De apotheose van een openstaand boek; De grote werken van Mitterrand en Lubbers

François Mitterrand en Ruud Lubbers hebben als president en premier allebei meer dan een decennium geregeerd. Het architectonisch erfgoed dat ze achterlaten verschilt echter nogal; waar Mitterrand de architectuur een belangrijke plaats in zijn beleid toedichtte trok de Nederlandse overheid zich onder Lubbers voornamelijk terug uit de architectuur.

Wat is de opvallendste overeenkomst tussen François Mitterrand en Ruud Lubbers? Dat zij gedurende nagenoeg eenzelfde, onafgebroken periode aan het bewind zijn geweest. Lubbers drie maal vier jaar als minister-president van ons land, van 1982 tot mei 1994; Mitterrand twee maal zeven jaar als president van Frankrijk, van 1981 tot mei 1995.

Tussen de gewezen eerste minister en de bijna gewezen president bestaan verder vermoedelijk alleen verschillen, maar de samenloop van de regeerperioden is verleidelijk genoeg om de volgende vergelijking te maken: welk architectonisch erfgoed wordt door Mitterrand in Frankrijk nagelaten en welke nationale, architectonische schat hebben de drie achtereenvolgende kabinetten onder het Lubbers-gezag aan Nederland geschonken?

Buiten dat het Rotterdamse bedrijf van de familie, Hollandia Kloos, onder meer bruggen bouwt, heeft oud-premier Lubbers nooit blijk gegeven van enige persoonlijke affiniteit met architectuur. In letterlijke zin vertrouwde hij de inrichting van ons land, de 'gebouwde cultuur' toe aan de twee verantwoordelijke departementen, het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en het ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur.

In Frankrijk, dat wil zeggen in Parijs, heeft de president in eigen persoon gedurende de veertien jaar van zijn bewind de nationale architectuur tot in de puntjes geregisseerd. Niet met idealistische nota's en richtlijnen zoals de Nederlandse regering, en ook niet met boeken en architectuurscholen - de middelen waarmee in Engeland prins Charles gedurende het afgelopen decennium zijn aandoenlijke kruistocht voerde tegen de dynamisch spiegelende Dallas-kubussen aan de Britse horizon. Nee, president Mitterrand koos voor de koninklijke weg om de architectuur van zijn land te dienen, de weg van Lodewijk de Veertiende en Napoleon de Derde: hij kroonde zichzelf tot de hoogste bouwheer van de Franse hoofdstad.

Met het nieuwe onderkomen van La Bibliothèque Nationale de France, op 30 maart jongstleden in Parijs 'geopend' - tussen aanhalingstekens omdat het publiek er pas in 1997 terecht kan - is de apotheose bereikt van de bouwheerschappij van de 78-jarige president. Het reusachtige bibliotheekcomplex aan de linkeroever van de Seine is het laatste van de Grands Travaux, de weergaloze reeks Parijse bouwwerken die grotendeels op het conto van Mitterrand kunnen worden geschreven. Voor de bibliotheek koos hij bijvoorbeeld zelf de architect uit de laatste vier overgebleven kandidaten na een spectaculaire internationale prijsvraag met vierhonderd deelnemers. En Dominique Perrault - vanwege zijn betrekkelijke jeugd, zijn speelse argeloosheid, en de elegante, transparante schoonheid van zijn ontwerpen de 'Mozart' van de Franse architectuur genoemd - veranderde in opdracht van de president het silhouet van Parijs met vier glazen hoektorens, elk in de vorm van een openstaand boek.

Belastingdienst

Het als zakelijk bekend staande Lubbers-tijdperk heeft één gebouw opgeleverd in de vorm van een openstaand boek. Het staat aan de rand van Amsterdam bij Station Sloterdijk en is ontworpen door de Friese architect Abe Bonnema, dezelfde die het silhouet van Rotterdam definitief heeft veranderd met de wolkenkrabbers voor Nationale Nederlanden naast het Centraal Station. De titel van het in Sloterdijk verdwaalde boekgebouw is misschien kenmerkend voor het cultuurverschil tussen het Frankrijk van Mitterrand en het Nederland van Lubbers, 'Belastingdienst' staat in grote, heldere letters op de gevel te lezen.

Wat maken de Travaux van Mitterrand zo groot? Het is verleidelijk om de verklaring te beginnen met de schaal en de prijs. De Opéra Bastille, het Grand Louvre met de piramide, de Grande Arche de la Défense en het Parc de la Villette met onder andere de wondermooie Cité de la Musique, ontworpen door Christian de Portzamparc, zijn stuk voor stuk omvangrijke, ontzagwekkend dure projecten. De totale staatsbijdrage aan de culturele liefhebberij van de president is uitgerekend op ongeveer tien miljard gulden. 'Van ons belastinggeld!' hoor je ook de Fransen roepen. Dat hebben zij inderdaad vaak geschreeuwd en geschreven. De verwijten van eigendunk en grootheidswaan aan het adres van de socialistische president waren niet van de lucht, maar Mitterrand raakte van al dat kabaal en gepruttel allerminst verstoord en bleef rustig met Perrault de tropenhouten trappen en de kleur van de vloerbedekking van 'zijn' grote bibliotheek bespreken. Wat de tegenstemmen bij alle Grands Travaux vroeg of laat deden verstommen waren de culturele en historische waarden die Mitterrand aan al zijn reusachtige projecten wist te verbinden. Met aan de ene kant de Grande Arche in de commerciële wijk La Défense en aan de andere kant de Louvre-piramide - waarvoor de president persoonlijk de Amerikaans-Chinese architect I.M. Pei had aangezocht - werd de acht kilometer lange voie royale gemarkeerd die, met halverwege de Arc de Triomphe, een magistrale uitdrukking is van Frankrijks macht en historische grootheid. Dat in dit kostbare stedelijk ensemble de door uitdijende terrassen, voortwoekerend straatmeubilair en wildgroeiende reclame-boodschappen vervuilde Champs Elysées moest worden aangepakt, was vanzelfsprekend. De bijna als een horlogemaker opererende, stedebouwkundig ontwerper Bernard Huet nam de beroemdste boulevard ter wereld onder handen en bracht visuele rust en schoonheid, daar waar eerst wanorde en verloedering heersten. Hij deed derhalve het tegendeel van wat er met de beroemdste boulevard van Amsterdam, het Damrak en Rokin, is gebeurd. Huet 'verrijkte' de Champs Elysées niet met nieuwe, speelse vormen en kleuren die eerder in een frivole badplaats thuishoren dan in een grootstedelijke historische binnenstad, hij verwijderde ze. De nieuwe toonzetting van de Champs Elysées heeft de esthetiek van de zorgvuldig uitgevoerde, moderne architectuur die wordt gedragen door de zuivere lijnen, vormen en materialen die ook de Grands Travaux kenmerken. Niet alleen de schaal en de prijs maken de Travaux van Mitterrand groot; het zijn ook de cultuur, de innerlijke distinctie en de weldadig op de stedelijke omgeving neerdalende esthetische uitstraling waardoor deze president met 'zijn' bouwkunst in Le Grand Paris nog lang zal voortleven.

Waarom zijn de Travaux van het Lubbers-tijdperk niet groot? Om te beginnen omdat het een Hollandse eerste minister aan absolute macht ontbreekt en verder omdat de onderhavige eerste minister nooit heeft gezegd dat de bouwkunst bepalend is voor het beoordelen van een beschaving, zoals Mitterrand stelde vlak voordat hij in 1981 tot president werd gekozen. Groot in de zin van formaat komt in de Nederlandse architectuur nauwelijks voor en in figuurlijke zin is onze grote architectuur zelfs vooral klein, namelijk woningbouw. Voor dure, 'rijke' gebouwen zijn wij met onze geschiedenis van gewoon doen en zuinigheid en de voorwaarde dat alles zo snel mogelijk rendement moet opleveren, nooit geporteerd geweest. De economische waarde van cultuur schijnt op rekenmachines die in Frankrijk in omloop zijn wel te kunnen worden becijferd en in dat land zelfs vaak aan de zijde van de baten behoorlijk te kunnen oplopen. Tel-apparatuur in Nederland slaat botweg af als er achter de post 'culturele waarde' een bedrag moet verschijnen, of er staat ineens een dun vraagteken waarmee een trouwhartige boekhouder ook niet uit de voeten kan. Iets meer vrijmoedige en fantasierijke omgang met 'de cijfers', zou het uiterst schappelijk geprijsd museum - ongeveer 7,5 miljoen - dat Aldo van Eyck en Karel Appel voor Middelburg hadden bedacht, overeind hebben geholpen. Vooral wat culturele uitstraling betreft zou het museum in de toekomst voor de Zeeuwse gemeente ontegenzeggelijk tot de grote architectonische werken hebben behoord, zoals dat het geval is met de nieuwe musea in Groningen en Maastricht.

De gelukte musea in Groningen en Maastricht en het mislukte Middelburgse museum geven aan dat áls er in het gedecentraliseerde Nederland al sprake zou zijn van schimmen van enige Grands Travaux met een culturele bestemming deze door, altijd financieel behoeftige, lokale overheden werden en worden gebouwd. Daarin verschilt de situatie diepgaand van die in Frankrijk waar de Grands Travaux van Mitterrand alleen tot stand konden komen dankzij de in Parijs gecentraliseerde politieke en culturele macht.

In ons land zijn de verhoudingen zo geregeld dat de verantwoordelijkheid voor de eventuele Grote Werken van het Lubbers-gezag bij de Rijksgebouwendienst ligt. En zie, daar verschijnen ineens drie grote werken in Den Haag: het vroeg-oude Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (1989, architect Herman Hertzberger), het werkelijk vernieuwende Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (1992, architect Jan Hoogstad) en de ingenieuze, maar architectonisch weinig overtuigende uitbreiding van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (1992, architect Pi de Bruijn). Het zijn drie bouwwerken die door hun omvang tot de Grands Travaux van Lubbers zouden kunnen worden gerekend, maar bij twee van de drie, de bouwwerken van Hertzberger en De Bruijn, is het zeer de vraag of zij voldoende allure en culturele uitstraling bezitten om werkelijk tot 'grote' architectuur te behoren. Het ministeriegebouw van Jan Hoogstad staat weliswaar in een stedelijke woestenij die voorlopig nog voor geen enkele uitstraling vatbaar is, maar de architectuur van deze machtige serre-compositie is zo helder en op een aangename manier indrukwekkend dat zelfs Mitterrand er weleens tevreden over zou kunnen zijn.

Confectie

De radicale omslag die de Rijksgebouwendienst in de afgelopen zeven jaar heeft gemaakt is van beslissende invloed op de categorie gebouwen die voor de eredivisie van oud-premier Lubbers in aanmerking komen. Op een symposium, in december 1992 gehouden in het toen gloednieuwe VROM-gebouw, sprak de toenmalige en dit jaar scheidende rijksbouwmeester Kees Rijnboutt namens de regering de volgende woorden: “U weet dat vijf jaar geleden de kerntaak van de Rijksgebouwendienst van bouwen naar huisvesten is gewijzigd en dat de overheid in het algemeen zich nadrukkelijker op haar kerntaken terugtrekt. Dat betekent dat de Rijksgebouwendienst zich meer en meer bedient van de faciliteiten van de markt en zichzelf ook als marktpartij wenst op te stellen. Bovendien leven we in een rijke samenleving die er een 'arme' overheid op nahoudt en dat betekent dat het vermogen dat de samenleving heeft geaccumuleerd in andere fondsen ook voor de rijkshuisvesting wordt aangesproken. Dat is de politieke en maatschappelijke realiteit van deze tijd.” Nooit meer zou de Rijksgebouwendienst als enig opdrachtgever naar buiten kunnen treden. Vervlogen was de droom dat een door een allesverterende hartstocht voor de architectuur gedreven eerste-minister 'zijn' Rijksgebouwendienst zou misbruiken om eigenlijk onbetaalbare, maar cultureel onschatbaar waardevolle, grote bouwwerken aan Nederland na te laten. Professor Rijnboutt voelde dat onder zijn toehoorders gevoelens van teleurstelling leefden, dat angsten voor een zee van geestdodende confectie-architectuur de kop opstaken en hij vervolgde dan ook: “Sommigen kunnen nog niet met deze realiteit leven en zien nostalgisch om naar de tijd dat de rijksoverheid voor 'alle' bouwprojecten eigen financiering beschikbaar had en romantiseren er lustig op los. Zij zijn zich de politieke realiteit onvoldoende bewust en staan met de rug naar de dag van vandaag.”

Premier Lubbers had het niet treffender kunnen zeggen. En alle bezoekers van het symposium waren na deze woorden doordrongen van de hechtheid van het verbond dat de Rijksgebouwendienst met de markt had gesloten. Alleen voor heel specifieke bouwwerken die uitsluitend één doel kunnen dienen, zou de rijksbouwmeester nog als opdrachtgever en bouwheer fungeren, voor gevangenissen bijvoorbeeld. Daarom moet iedereen die op zoek is naar de Grote Werken van Lubbers beslist de nieuwe gevangenissen in Grave, Sittard, Arnhem, Leeuwarden, Hoogeveen, Hoorn en Rotterdam in ogenschouw nemen. Het zou bijvoorbeeld een omissie zijn wanneer 'De Schie', het kleurrijke en revolutionaire onderkomen voor gedetineerden in Rotterdam, eind jaren tachtig ontworpen door Carel Weeber in de Grands Travaux van Lubbers zou ontbreken.