De onbeantwoorde vraag

Dit wordt een nogal rommelig - of, om een gewichtiger woord te gebruiken, eclectisch - stuk. Maar misschien net geschikt voor Goede Vrijdag.

Ik begin met Eugen Kogon. Wie is - of liever: was - Eugen Kogon? Eugen Kogon was een Duitse publicist, die al in 1946 een studie schreef over het concentratiekampsysteem: Der SS-Staat. Zelf had hij van 1939 tot 1945 in zo'n kamp gezeten. (Het wordt wel eens vergeten dat er ook Duitsers in die kampen zaten; van 1933 tot 1938 zelfs uitsluitend Duitsers.)

Welnu, van Eugen Kogon worden nu de Gesammelte Schriften uitgegeven. Van deel I en II las ik onlangs een recensie in de Frankfurter Allgemeine. En daarin het volgende citaat: “Bestaat er een god die de 'vader van ons allen' is - de vader van de joden en van de SS'ers -; of is het raadzaam de menselijke natuur te wantrouwen, haar als tot het kwade geneigd te beschouwen - dus afscheid te nemen van de illusie van het goede van de menselijke natuur?”

Met alle respect: dit is geen tegenstelling. Anders gezegd: het een sluit het ander niet uit. Als er een god is die de “vader van ons allen” is, dan betekent dat nog niet dat dus de mens goed is. Omgekeerd: als zo'n god niet bestaat, dan betekent dat nog niet dat de mens dus tot het kwade geneigd is.

Wat weten we per slot van rekening van God? Zijn beschikkingen zijn ondoorgrondelijk en zijn wegen onnaspeurlijk, zegt de bijbel. En in de apocriefe boeken staat: “Wij kunnen de diepten van 's mensen hart niet peilen noch ontdekken wat een mens denkt; hoe kunnen wij verwachten Gods bedoelingen te kunnen uitvorsen - God, die al die dingen heeft gemaakt?”

Ik vond dit citaat in de bespreking van een ander boek, God: A Biography door Jack Miles, in de International Herald Tribune. Ik haal mijn wijsheid veelal uit besprekingen. Maar dit terzijde. De les die ik hieruit trek is dat degenen die in God geloven, moeten ophouden te proberen Gods bedoelingen uit te leggen, maar dat zou veel priesters en dominees overbodig maken.

Interessanter is de vraag - die Eugen Kogon in het citaat overigens niet stelde - of er een god kan zijn die de vader van zowel de joden als de SS'ers is. Mij dunkt, vanuit de christelijke opvatting wèl. Vanuit die opvatting was het dus niet zó vreemd dat president Reagan, samen met bondskanselier Kohl, in 1985 een militaire begraafplaats in Bitburg bezocht waar ook, zij het in een hoekje, SS'ers begraven lagen. (Overigens heeft ook de Wehrmacht zich aan heel wat oorlogsmisdaden bezondigd, zoals een tentoonstelling die op dit ogenblik in Hamburg te zien is, aantoont.)

Over God hebben ook François Mitterrand en de Nobelprijswinnaar Elie Wiesel gesproken, en van die gesprekken, die zich over enkele jaren hebben uitgestrekt, hebben beiden een boek gemaakt, dat zojuist is uitgekomen: Mémoire à deux voix. Ik heb dit boek evenmin als de eerder genoemde gelezen, maar wèl een samenvatting ervan in Le Monde van 11 april.

De jood Wiesel is gelovig gebleven; Mitterrand, rooms-katholiek opgevoed, niet. Hij heeft zijn geloof in de oorlog verloren. De samenvatting in Le Monde vermeldt niet waarom. Toch niet, hoop ik, omdat hij niet meer kon geloven in een God die Auschwitz had toegelaten? Want dat is een non sequitur: uit de werkelijkheid van Auschwitz volgt niet dwingend dat God niet bestaat. Misschien is Auschwitz wel een van zijn ondoorgrondelijke beschikkingen geweest.

Wèl aanvaardt Mitterrand het bestaan van een onstoffelijk “beginsel” en van een “verklaring”, hoewel hij niet weet welke die zijn. Zou de formule waar sommige natuurkundigen naar op zoek zijn en die de verklaring zou zijn van geheimen als die van het weer, de waterstromen, de bewegingen vogelzwermen en de 'leliën des velds' (ik schreef daarover op 7 april) - zou die formule hem bevredigen?

Hij is kennelijk op zoek naar een verklaring. Geen wonder, want hij lijdt aan kanker en de dood is op zijn gelaat geschreven. Enkele weken geleden bezocht hij de meer dan negentig jaar oude, rooms-katholieke filosoof Jean Guitton om met hem over dood en hiernamaals van gedachten te wisselen. Pascal zou zeggen: “Gij zoudt mij niet zoeken als gij mij niet gevonden had.”

Het is dezelfde Jean Guitton, lid van de Académie Française, die de doopvader was van mr. J.W. Beyen, oud-minister van buitenlandse zaken, toen hij in 1961 toetrad tot de rooms-katholieke kerk (hij was toen ambassadeur in Parijs, en zijn doop geschiedde in de Saint-Germain-des-Prés). Beyen besluit zijn boek Het spel en de knikkers (1969) met deze woorden van Jean Guitton (die ik deze keer onvertaald laat):

“Chacun de nos actes recèle une pensée inexprimée. Et c'est à la fin de notre vie que, considérant la chaîne obscure de nos actes, nous comprenons la pensée secrète de notre destin.” In een brief die Beyen mij op 28 mei 1969 schreef, nadat ik zijn boek in de toenmalige Nieuwe Rotterdamse Courant had besproken, schreef hij:

Dit citaat van Guitton “laat een vraag open, waarop ikzelf het antwoord niet weet - nu niet, 'vers la fin de ma vie”', ik zal het, vrees ik, ook niet weten 'à la fin de ma vie' ”, want ook zijn overgang tot de rooms-katholieke kerk “licht geen tip van de sluier op over de zin van mijn handelingen. (...) Naar de zin van de reeks mijner handelingen vraag ik voortdurend en wacht, evenals Heines Narr, 'auf Antwort'.” Of hij, in de zeven jaar die hij nog te leven had, dit gevonden heeft, weet ik niet.