De geur van instinct en gasolie; De poëzie van de lange adem van Tsjêbbe Hettinga

Bij de tweetalige bundel Vreemde kusten / Frjemde kusten van de Friese dichter Tsjêbbe Hettinga hoort een cd. Daarop staan voordrachten van de bijna blinde Hettinga. “Ze maken iets duidelijk dat we alweer bijna vergeten waren in onze poëziecultuur. de gedachte dat poëzie vluchtig is, gemaakt van vergankelijk materiaal, van lucht, adem, geluid, van een stem.”

Tsjêbbe Hettinga: Vreemde kusten / Frjemde kusten. Tweetalige editie. Ned. vert. Tsjêbbe Hettinga en Benno Barnard. 64 blz. Id.: De foardrachten. CD met voordracht in het Fries. 51 minuten. Uitg. Atlas. Prijs voor beide uitgaven ƒ 49,90

Men wordt niet iedere dag door een dichter veroverd, en zeker niet in zes seconden. Ik kreeg een bundel van ene Tsjêbbe Hettinga, zonder flaptekst of andere toelichting. Hij had twee titels, Vreemde kusten en Frjemde kusten, want het was een tweetalige uitgave, met links de Friese tekst en rechts de vertaling door Benno Barnard en Hettinga zelf. Er hoorde een cd bij waarop de dichter zijn eigen gedichten voorlas. Ik wist niets van Hettinga, zette de cd op en gaf mij na ongeveer twee regels al gewonnen. Er waren toen volgens het cd-scherm zes seconden verstreken. In die zes seconden kan ik niets anders gehoord hebben dan: Oan swarte stielkabels hawwe de bokken / De nacht boppe see en haven úttakele. Mooie regels, prachtig beeld, ook in vertaling, maar dat wist ik achteraf pas. Wat ik in die zes seconden hoorde was niets meer of minder dan een stem, en wel de stem van iemand die recht uit zijn hart sprak en dat vervolgens ruim vijftig minuten zou blijven doen, acht lange gedichten lang. Mij was overkomen wat veel bezoekers van poëzieavonden moet zijn overkomen: overrompeling door de voordracht van Hettinga.

Inmiddels weet ik iets meer. De dichter is geboren in 1949. Hij publiceerde tussen 1973 en 1991 vier bundels in het Fries. Hij kent zijn tientallen regels lange, rijmloze gedichten uit zijn hoofd. Hij is bijna blind en dat kun je als het ware horen: dit is niet de stem van een dichter die een gedicht voorleest, maar die het in zich omdraagt, die levende beelden voor zich ziet en die zijn zinnen uitspreekt alsof ze hem ter plekke invallen. Ik kan wel zeggen dat zijn stem zo mooi is (nu weer eens stoer, dan weer zwaarmoedig, nu weer eens ingetogen, dan weer in vervoering), dat hij zo knap weet te versnellen en te vertragen, dat hij soms vreemde accenten legt en raadselachtige stiltes laat vallen, dat hij opmerkelijk genoeg de titels van zijn gedichten niet opzegt, maar gewoon met de eerste regel begint, dat hij doet denken aan Walcott en Brodsky, maar dat zegt allemaal niet zo veel voor wie de stem niet kent. En bovendien raakt het niet de kern van de sensatie van zijn voordracht: de gedachte dat poëzie vluchtig is, gemaakt van vergankelijk materiaal, van lucht, adem, geluid, van een stem - iets dat we alweer bijna vergeten waren in onze poëziecultuur van geschreven gedichten die worden gelezen en herlezen. Hettinga horen is poëzie ondergaan, zoals je muziek ondergaat. En daarbij hoort, behalve het gevoel dat er hier en nu iets gebeurt, ook een besef van vergeefsheid en van een eeuwig te laat, zeker als je probeert erover te schrijven.

Vergankelijk

Er is wel een bundel waarin de tekst valt na te lezen en er staat wel een vertaling naast, maar die komen er toch achteraan, als de verbleekte weergave van een gebeurtenis die zich elders al heeft afgespeeld. Deze ervaring van ontglipping hoort bij alle mooie muziek en bij alle grote poëzie. Dat zij zich bij Hettinga zo sterk voordoet komt niet alleen door zijn overrompelende voordracht, maar ook door het Fries: we spreken het niet, maar verstaan er wel genoeg van om voortdurend het gevoel te hebben dat ons iets ontglipt. En verder is er de dichter zelf die ons er op wijst: 'Niets dat vergankelijker is dan geluid', weet Hettinga. Het is ontroerend dat te horen uit de mond van een bijna blinde dichter. Hij zegt het terwijl hij op een oever bij het Wijckeler Hop ligt en luistert naar een kieviet (die in het Fries heel toepasselijk 'kwyt-kwyt' roept en in de vertaling 'qui-vive'), naar de bronzen klokken van de toren van Woudsend in de verte en naar 'de onzin' van een koekoek in het bos.

Hoe meer hij hoort, hoe meer hij beseft dat niets vergankelijker is dan geluid. 'En een Mercedes met gillende meisjes / en ramen als wagenwijde monden, / giert achter mij door de bocht bij het meer en / raakt, tenslotte, in tijd en weiden, weg.'

Vergankelijkheid en vluchtigheid: ik geloof niet dat Hettinga zich daartegen werkelijk wil verzetten, behalve dan met gedichten die door een vlechtwerk van bewegende, in elkaar overvloeiende beelden bijeen worden gehouden. De eerste twee regels van de bundel en van de cd, die over de hijsbokken die de nacht boven zee en haven hebben uitgetakeld, zijn het begin van een prachtig gedicht waarin twee werelden bij elkaar proberen te komen. De zee en het land zoeken elkaar, op allerlei manieren. De kreten van de meeuwen worden overgenomen door de meisjes op de wal. De wind van de zee gaat op zoek naar de geuren van het land. De straten van de stad worden waterstraten. De sikkel van de maan wordt een uitgeholde boot. Het is één groot zoeken en overvloeien, allemaal beelden voor het zoeken van de zeeman die aan land gaat en daar een huis, of tenminste liefde of troost, hoopt te vinden. Maar zee en land, 'de drukke kaaien en de moede nazomer, / de bokken en de mokkels vinden elkaar niet'. En de matroos, urenlang dolend door de hoerenkroegen van het havenkwartier, weet diep in zijn hart ook wel waarom hij op deze vreemde kust niet thuis zal komen: hij is 'een zeeman die nog landrot is', in hemzelf hebben zee en land elkaar nog niet gevonden, en het is de vraag of dat ooit zal gebeuren.

Dit lange havenvers geeft al wel ongeveer aan waar het in de gedichten van Hettinga om gaat. Dit is poëzie van grote thema's en grote gevoelens, van romantiek in de geest van Slauerhoff: van liefde en dood, vrouwen en vergankelijkheid, zwerven en zelfkant, drank en eenzaamheid, de nacht en het nachtleven aan verre en vreemde kusten, maar daarnaast ook van het licht en de stapelwolken van Friesland, van meren en weilanden, paarden en mest en veel meeuwen. In alle gedichten is een ik aan het woord die zijn stemmingen, gedachten en herinneringen in rijke beelden uitzegt en -zingt. Dit is dus lyriek. Maar als lyriek maar lang genoeg duurt wordt het vanzelf epiek, zeker als, zoals bij Hettinga, zijn zangen zijn opgehangen aan duidelijke locaties en een verhaal vertellen met een duidelijk begin en eind. Dan worden het al bijna liederen, balladen, vertellingen van een troubadour - maar geen zoetsappige. Zelf spreekt Hettinga enkele keren van de blues. Het gaat dan wel niet om hemzelf, maar het is wel een aardige karakterisering van zijn weerbarstige poëzie.

Ergens op een strand klinkt uit een radio op een koelbox 'harren stimbrutsen blues', 'de blues van hun brakke stem': gezegd van de harpoeniers die op het strand rondhangen, in afwachting van de verschijning van de 'hoogbenige', 'door de zon met zilver behangen' plaatselijke schone die door hen allen wordt begeerd. Zij duikt uit zee op, als een hedendaagse Venus, en ook overigens vertoont zij mythologische trekken (Helena), zoals de harpoeniers op hun beurt aan de vrijers rond Penelope doen denken. Zinderende sfeer, broeierigheid, strandhotel, leren pakken, motoren, beauty-cases, radio's, koelboxen, bijna surrealistische beelden, bezieling van de natuur, mythologie - het geheel vertoont veel overeenkomst met het epos Omeros van Derek Walcott, van wie Hettinga trouwens poëzie in het Fries vertaald heeft. Wat Hettinga nog meer met Walcott gemeen heeft is het vermogen om zijn beeldenvloed in bedwang te houden. Hoe hij dat precies doet is moeilijk uit te leggen. Men moet het ondergaan, al deze metamorfosen: hoe het bos een zee wordt en ruist 'in deze golvenhoge sparren', hoe de prenten (de voetsporen) van de vos de prenten van een fotografe worden, hoe de spiegelreflex van haar camera een weerkaatsing van beelden in de herinnering oproept en hoe aan het slot het spoor van de vos weer een spoor van ijzer wordt, een treinspoor 'dat uitkomt aan mij bekende kusten.' Zo keren Hettinga's beelden steeds terug naar hun uitgangspunt. Daar ergens moet het wonder van zijn poëzie zich ophouden: de beelden stuwen elkaar voort, maar gaan intussen ook verbanden met elkaar aan en laten na afloop wel degelijk een cyclische indruk na. Hettinga offert aan de voortgang zoals een prozaïst, maar weet intussen zijn verhalen een typisch dichterlijke beslotenheid mee te geven - wat een ingewikkelde manier is om te zeggen dat hij iets kan wat heel weinig dichters kunnen: poëzie van lange adem schrijven, de boog lang gespannen houden.

Als poëzie van zichzelf dicht is en proza open, dan bevindt de poëzie van Hettinga zich daar op een heel bijzondere manier tussenin. Hij zegt het zelf met zoveel woorden in de enige poëticale passage in zijn bundel, in het prachtige gedicht 'Het wagenhuis'. Het speelt zich af op een 'dag die tussen twee seizoenen scharniert', tussen 'de bonte lappen van de zomer' en de ingetogenheid van een sobere en grijze oktoberdag. Een Nuffield-tractor begeeft zich na gedane arbeid naar huis, over een weg vol drek en platgereden bietenloof, 'in een uitzicht zonder hoeven, huizen, in eindeloze akkers' en het gedicht en de dichter gaan met hem mee: 'naar een punt dat sluit als een open scharnier, zich ontsluit / als een gedicht' en dat punt is 'een wagenhuis vol stille leegte' (de Friese tekst spreekt van een openstaand wagenhuis vol stille leegte). Mooi beeld voor het gedicht. Het wagenhuis is een 'koelhuis voor / de Nuffield, die, aanstonds, na zal tintelen zonder dat iemand / het opmerkt' - een nog mooier beeld voor het gedicht. Maar daar blijft het niet bij. Juist op het moment waarop trekker, dichter, seizoen en gedicht tot stilstand lijken te komen, na 24 volle regels, zingt het zich weer open in een even lange verbeelding van hoe de dichter ooit, in eenzelfde wagenhuis, de liefde ontdekte, op een warme zomerdag, in een decor van trekkers, stof, aarde, diesel en wilde krullen, in een 'geur van instinct en gasolie'. En zo neemt het gedicht zelf als het ware de vorm aan van een scharnier. Het bestaat uit twee panelen die open en dicht gaan rond deze dag die tussen twee seizoenen scharniert. In de laatste regels wordt dan de zomer en de bijbehorende herinnering alsnog doorgegeven aan de winter. De dichter hoort een vrachtwagen, geladen met bieten, terugschakelen voor de brug over de Bottevaart, en hij ruikt hem: 'warme dieselwalm kruipt in een winterjas'.

Vreemde kusten is ook zonder cd een sensationele bundel. Hettinga is geen orakelende blinde ziener wiens poëzie het bij lezing nog blijkt te houden ook. Het is eerder omgekeerd: hij is een heel bijzondere dichter, lyricus en constructeur ineen, een dichter die spreektaal kan laten zingen, een bonte schilder die heel goed weet wat hij doet en die, zeldzaam verschijnsel, bij dat alles zijn eigen werk nog eens prachtig kan voordragen ook.

FRAGMENT UIT TSJÊBBE HETTINGA, VREEMDE KUSTEN / FRJEMDE KUSTEN:

Oan swarte stielkabels hawwe de bokken

De nacht boppe see en haven úttakele.

De gjalpen fan seefûgels, op it wetter

Yn 'e slomme, binne oernommen troch fammen

Dy't op hichte havenjonges befleane.

De wyn, dy't sâlt en frjemde tongslaggen ynhat

Sylt plichtmjittich as in parlefinker troch

De wetterstrjitten fan 'e stêd, de kaaien del

Dêr't de houdini's fan de grutte feart fluch

De boeien fan de lange dining ôfdogge

De stegen troch nei dearin'de herten, om

Lichtsinnich oan 'e swier te gean mei roken fan

Lavendel, lear, knyflok, tabak, benzine.

De drokke kaaien en de wurge neisimmer

De bokken en de mokkels fine elkoar

Net: sykjend in seeman, dy't noch lânrôt is. Ik. Aan zwarte staalkabels hebben de bokken

De nacht boven zee en haven uitgetakeld.

De kreten van zeevogels, op het water

Dommelend, zijn overgenomen door meisjes

Die hoogkeels op havenjongens afvliegen.

De wind, met zout en vreemde talen geladen

Zeilt plichtmatig als een parlevinker door

De waterstraten van de stad, de kaaien langs

Waar de houdini's van de grote vaart vlug

De boeien van de lange deining afdoen, en

Door stegen, naar doodlopende harten, om

Lichtzinnig aan de zwier te gaan met geuren van

Lavendel, leer, knoflook, tabak, benzine.

De drukke kaaien en de moede nazomer

De bokken en de mokkels vinden elkaar

Niet: er zoekt een zeeman, die nog landrot is. Ik.