Visveelvraten zijn niet gezonder; Vrijdag visdag

Vis eten beschermt tegen hart- en vaatziekten. Veel vis eten heeft echter niet meer invloed op het hart. Een- of tweemaal per week een stukje vis lijkt voldoende, en visolie-capsules hebben geen zin bij de bescherming tegen hart- en vaatziekten. Dit concludeert de Wageningse hoogleraar humane voeding M.B. Katan in een commentaar in The New England Journal of Medicine (13 april). In dezelfde aflevering van dit Amerikaanse tijdschrift is een onderzoek naar het verband tussen vis eten en hartziekten gepubliceerd. Onderzoekers van de Harvard School of Public Health relateren daarin hartziekten en eetgewoonten van 44.

895 40- tot 75-jarige mannen werkzaam in de gezondheidszorg. In 1986, toen die mannen nog geen hartziekten hadden, vulden zij in het kader van de Health Professionals Follow-up Study een vragenlijst naar hun voedingsgewoonten in. In 1988, 1990 en 1992 werd het onderzoek herhaald. In die zes jaar stierven 264 van de mannen aan een hartinfarct, 547 overleefden een hartaanval en 732 werden gedotterd of kregen een by-pass.

Tegenstanders van de visvangst en oplopende visconsumptie kunnen uit de studie een voor de visindustrie onplezierig resultaat presenteren: de 20% grootste viseters (vaker dan zesmaal per week) hadden een iets hoger risico (1,13 keer) op hart- en vaatziekten dan de 20% mannen die het minst vis aten. Maar onder de deelnemers met de hoogste visconsumptie zaten veel mensen die (aan hun dieet en gezondheidskenmerken te zien) te laat gezond zijn gaan leven en het tij kennelijk niet meer konden keren. Bij een andere presentatie van het resultaat is de uitslag veel positiever voor de visboer: een vergelijkig van alle mannen die vis aten met alle mannen die geen vis aten levert een relatief risico van 0,74 voor de viseters. Dat betekent dat mannen die vis eten 25% minder kans op een hartziekte hebben dan mannen die geen vis eten. Voor een eenvoudige dieetvariatie is dat een forse risicoreductie. Een eenduidig verband tussen visconsumptie en het risico op hart- en vaatziekten bestaat niet, concluderen de Harvard-onderzoekers. Vis beschermt optimaal bij een à tweemalige consumptie per week. Bij minder en bij meer stijgt het risico op hartziekten.

De bescherming die vis biedt tegen hartziekten is niet alleen als een statistisch verband door epidemiologen gevonden. Er ligt een moleculaire theorie aan ten grondslag. Een fractie van de vetzuren in vis wijkt af van die in zoorgdierenvet. Deze visvetzuren zijn langketenige meer(drie)voudig onverzadigde vetzuren en daaraan wordt het gezondheidsbevorderende effect van vis toegeschreven. Ze heten omega-3-vetzuren.

Triglyceridegehalte

Naar visolie is veel onderzoek gedaan. De omega-3-vetzuren verlagen het triglyceridegehalte in het bloed (wat goed is), maar verlagen niet het LDL (het slechte cholesterol). Ze verhinderen de bloedstolling enigszins en verlengen de bloedingstijd, maar minder dan een lage dosis aspirine het doet, schrijft Katan. In een eerder verschenen commentaar in het British Medical Journal (1 april) is farmacoloog B. Prichard van het University College London iets positiever over de effecten van visolies, vooral op in de reageerbuis geteste onderdelen van het bloedstollingsmechanisme en voor mensen die al een hartinfarct of -operatie hebben doorgemaakt. Hoeveelheden visolie die een normaal mens amper zal verdragen, verlagen de bloeddruk. Een dieet met vette vis en een met visolie reduceren het aantal doden onder mensen die al een hartaanval hadden doorgemaakt enigszins.

De meeste belangstelling gaat echter uit naar het effect van vis op aanvankelijk gezonde mensen. De Harvardstudie is verreweg het grootste onderzoek ooit uitgevoerd onder een gezonde populatie. Katan haalt in zijn commentaar de oudere studies aan waarmee tot een decennium geleden de strijd om het gezondheidseffect van vis werd gevoerd. In Japan komen weinig hartaanvallen voor, maar in Oost-Finland veel. De Eskimo's worden ons vaak ten voorbeeld gesteld als een natuurvolk waar geen hartkwalen voorkomen. Maar, werpt Katan tegen, Eskimo's eten liever zeehond en walvis en ze stierven in hun natuurlijke staat meestal zo jong dat hartziekten sowieso geen kans kregen.

In de Westerse bevolking, zonder hartziekte, waren de resultaten van visonderzoek lang tegenstrijdig. Beroemd is het Nederlandse onderzoek van de tegenwoordige hoogleraar epidemiologie D. Kromhout. Tien jaar geleden publiceerde hij in The New England Journal of Medicine de uitkomst van een twintigjarig onderzoek bij 852 mannen van middelbare leeftijd in Zutphen. Onder de mannen die gemiddeld meer dan 30 gram vis per dag aten was de sterfte aan een hartaanval de helft lager dan onder de mannen die geen vis aten. Dezelfde uitkomst lieten de 1931 mannen die 25 jaar werden gevolgd in de Western Electric Study zien. Maar in een grote Noorse studie en een onderzoek onder naar Hawaii verhuisde Japanners kwamen de grote viseters er niet beter van af.

Commentator Katan en de auteurs van de Harvardstudie wijzen erop dat de deelnemers aan de Japanse en Noorse onderzoeken allemaal veel vis aten. Er werden achteraf gezien dus gezondheidsverschillen gezocht tussen viseters en visveelvraten en die bleken afwezig. Ook de gezondheidsprofessionals die aan de nu gepubliceerde Harvardstudie meededen aten al flink vis. Maar ze waren daarmee pas begonnen in de jaren kort voordat de studie begon, nadat de media berichtten over het gunstige effect van vis op hart en bloedvaten. De resultaten zijn daardoor beïnvloed, zagen we al, maar in enkele deelanalyses laten de onderzoekers zien dat het effect niet al te groot is. Kromhout en twee medewerkers laten echter in een nieuw onderzoek zien dat in een onbeïnvloede groep ouderen (geboren voor 1907) matige visconsumptie sterke sporen achterlaat. In het aprilnummer van het International Journal of Epidemiology beschrijven ze hoe onder 272 bejaarde Rotterdammers de sterfte aan hartaanvallen tussen 1971 en 1988 bij de viseters de helft was van die van de niet-viseters. In die 17 jaar overleden wel 187 mensen uit de onderzochte groep. Kromhout heeft daarmee aangetoond dat een beetje vis goed is en blijft.