WETENSCHAP EN SPELREGELS

In 1513 schreef Niccolo Machiavelli in zijn Il Principe: 'Er is niets moeilijker om aan te pakken en gevaarlijker om uit te voeren, niets onzekerder wat succes betreft dan het voortouw te nemen bij de invoering van een nieuwe orde van zaken. Want de vernieuwer heeft als vijanden al degenen die het goed deden in de oude orde, en vindt slechts lauwe ondersteuning van hen die het misschien goed gaan doen in de nieuwe orde'. Vernieuwing is daarom vaak een machtsspel. Wie heeft er wel, en wie heeft er geen baat bij? Hoeveel macht of geweld kunnen de partijen aanwenden bij het doorvoeren dan wel tegenhouden van vernieuwing?

Tenzij het om een innovatie gaat die van direct nut is voor iedereen, zal de vernieuwer altijd moeten rekenen op min of meer ernstige tegenwerking. Eerst tegen de vernieuwing, en vervolgens tegen de persoon zelf. Of de innovatie een stap dichter richting waarheid is, in de buurt van iets mooiers of beters komt, doet er weinig toe. Als het bedreigend is, zullen zij die zich bedreigd voelen overgaan tot enige vorm van geweld, klein of groot, afhankelijk van de belangen die op het spel staan. Daarom zijn innovaties, ook in wetenschap en technologie, vaak verstoken van rozengeur en maneschijn.

De Amerikaan Horrobin voerde in de jaren tachtig een onderzoek uit naar de onderdrukking van innovatie in de wetenschap. Hij toonde aan dat de wetenschappelijke vernieuwer het niet gemakkelijk heeft. Een vernieuwing, aangeboden in de vorm van een artikel, kan door collega-onderzoekers afgewezen worden voor publikatie. Beoordeling door vakgenoten, het peer review, heeft dus ook nadelen. Horrobin analyseerde een hele reeks van dergelijke gevallen van 'onderdrukking'. Bekende voorbeelden zijn Nobelprijswinnend werk, eerst afgewezen voor publikatie (Krebs, biochemie; Berson en Yalow, immunologie). Veel onderzoekers, zo stelde hij vast, zijn tegen innovatie tenzij het hun innovatie is. Daar kunnen persoonlijke, maar ook nationale motieven - not invented here - een rol spelen. Zelf het meest creatieve par excellence, de wetenschapsbeoefening, kan daarom volgens Horrobin niet ontsnappen aan, wat hij noemt 'de psychopathologie van de onderdrukking van vernieuwing'.

'If sheperds do not believe that wolves exist', constateert hij droog, 'then some of the sheep are going to have a bad time.' Horrobin meent overigens dat deze 'onderdrukking' ook voortkomt uit een te fanatieke opvatting van kwaliteitsbewaking: dit nieuwe is zo raar, dat zal wel niet goed zijn, misschien wel fraude. En, inderdaad, dat kan het geval zijn. Wetenschapsbeoefenaren zullen er op verdacht moeten zijn dat hun collega's enig geweld zullen aanwenden om vernieuwingen te torpederen. Vervelend, maar eigenlijk niets bijzonders. Het geldt immers voor alle terreinen van menselijke activiteit. Wetenschapsbeoefening is daarop geen uitzondering. In de meeste gevallen blijft het geweld binnen de perken. Iedere complexe organisatie zal proberen al haar hebbelijkheden en onhebbelijkheden door middel van zelf-regulatie te beheersen. Anders heeft niemand meer baat, en gaat de hele zaak naar de bliksem.

Daarom had de harde wereld ten tijde van Machiavelli al de nodige spelregels. Competitie is er een van. Laat maar eens zien wie de sterkste is, wie het eerst met een belangrijke innovatie komt. Op basis van competitie volgt selectie, en zodoende kan elk systeem, elke organisatie zich versterken. Een ander gevolg van competitie is gezag: hij of zij is gewoon de beste, of behoort tot de groep van de besten. Zelfs daar waar geen competitie lijkt te zijn, of ontkend wordt, bestaat hij toch. Een persoonlijke relatie bijvoorbeeld is meestal de einduitkomst van een proces dat in veel opzichten de kenmerken van een competitie heeft.

Competitie leidt tot selectie, en selectie levert een elite. Die elite zien we in de sport, en ook in de wetenschap. Daar is niets slechts aan. Het betekent niet dat mindere goden geknecht worden. Het betekent evenmin dat er geen solidariteit zou bestaan. Al was het alleen maar omdat de elite telkens ververst zal moeten worden, ook vanuit de groep die (nog) niet-elite is. Goede zelf-regulatie van een complex systeem blijft alleen in stand als de gevolgen van de spelregels voortdurend aan het doel - vernieuwingen leidend tot meer inzicht en betere kwaliteit - getoetst worden. De succesvolle wetenschapper weet van wanten en is goed van de spelregels op de hoogte. Niet voor niets kan wetenschap - naast alle mooie intellectuele aspecten - vergeleken worden met sport, avontuur of zelfs oorlog ('stand houden aan het front van de wetenschap').

Wetenschap levert ongetwijfeld genoegens voor de beoefenaren zelf. Maar zoals elke competitie wordt het spel niet alleen voor de deelnemers gespeeld. Er is ook nog publiek. Dat publiek betaalt. Het heeft zijn voorkeur. En invloed. Daardoor zullen bepaalde competities meer in de aandacht komen, en ruimer beoefend worden. Dat is al heel lang zo, en dus ook niets bijzonders. De beoefening van de wetenschap in de zeventiende eeuw, bijvoorbeeld de sterrenkunde, had de kooplieden als publiek. Dat laatste, oud-Hollandse voorbeeld laat zien dat het publiek niet alleen komt voor vermaak. Het wil er ook wat van opsteken. Men wil er profijt van hebben. Immers, dachten de kooplieden, een vernieuwing in de sterrenkunde kan een vernieuwing in de scheepvaart betekenen. De kooplieden waren machtig, en geheel volgens de lijnen van Machiavelli ging het goed met de vaderlandse wetenschapsbeoefening. Dat de professor een beetje raar was, al lopende over straat komeetbanen berekende en daarbij wel eens tegen een lantaarnpaal opliep, ach, dat vonden de kooplieden niet zo erg. Laat de geleerde met rust, hij komt vast met iets. Stel je voor dat hij zich even druk over alledaagse zaken moest maken als wij, kooplieden. Hij zou geen tijd meer hebben om na te denken, en dat zou voor ons, kooplieden, een ramp zijn.

Wat had je toch een rustig, beschaafd en verstandig wetenschappelijk publiek, in die tijd! Terwijl dat publiek - toen al - de competities financierde.

Wat gebeurt er in 1995? De wetenschappelijke competitie kan niet meer gespeeld worden met de beproefde spelregels. Het publiek is dermate op profijt belust dat het de tribunes afstormt en de spelers tot andere regels dwingt. Opgelegde samenwerkingsverbanden. De wetenschappelijke middenvoor mag niet meer op zijn keeper terugspelen. De hedendaagse utilitaristen eisen dat hij alleen nog speelt met op voorhand aangewezen anderen. De vernieuwing van het spel moet nu vooral van het direct profijt-eisende publiek komen. Niet de wetenschapsbeoefenaren aan Nederlandse universiteiten bepalen meer hoe zij hun vak uitoefenen, maar de profijt-eisers en hun dienaren. Het publiek dat aanvankelijk betaalde, kritisch commentaar gaf en stimuleerde, wil nu als coach het veld op. Maar het gaat natuurlijk mis wanneer de spelregels zelf als bron van vernieuwing beschouwd gaan worden. Op die manier ontaardt de zorg voor volkshuisvesting in een spelletje Monopoly.

Hoe is het zo ver gekomen? Al bijna een generatie lang groeit het aantal studenten gestaag. Tegelijkertijd met het studentenaantal nam ook het wetenschappelijk personeel in omvang toe, vaak gerecruteerd uit de ter plekke ingestroomde studenten. Er was veelal niet of nauwelijks 'selectie aan de poort'. Ik bedoel dus niet de huidige discussie over selectie aan de poort van studenten nu, maar de selectie aan de poort van wetenschappelijk personeel toen. De vogelkooi raakte snel vol. Een gekwetter van jewelste, maar echt mooi zingen konden er maar weinigen. Een nieuwe universitaire bestuursstructuur was het antwoord van de overheid.

Een ramp, zoals zou blijken. Waar de spelregels gericht moesten zijn op wetenschappelijke vernieuwing, ontaardde de academie op menige plaats in een ideologische broedstoof. Daar werd de universiteit voor serieuze wetenschapsbeoefenaren een ware hel. Lange tijd was het begrip kwaliteit volkomen besmet, en wie iets wilde presteren werd als verdacht beschouwd. De maatschappij heeft naar schatting een schade van enige miljarden guldens geleden aan deze democratisering die beter als democratisme de geschiedenisboeken in kan. De overheid greep niet in. Men kan dat laf noemen. Maar geheel volgens het principe van Machiavelli kon men verwachten dat een vernieuwing om bestuurlijke slagvaardigheid weer mogelijk te maken, zou stuiten op hevig verzet van de activisten in de broedstoven. Zij wisten dat de politiek hen en niet de bestuurlijke vernieuwing zou steunen.

Bovendien was er aanvankelijk geld genoeg. Daardoor ontstond de krankzinnige situatie dat zeer hoge kwaliteit met uitstekend management en absolute non-kwaliteit met chaotisch bestuur op loopafstand van elkaar te vinden waren. Natuurlijk werd het laatste beeldvormend voor de publieke opinie. Tot op de dag van vandaag lijdt de universiteit er onder, en dezelfde politiek profiteert er in volle teugen van bij de legitimering van de bezuinigingen. Toch herstelde de universiteit zich redelijk snel. De oude spelregels zijn zo ijzersterk, de bekwame spelers zo geestdriftig, en God zij dank is nog zoveel jong talent voorhanden, dat de zelf-regulatie het wetenschappelijk systeem weer op orde krijgt.

Maar de opgelopen averij was dermate groot dat deze revitalisering van de universiteiten een extra steun behoefde. Deze steun werd geleverd door zorgvuldig uit het wetenschappelijke publiek en oud-spelers gerecruteerde helpers: de vermaledijde groep der beleidsmakers. Maar het is onmiskenbaar dat het universitair beleid, begin jaren tachtig gestart om financiering van wetenschappelijk onderzoek los te koppelen van studentenaantallen en om kwaliteit nadrukkelijk als criterium in te voeren, een revolutionaire vernieuwing was. Terwijl de studentenpopulatie steeds verder groeide, politiek en overheid een krachtiger bestuursstructuur constant saboteerden en de geldkraan steeds verder dichtdraaiden, wisten wetenschapsbeoefenaren, bestuurders en beleidsmakers met succes de ergste broedstoven uit te roken, vele non-valeurs te verwijderen en de wetenschap aan de Nederlandse universiteiten op hoog internationaal niveau te houden.

De cijfers spreken voor zich: in de periode vanaf 1980 tot begin jaren negentig verviervoudigde in de sociale wetenschappen het aantal publikaties in internationale wetenschappelijke tijdschriften. Terug naar nu. Precies op het moment dat de universiteiten steeds beter orde op eigen zaken stellen, worden ze weer mishandeld. De geest van de uitgerookte broedstoof lijkt in de politiek getrokken te zijn. De minachting voor de vitale zelf-regulatie van de wetenschap lijkt gebaseerd op intellectuelenhaat. Bezuinigingen zijn een vorm van geweld. Je kunt er ver mee komen. Destructie als vernieuwing. Het besturen en beleidmaken, eerder zo cruciaal bij het herstel in de jaren tachtig, wordt meegesleept.

Sommigen houden daarvan. In de val naar beneden kun je immers nog een paar political issues meeslepen: universitair onderzoek is er primair voor de opleiding (een onzinnige en empirisch gemakkelijk weerlegbare stelling), profijtbeginsel, positieve discriminatie, verplichte samenwerking, ontslag voor verstrooide professoren. De grote vernieuwers van deze tijd staan op het veld en schreeuwen het uit tegen de spelers. Samenwerking, jij wel, jij niet. Kerntaken, jij wel, jij niet. Wat is je nuttigheidsgraad?

Vorige week speelde ik nog een fraaie competitie. Ineens kwamen ze weer het veld op. Jij daar: wegwezen. Maar ik speel toch prima? Onbelangrijk, je hoort niet bij ons profiel. Laat er op de publieke tribune nog een stel zeventiende eeuwse kooplieden zitten. Die kwamen toen ook maar naar beneden om het veld schoon te vegen en de spelers te ontzetten.

Het zal met de wetenschapsbeoefening in Nederland net zo gaan als met voetbal: alleen als het spel gespeeld wordt volgens beproefde regels met de beste spelers, onder het toeziend oog van een kritisch maar fatsoenlijk publiek, dan kunnen we echt genieten. Dat is pas profijt!