Begrip voor het verraad; De film Golgotha en het zondebokmechanisme

Golgotha (1935, Julien Duvivier, met Robert Le Vigan als Jezus, Jean Gabin als Pontius Pilatus en Lucas Gridoux als Judas) is tot en met 26 april te zien in het Filmmuseum te Amsterdam. De Zondebok van René Girard (1982) is uitgegeven bij Kok Agora.

Ook in het Filmmuseum kunnen we komende dagen de Kruisiging bijwonen, in een versie uit 1935, van de Franse regisseur Julien Duvivier. Deze versie staat te boek als de eerste geluidsfilm van het passieverhaal. Eindelijk kon het bioscooppubliek de hanen ook horen kraaien! En, wat net zo voornaam is, Jezus horen spreken. Dat gebeurt zo weinig mogelijk in deze film - de wereld is in beweging, de hoofdpersoon nauwelijks. De paar keer dat Hij Zijn stem verheft zijn enigszins kritiek, want Hij klinkt temeriger, monotoner dan je je voorstelde. En Hij spreekt Frans.

De film is gemaakt in een tijd waarin men zich Hem nog wekelijks voorstelde, voor een publiek dat een uitgesproken katholieke hang naar aanschouwelijkheid had. Ik was natuurlijk vreselijk benauwd of deze Jezusbenadering nog zou 'kunnen'. De laatste keer dat ik (op video) een passieverhaal had gezien was The Last Temptation of Christ geweest. Die maakte een grote indruk op me, omdat het in die film ging om een man van wie steeds duidelijker werd dat hij doodsbang was voor de inwendige stemmen die tegen hem zeiden dat hij zich moest laten kruisigen. Wat je zag was iemand die onder zijn roeping uit probeerde te komen, maar de roeping was sterker, hij moest zich zelf opofferen.

Er wordt je in The Last Temptation dus gevraagd om je in Jezus in te leven. Dat was modern, maar ook aanmatigend. Die stemmen die hij hoorde, die hadden ook iets van waanzin, en in een waanzinnige kun je je, als het er op aan komt, niet inleven zonder zelf ook te desintegreren. Je wilt altijd op afstand blijven om niet meegezogen te hoeven worden. Daardoor bleef deze Jezus toch een 'geval'. Je kreeg weliswaar steeds meer ontzag voor de worsteling met de inwendige stemmen, maar uiteindelijk keek je met een soort van verbijstering naar 'een mogelijkheid van de menselijke psychologie'.

In Golgotha, de film van Duvivier, wordt nauwelijks een poging gedaan om op een vergelijkbare wijze in de huid van Jezus te kruipen. Wel zijn er legio momenten waarop de camera ziet wat Hij ziet - mensen die Hem smekend aankijken, tegenstanders die Hem ondervragen, Judas die Hem zal verraden. Je kunt dan zeggen dat je Hem even 'bent', dat je gevraagd wordt om na te voelen wat hij voelde - maar het merkwaardige van deze subjectieve camera-instellingen is dat ze maken dat je je met verdubbelde kracht inleeft in degene die je ziet. Het Jezusperspectief heeft als resultaat dat je wilt weten waarom degene die je aankijkt zo'n kwaad geweten heeft.

Maar je kijkt in deze film natuurlijk ook met anderen mee, en wanneer je dan de Hoofdpersoon ziet is het telkens weer de vraag: zou ik Hem ook verraden hebben, of niet? Want over verraad gaat het onophoudelijk gedurende Zijn laatste week, tenzij je alsnog heimelijk vindt dat Hij beter gekruisigd kan worden. Als je bereid bent om, voor de film begint, aan te nemen dat men Jezus 'zonder reden' haat; dat hij ten onrechte beschuldigd wordt; dat hij werkelijk niets op zijn kerfstok heeft, dan is het zelfs van eminent belang om voor jezelf te bepalen of je Hem, net als iedereen, zou hebben verraden of niet. We kennen de afloop. We weten dat Hij volmaakt onschuldig toch de meest sadistische doodstraf opgelegd heeft gekregen. Er moet een lering te trekken zijn ...

Toch is iedere passieverfilming geslaagder naarmate de regisseur aannemelijker heeft weten te maken dat iedereen (behalve de drie vrouwen) z'n handen van Hem heeft afgetrokken - leerlingen, tegenstanders, menigte, hogepriesters en vrienden. Speelfilm is immers drama. En drama is meeslepender en overtuigender naarmate je je beter kunt inleven in alle partijen. Dit verhaal zou in de lucht blijven hangen als we niet, op welke manier dan ook, begrip konden opbrengen voor het verraad, dat door vrijwel iedereen wordt gepleegd. Wat op papier in de Evangeliën, op een onwaarschijnlijk beknopte wijze gepresenteerd wordt als gebeurtenissen, mededelingen - Petrus die in slaap valt, Pilatus die zijn handen wast, Judas die zijn zilverlingen incasseert - wordt in een film iets dat je dwingt 't je 'voor te stellen' - je wordt zelfs gevraagd van Petrus, de beste vriend, te begrijpen dat hij Jezus loochent. Dat laatste kost overigens nog de minste moeite. Dankzij de beweeglijke camera en de mensenmenigtes is het een zeer meeslepende film geworden, die je in een tamelijk direct contact brengt met de lynchbelustheid en de bloeddorst van een massa. Het is heel goed te zien waarom Petrus, midden in zo'n menigte, hardop ontkent Hem gekend te hebben. En als je, tijdens deze loochening 'met Jezus meekijkt', en de schichtige, ontwijkende blik van Petrus ziet, dan gebeurt er, dramaturgisch gesproken, iets buitengewoons. Het is, inderdaad, alsof je, met die blik der blikken méékijkend, oog krijgt voor meer dan alleen de aantoonbare loochening. Het is alsof je dwars door Petrus heen kijkt en ziet hoeveel pijn de loochening hem zelf doet.

Intussen is de molen van het collectieve verraad draaiende en maakt de film glashelder dat in de Evangeliën een zondebokmechanisme werkzaam is. Die term is van de Franse filosoof René Girard, volgens wie iedere samenleving ertoe neigt om één iemand (of groep) de oorzaak van alle onbehagen te laten zijn, en om die ene vervolgens uit te stoten of op te offeren. Volgens Girard gelooft men daarbij ook werkelijk in de schuld van de zondebok - die heeft bijvoorbeeld in een Griekse tragedie ook een taboe overtreden of een misdaad begaan. Het onvergelijkelijke van de Christusmythe is dat de zondebok volmaakt onschuldig is. Anders dan, zeg, Oidipoes, heeft Jezus geen enkel taboe overschreden. Toch moet hij aan het kruis - en dat plaatst een ieder die dit verhaal vertelt in een bijzondere positie. Hij moet vertellen dat mensen, tot de dood er op volgt, iemand die helemaal nergens schuldig aan is, kunnen veroordelen en vervolgen. En als je dit verhaal werkelijk 'zuiver' wil vertellen, dan moet je het zondebokmechanisme, dat volgens Girard de kracht heeft van een evolutionair, 'natuurlijk' principe, zo onvermijdelijk en onontkoombaar mogelijk voorstellen. Je moet laten zien, en doen navoelen, hoe vanzelfsprekend en logisch het is dat mensen een man als Jezus verraden.

Ik was Girards boek over dit mechanisme, De zondebok, net aan het lezen toen ik Golgotha zag, en ik begreep dat het geen toeval was dat uitgerekend een Evangeliefilm uit de jaren dertig zo'n prachtige illustratie bij deze zienswijze is. De film was toen niet alleen een massamedium geworden, zij was, dankzij de verbeterde cameratechnieken en het toegevoegde geluid, ook meer dan ooit de uitdrukking van het massale zelf geworden. Het publiek wilde door zichzelf meegesleept worden, door denderende menigtes en legers figuranten. De tijd was rijper dan ooit voor een nieuwe versie van het zondebokmechanisme - en dat maakte deze film, geloof ik, zo meeslepend. Het is een bijna schaamteloze manier van mensenmassa's in beeld brengen, en dat maakt het verhaal des te overtuigender.

Toch is het niet de Jezusblik die de meeste indruk op me maakte - zelfs niet de blik waarmee je gevraagd wordt te kijken naar de menigte die zich verlekkerd had aan de geseling - maar de blik van Judas. Op een gegeven moment heeft die zich van tafel verwijderd. We weten dat Jezus weet dat Judas de verrader zal zijn. We hebben met Hem mee naar Judas gekeken die deed alsof hij niet werd gezien. Judas is opgestaan. Maar voor hij definitief uit het verhaal zal verdwijnen om Jezus aan te geven, kijkt hij, vanuit een belendende ruimte, om. Hij ziet iets wat sindsdien, tweeduizend jaar lang, het heiligste van het heiligste is gebleven. Hij is de eerste die het ziet: het brood dat gebroken wordt, de wijn die wordt doorgegeven. Judas kan niet weten wat er gebeurt, want hij hoort niets. Hij ziet, als in een stomme film, de gebaren van de allereerste consecratie. Hij moet zich letterlijk losrukken van het schouwspel: eigenlijk weten wij alleen, als toeschouwers, van welk schouwspel Judas zich losrukt. Weinig zo tergend als de blik van een buitengeslotene. Op een of andere manier maakten deze Judasseconden mij iets duidelijk wat gelovigen natuurlijk al lang weten: heilig is niet iets, maar dat wat mensen heilig noemen, en wat ze heiligen. Je kunt er niet van buitengesloten worden anders dan door je zelf.