De hang naar het kwaad

Anders dan verwacht, hadden de studiejaren geen invloed op mijn voorkeuren. Colleges, werkgroepen en tentamens konden niet voorkomen dat de belangstelling groot bleef voor wat, zeker in deze kring, bekend stond als vulgair. Tekenend was een onverminderde hang naar het griezelige en macabare, naar al wat in de bioscoopwereld gemakshalve 'horror' heet. Een krakende tak, een gordijn dat flapt in de wind, een piepende deur en dan, opeens, de angstschreeuw als het onzegbare zich openbaart: dit alles oefende nog steeds een onweerstaanbare aantrekkingskracht uit.

Wat dit betreft was het gesternte tijdens de eerste studiejaren gunstig. Door een gelukkig toeval viel die periode samen met de opkomst van Hammer, een bescheiden Britse studio die zich specialiseerde in goedkope, snel gemaakte films over het kwaad in velerlei vorm. Hammer vestigde zijn naam in 1957 met The Curse of Frankenstein, een kassucces dat de aanzet vormde tot zes vervolgen. Al na een jaar kreeg Frankenstein gezelschap van zijn donkere kompaan Dracula, die zich eveneens zeven maal manifesteerde. In beide series zorgde Christopher Lee voor het reguliere griezelwerk, maar aangrijpender was het aandeel van zijn tegenpool Peter Cushing: een overbeschaafde geleerde die zich, in het algemeen belang, geroepen voelde verschrikkelijke dingen te doen.

Zijn enige concurrent was Vincent Price, een Amerikaanse acteur in wiens gevoileerde stem dreiging en weemoed werden vereend. Zijn faam stoelde vooral op House of Wax (1953), praktisch de enige film waarvoor het publiek bereid bleek een 3-D bril op te zetten. De reacties waren soms heftig. Mijn metgezel, onkundig van de aard van het gebodene, kreeg door Price de schrik van haar leven. Tegen de tijd dat zijn masker brak en het misvormde gezicht eronder zichtbaar werd, gooide zij vol afschuw haar brilletje op de grond. Pas toen de schrik was weggeëbd, werd het toch nog een leuke avond.

Een zelfde effect viel later te sorteren met Them!, een thriller die na een rustige start ontaardde in een angstvisioen waarin radioactieve reuzenmieren de aarde overnamen. 'Ach, het is maar een film', zei ik geruststellend, maar in mijn hart wist ik wel beter.

Tijdens de studie drong het besef door dat dergelijke uitjes niet meer voldeden. Een goed alternatief bood Ingmar Bergman, die begin 1959 Nederland voor zich won met De glimlach van een zomernacht, een sierlijke komedie over een weekend vol liefde en erotiek. Op de drempel van het leven viel daarna een beetje tegen, maar die winter vormde Het Zevende Zegel het gesprek van de dag. Kruisvaarder Max von Sydow schaak spelend met de Dood, een jonge heks op de brandstapel, reizende komedianten in een land waar de pest rondwaart - elke keer weer maakten deze beelden diepe indruk, zoiets was nog nooit vertoond.

De vierde maal was ik in gezelschap van een meisje dat er anderhalf uur sprakeloos naar keek. Ook toen we na afloop naar buiten liepen, hulde zij zich in een doordringend zwijgen; zelfs op de fiets naar huis kwam daarin geen verandering. Pas nadat de mandfles chianti was geopend, meer dan een uur later, werd de beklemming verbroken. We hadden zojuist iets uitzonderlijks gezien, zei ze, zoekend naar de woorden: een film die vragen opriep over jezelf en de wereld, over het leven en de dood.

Deze reactie vormde een extra aanwijzing dat een nieuwe tijd was aangebroken. Alle aandacht ging uit naar een golf van films die dankzij een persoonlijker aanpak en inhoud meer losmaakten dan gebruikelijk was. Veel van dit aanbod kwam uit Frankrijk waar, zoals het heette, een Nouvelle Vague de pijlers van de 'cinéma du papa' ondermijnde. Wie daarover op de hoogte wilde blijven las bij voorkeur de Cahiers du Cinéma; een passend alternatief was Jan Blokker die in het Algemeen Handelsblad de nieuwe beweging voor Nederland verklaarde.

Op zijn gezag stroomde het publiek naar het Leidseplein Theater, Kriterion, Cinétol en de andere zalen die zich openstelden voor de pas ontdekte regisseurs (toen liefst aangeduid als auteurs). Koploper was, in september 1959, Claude Chabrol met Les Cousins, op de voet gevolgd door Alain Resnais (Hiroshima Mon Amour) en François Truffaut met Les 400 Coups, een subliem portret van een puber die zijn weg in het leven probeert te vinden. Een half jaar daarna was het de beurt aan A Bout de Souffle van Jean-Luc Godard, een met minimale middelen voltooid debuut dat Jean-Paul Belmondo introduceerde als anti-held en onderwijl de grenzen verlegde van de filmgrammatica.

Maar de snelle ontwikkeling had ook haar schaduwzijde. De vernieuwers kregen vele volgelingen die zich, nu het aanzien van het medium toenam, opeens kenbaar maakten als fervente filmliefhebbers. In navolging van de Fransen, vergaten zij niet hun waardering te uiten voor regisseurs als Nicholas Ray, Don Siegel, Raoul Walsh en Stanley Donen: Amerikaanse filmers die nooit veel applaus hadden geoogst maar zich nu, tot hun eigen verbazing, op een voetstuk zagen geplaatst. Eindelijk gerechtigheid, dacht ik eerst, maar al snel groeide de achterdocht. Hoe kon het dat deze bewonderaars onbekend waren met de bioscopen die, jaar in jaar uit, hun favorieten vertoonden? Waar waren zij toen Stanley Kubricks Paths of Glory indertijd op de Nieuwendijk draaide? En waarom kwam het ook nu niet in hun hoofd op naar Tuschinski te gaan om daar, bijvoorbeeld, Imitation of Life te zien?Deze vragen spookten door het hoofd toen ik kort na de première van A Bout de Souffle, als een daad van stil protest, een paar uur doorbracht in de Royal. Op het programma stond Monster on the Campus, een 'shocker' met een sterk thema: een professor besmet zichzelf met cellen van een prehistorische vis en verandert daardoor van een stille geleerde in een tierend gedrocht. De regisseur heette Jack Arnold, dezelfde die eerder al met The Incredible Shrinking Man voor een klein mirakel had gezorgd. Desondanks bleek zijn naam, ook na lang zoeken, niet te vinden in de langzamerhand flinke stapel Cahiers du Cinéma.

De teleurstelling daarover hield niet lang stand. De geneugten van zo'n ouderwetse griezelavond waren nu eenmaal voorbehouden aan de fijnproever.