “Door het herdenken van beide kampen op dezelfde plaats relativeer je de Duitse misdaden,” meent Volkhard Knigge, sinds kort directeur van de Gedenkstätte. “Je mag de Duitse en de Russische kampen niet gelijk stellen. Voor we precies weten hoe we de Russische kampen moeten beoordelen, is nog veel onderzoek in de Russische archieven nodig.”

Het monument en museum voor het Speziallager zal volgend jaar worden onthuld ten oosten van het kamp, naast een van de massagraven die hier na de Wende werden ontdekt. Tussen de besneeuwde bomen staan nu kleine houten kruizen, ze vormen een bos in het bos. Hier blijkt hoe moeilijk het is om vorm en inhoud, historie en herdenking goed op elkaar te laten aansluiten: het dodenbos roept door zijn vorm meer emoties op dan het in Buchenwald bewaard gebleven crematorium.

Heilige grond

De scheiding die de tegenstanders van monumenten maken tussen monumenten en concentratiekampen, blijkt in de Oostduitse praktijk niet zo makkelijk te trekken. Ook in de kampen heeft de herdenking, de kunst, het voor een groot deel overgenomen van de historie, de 'authenticiteit'. “Het weghalen van barakken en andere gebouwen is niet specifiek Oostduits,” zegt Knigge. “Dat gebeurde overal in het land der daders. De sporen van de misdaden werden zoveel mogelijk uitgewist.” Ook in door de Duitsers bezette landen is dat overigens gebeurd. De lege vlaktes veranderen de kampen in heilige grond. Knigge ziet het anders. “De leegte kon men gebruiken om een bepaalde interpretatie van de geschiedenis gestalte te geven.”

In de DDR was dat het antifascisme. Het verzet van de communistische gevangenen werd voortdurend op de voorgrond geplaatst. De vernietiging van de joden nam in de Oostduitse opvatting van het nazisme geen belangrijke plaats in. De nog niet bijgestelde tentoonstelling in het museum van Sachsenhausen leert nog steeds dat het 'antisemitisme de uitdrukking van het winststreven van de heersende klasse' is.

Ook op de monumenten in de voormalige DDR komen geen joden voor. Deze monumenten vertonen een aantal opvallende uiterlijke gelijkenissen. Zo is een van de ordenende principes steevast een 'straat der naties', waarop de namen van alle landen waaruit gevangenen afkomstig waren, worden opgesomd. Dit overblijfsel van de Koude Oorlog had als voordeel dat men, terwijl de joden niet apart genoemd hoefden te worden, Duitsland wel onder de slachtoffers kon scharen.

Onder de kampen in de DDR nam Buchenwald een bijzondere plaats in. Met behulp van de legende dat niet de Amerikanen, maar de gevangenen zelf het kamp hadden bevrijd onder leiding van de communisten onder hen, werd Buchenwald gezien als de kiem van de Duitse Democratische Republiek. Het monument dat Fritz Cremer met behulp van onder anderen Bertolt Brecht in 1958 ontwierp, is dan ook op de eerste plaats een overwinningsmonument. Voor het zover was, moest Cremer zijn ontwerp wel een paar keer bijstellen. 'Onze beeldhouwers hebben het onwezenlijke, de lompenkleding, de kort geschoren haren, de verwrongen gelaatstrekken van stervenden en hongerenden tot het wezenlijke gemaakt (-) Zij hebben alleen het lijden gezien, ze hebben het doorslaggevende niet gezien: de strijd, de overwinning,' schreef een gezaghebbend criticus over de eerste versie. De elf meer dan levensgrote mannen die nu het monument vormen, zijn nog wel dun, maar ook gespierd, hun koppen niet meer verwrongen maar vastberaden. Meer dan de helft draagt een geweer. “De grootste nederlaag van de arbeidersbeweging wordt omgezet in haar grootste zege”, zegt Knigge. Aan de voet van dit monument moesten Oostduitse soldaten de eed van trouw zweren. Het monument zal als historisch voorbeeld van de DDR-ideologie behouden blijven.

Experimenten

In de meeste kampen is alleen het gevangenenkamp zelf tot herdenkingsplaats gemaakt. De huidige bestuurders willen nu allemaal hun terrein uitbreiden. Allereerst zal er meer zichtbaar worden gemaakt van de verblijven van de SS - in de DDR waren de daders bijna onzichtbaar geworden. In Buchenwald is een deel van de dierentuin die de SS vlak voor het kamp had aangelegd, al gerestaureerd. Ook het station wordt weer opgebouwd, om te laten zien dat het kamp niet buiten de wereld stond, maar er mee verbonden was.

De gevangenkampen zelf zullen niet herbouwd worden. Knigge heeft wel een barak teruggekocht, die bij een muziekvereniging in Weimar in gebruik was als repetitieruimte. Maar daar blijft het bij. “We moeten hier geen Horrordisneyland scheppen. Bovendien moet alles wat wij laten zien authentiek zijn. We willen de revisionisten niet in de kaart spelen.” Ook Öhlhausen meent dat een reconstructie van een kamp niet zinvol is, “vooral omdat de realiteit van de terreur toch nooit werkelijk weergegeven kan worden.”

De nieuwe tentoonstellingen in de musea van de kampen zullen wel meer aandacht besteden aan het dagelijks leven van de gevangenen en de organisatie van het kamp. In Ravensbrück, waar de nieuwe expositie evenals in Buchenwald al klaar is, wordt voor het eerst aandacht besteed aan mensen die als asocialen of criminelen gevangen zaten. Het museum eert nu ook de vrouwen die in Buchenwald en andere kampen als prostituées in de bordelen bestemd voor de gevangenen moesten werken.

“In Buchenwald zal de hiërarchie van de verschillende groepen gevangenen worden belicht,” vertelt Knigge. “Evenals het communistische verzet in het kamp en de schaduwzijde daarvan. De Duitse communisten namen in het kamp vaak belangrijke posities in. Daardoor konden zij ook over de dood van andere gevangenen beslissen: met de van de SS geleende macht bepaalden zij bijvoorbeeld welke gevangenen voor experimenten met vlektyfus geselecteerd werden.”

Maar ook in de musea laat men niet zien hoe het werkelijk is geweest. Niet alleen omdat dat onmogelijk is, ook omdat het niet wenselijk is. “Het probleem,” zegt Knigge, “is dat men wel iets over Buchenwald kan leren, maar men kan er niets ván leren. Een concentratiekamp heeft geen positieve boodschap. Als men laat zien hoe de SS de gevangenen heeft ontmenselijkt, bestaat de kans dat de bezoekers zich niet meer met de slachtoffers, maar met de daders gaan identificeren. Een gedenkplaats loopt altijd het gevaar hen als overwinnaars neer te zetten.”

Het Belower Wald

Midden april 1945 werden Sachsenhausen en Ravensbrück door de SS ontruimd. De gevangenen moesten, voor het front uit, naar de Oostzee lopen. Daar wilde de SS hen op schepen laden, die op volle zee tot zinken zouden worden gebracht. In de buurt van het stadje Wittstock werden de gevangenen in het Belower Wald samengedreven. De SS richtte hier een zogenaamd woudkamp in; een stuk bos werd met prikkeldraad afgezet. Honderden gevangenen zijn hier gestorven. In de bomen kerfden zij tekens: cijfers, namen, 'Hier waren Russen'.

Ook het Belower Wald is door de DDR tot een gedenkplaats gemaakt. Er is een klein museum en langs de bomen met inscripties is een route uitgezet; ze zijn gemarkeerd door rode driehoekjes op stokjes.

Het Belower Wald is een bijzondere plek; het is de enige plek die zowel gedenkplaats als gedenkteken is; de tegenstelling is opgeheven. In het Belower Wald hebben de gevangenen hun eigen monument gemaakt. Armando's 'schuldig landschap' is door de gevangenen zelf gemerkt. Ze wilden niet vergeten worden.

Maar de inscripties zijn nu, vijftig jaar later, niet meer goed te lezen. Ze zijn met de bomen meegegroeid, de inkervingen zijn rondingen geworden, zacht en donzig. Over nog eens vijftig jaar zullen ze zijn verdwenen. Het Belower Wald zal dan waarschijnlijk nog een gedenkplaats zijn. Maar er is dan wel een nieuw monument nodig.