Wet maakt poëzie duur voor bibliotheek

Gedurende het paasreces zal de Tweede Kamer een wetsvoorstel behandelen, en vermoedelijk goedkeuren, dat een wettelijke leenvergoeding in de auteurswet vastlegt. Dat de regeling nu in de auteurswet wordt opgenomen en niet, zoals voorheen in de Welzijnswet, brengt een belangrijke wijziging met zich mee: volgens het nieuwe wettelijke principe moet voor iedere uitlening betaald worden en zal het geld verdeeld worden onder de uitgevers en auteurs naar rato van het aantal uitleningen.

Uitgevers, met literair uitgever Maarten Asscher voorop, en belangenverenigingen van auteurs, waaronder de Vereniging van Letterkundigen, hebben lange tijd voor deze auteursrechtelijke oplossing geijverd, voornamelijk omdat zij vermoeden dat een dergelijke 'open-einde'-regeling meer geld oplevert dan de huidige regeling waarbij de overheid rechtstreeks subsidieert door jaarlijks tien miljoen ter beschiking te stellen ter verdeling als leenvergoeding. De tot nu gehanteerde cultuurpolitieke benadering van de leenvergoeding werd vooral door Asscher steeds in de scherpst mogelijke bewoordingen veroordeeld, hij sprak van 'de onhoudbare situatie van het pseudo-leenrecht'. Volgens hem en de andere voorstanders van deze nieuwe regeling zullen bibliotheken nu eindelijk behandeld worden als exploitanten van hetwerk van schrijvers en uitgevers.

Het is goed mogelijk dat de auteursrechtelijke benadering de rechthebbenden in totaal inderdaad meer geld gaat opleveren, waarbij bedacht moet worden dat veruit het meeste geld volgens de geldende principes van het auteursrecht naar de reeds succesvolle schrijvers en uitgevers van bijvoorbeeld streekromans zal gaan, omdat die nu eenmaal het meest worden uitgeleend. Het minder populaire werk, waaronder de poëzie, zal er niet of nauwelijks iets mee opschieten. Sterker nog, de kans is niet gering dat de bibliotheken om begrijpelijke redenen de leenvergoedingen niet of slechts ten dele kunnen/willen doorberekenen aan hun klanten. Dan wordt per saldo de zwaardere leenrechtvergoeding een extra belasting voor de bibliotheek-bugetten en is er nog minder ruimte voor aanschaf van mooie, maar weinig gewilde dichtbundels.

Het is in dit licht nogal ironisch dat diezelfde Maarten Asscher zich nu beklaagt over het feit dat de bibliotheken te weinig dichtbundeltjes kopen en dat de Vereniging van Letterkundigen bij monde van haar secretaris op deze plaats constateerde dat het profijtbeginsel van bibliotheken tot cultuurverschraling leidt. Bibliotheken waren toch exploitanten en moesten toch zo nodig voor iedere uitlening gaan betalen? Op dit punt krijgen Asscher en de Letterkundigen nu hun zin. Dat bibliotheken zich nu ook in andere opzichten meer als exploitanten gaan gedragen door geen poëzie aan te schaffen waarvoor bij het grote publiek geen belangstelling bestaat, valt wellicht te betreuren, maar is een logische consequentie van de hen opgedrongen exploitanten-rol. Men kan bibliotheken mijns inziens niet enerzijds beschouwen als exploitanten die per uitlening moeten gaan betalen en anderzijds van hen verwachten dat ze op grote schaal vanuit cultuurpolitieke overwegingen de literaire uitgeverij ondersteunen.