CONSUMENTENELEKTRONICA; Kern zonder pit

Consumentenelektronica, waaraan Philips het grootste deel van zijn mondiale reputatie heeft te danken, is de grootste, maar zeker niet de sterkste produktsector van het concern. Het afgelopen jaar zorgde 'CE', zoals de sector binnen Philips door het leven gaat, voor ruim een derde van de omzet en een schamele 12 procent van het bedrijfsresultaat.

De gemiddelde marge op de verkoop van televisies, radio's, videorecorders, cd-spelers en wat dies meer zij bedroeg slechts 2 procent. Absoluut onbevredigend, vindt de Philips-top, die 4 procent het minimum noemt.

Een belangrijke negatieve factor hierbij is Grundig, dat al enkele jaren fors in de rode cijfers zit. Het verlies van CE in 1993 was geheel te wijten aan deze Duitse dochter, die Philips toen minimaal 450 miljoen gulden kostte. Reductie van (personeels)kosten en aanpassing van het produktenpakket moet Grundig, zo is de verwachting, in 1995 uit de verliezen halen.

Daarmee is Philips er niet. De voornaamste karakteristieken van de markt voor consumentenelektronica zijn de verzadiging ervan en het grote aantal aanbieders van produkten. Consumenten die zich toch laten overhalen een derde televisie aan te schaffen zijn niet bereid grote marges te betalen.

Om in zo'n concurrerend veld op de been te blijven bewandelt Philips twee paden: stringente kostenbeheersing en ontwikkeling van nieuwe consumentenprodukten. Met het eerste gaat het wel goed. Een recente splitsing van CE in de produktdivisies Sound & Vision (tv, geluidssystemen), Car Systems (autoradio's en dergelijke) en Business Electronics (computermonitoren) heet succesvol te zijn. Kosten worden strakker onder controle gehouden, markten zijn gerichter te bewerken. In zijn algemeenheid geldt dat Philips beschikt over geavanceerde, grootschalige fabrieken die qua doelmatigheid niet onderdoen voor die van de overwegend Japanse concurrentie.

De ontwikkeling van nieuwe markten is een heel ander verhaal. Na het succes van de begin jaren tachtig geïntroduceerde CD-speler is een aansprekend vervolg eigenlijk uitgebleven. Philips stak miljarden in ontwikkeling en verkoop van produkten als digitale televisie (HDTV), interactieve compactdisc (CDi) en digitale cassette (DCC). De baten zijn onduidelijk, maar niemand twijfelt eraan dat het concern zwaar geld moet bijpassen.

Dat wil zeggen: HDTV stierf begin jaren negentig al een roemloze dood en een volgend hoofdstuk digitale tv wordt pas volgende eeuw geschreven. DCC, de digitale opvolger van de analoge cassetterecorder, verkoopt nauwelijks. Topman Lévy van Philips-dochter PolyGram verwees het systeem al naar de 'intensive care'. CE houdt vol dat de vervanger van de ouderwetse analoge cassettespeler straks een DCC-apparaat is. Een geluk bij een ongeluk lijkt dat Sony's MiniDisc, een concurrerend digitaal audiosysteem, evenmin aanslaat.

Het geloof in CDi blijft Philips wel uitdragen, hoewel het concern maar bitter weinig volgelingen heeft en derhalve in zijn eentje de wereldmarkt rijp moet maken. Met vertraging werd het aantal van een miljoen verkochte CDi-spelers gepasseerd. Het computergerelateerde CD-ROM, dat met CDi vergelijkbare toepassingsmogelijkheden biedt en in veel groter aantallen verkocht is, wordt door menigeen meer kans van slagen toegedicht.

Een nieuwe scoringskans leek Philips te krijgen met zijn versie van de Digitale Video-Disc (DVD), een compactdisc met hoge capaciteit waarop een complete speelfilm kan worden gezet. Aartsrivaal Sony koos aanvankelijk voor de Philips-technologie, maar onder aanvoering van 's werelds grootste producent van consumentenelektronica, het Japanse Matsushita, is inmiddels een krachtig kamp ontstaan dat een andere DVD-standaard voorstaat.

De zekerste optie voor resultaatverbetering van Philips CE lijkt vooralsnog verdere verhoging van efficiency, beheersing van kosten en exploratie van nieuwe geografische afzetgebieden. De verplaatsing van produktie- en onderzoeksactiviteiten naar het Verre Oosten brengt dat tot uitdrukking.

NB: Het gezamenlijke bedrijfsresultaat van de zes hier beschreven sectoren bedraagt 4,398 miljard gulden. Het feitelijke resultaat is evenwel 3,758 miljard. De vertekening ontstaat doordat Philips 640 miljoen gulden aan concernkosten (fundamenteel onderzoek, octrooien en dergelijke) niet aan specifieke sectoren toerekent.