Twijfel over bestaansrecht EBRD blijft

Twee Nederlandse bankiers, die in Warschau en Boedapest werken, nemen het wedervaren van de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD) nog eens door. De jaarvergadering heeft genoeg interessante gesprekken opgeleverd en het hoofdkantoor met het veelbesproken marmer is zelfs binnen de aan fraaie gebouwen zo rijke City van London een absoluut juweel. “Alleen”, zegt een van hen, “het is jammer dat hier sprake is van een volstrekt overbodige instelling, die niets doet wat anderen niet ook doen.”

De twee bankiers waren onder de ongeveer 3.000 aanwezigen bij de jaarvergadering niet de enigen, die hun twijfels uitten over bestaansrecht van de bank. Soms werden deze hardop uitgesproken in afgezwakte vorm, vaker in de wandelgangen. De nadruk die is gelegd op verdere kostenbesparingen, is al een teken dat de aandeelhouders waar willen voor hun belastinggeld. Fundamenteler is de veel gestelde vraag of de bank die in 1991 is opgericht op de omwenteling in Oost- en Centraal-Europa te ondersteunen, werkelijk onvervangbaar en uniek is.

Internationale financiële instellingen als de EBRD ontlenen hun bestaansrecht aan het feit dat zij geld steken in projecten, die commerciële banken niet willen financieren. De EBRD is soepeler bij het ontbreken van een volwaardig onderpand en accepeert zeker in het begin een geringer rendement, zolang de kasstroom voldoende is. De bank kan dat doen doordat niet meer wordt uitgeleend dan het eigen vermogen van 10 miljard ecu (ruim 20 miljard gulden) groot is, terwijl bij normale banken de portefeuille het kapitaal vele malen overtreft. De bank heeft een pioniersrol waarbij elke gulden die in een project wordt gestopt in principe vergezeld moet gaan door twee guldens van een commerciële bank.

De EBRD is echter niet de enige die in Oost-en Centraal-Europa projecten van geld voorziet. Miljarden guldens zijn ook afkomstig van de Wereldbank, de Europese Investeringsbank (EIB), de International Finance Corporation (IFC), en de hulpprogramma's Phare/Tacis van de Europese Unie. De vraag die de afgelopen dagen steeds werd gesteld is of deze instellingen het niet alleen af kunnen - desnoods met een versterke afdeling voor de voormalige communistische landen.

De Oost-Europabank steekt steeds meer geld in ondernemingen en minder in de overheidssector, zoals vorig jaar in Sint Petersburg is afgesproken en afgelopen week nog eens werd bekrachtigd. De bank zit daarmee op dezelfde lijn als de IFC, het onderdeel van de Wereldbank dat is gespecialiseerd in de financiering van de particuliere sector. In de wandelgangen lieten bankiers in Londen weten dat zij bij hun werk in de regio hebben ervaren dat de IFC en EBRD soms elkaars concurrent zijn bij de financiering van aantrekkelijke projecten.

De EIB, het instrument waarmee de EU langlopende leningen verstrekt, probeert ook om meer geld te stoppen in het midden- en kleinbedrijf. Zelfs de Wereldbank, die van oudsher is gericht op de overheid, laat af en toe het oog vallen op een particulier project. De aandeelhouders hebben niettemin de strategie om de aandacht verder te verleggen naar de privé-sector deze week opnieuw bevestigd.

Willen de landen die een belang hebben in de bank de verdere expansie ook betalen? De toegezegde leningen beslaan in inmiddels de helft van het kapitaal, zodat de grenzen in zicht zijn gekomen. De Oost-Europabank heeft formeel de opdracht gekregen een onderzoek te doen naar een uitbreiding van het kapitaal, dat volgens de statuten bij de jaarvergadering van 1996 moet worden herzien. De kapitaalsuitbreiding is in feite de lakmoesproef voor de wil om de bank te laten voorbestaan. Het antwoord “nee” veroordeelt de bank immers tot een vegeterend bestaan.

De bezinning op de toekomst van de EBRD, is onlosmakelijk verbonden met de recente herbezinning van de industrielanden op de multi-laterale instellingen als het Internationaal Monetair Fonds (IMF), de Wereldbank, de African Development Bank en de Asian Development Bank. Deze zomer is er een bijeenkomst in Halifax over het functioneren van deze veelal decennia oude instituten in een wereld die snel verandert.

De EBRD is besmet geraakt met het Halifax-virus, met dank aan de Verenigde Staten, de grootste aandeelhouder. De Amerikanen lieten deze week weten: eerst praten in Halifax en dan eens kijken naar extra geld voor de bank. Sinds de Republikeinen in het Congres de meerderheid hebben is de bereidheid in de VS om bijdragen te leveren aan internationale organisaties waaronder ook de Verenigde Naties verder afgenomen. Een lid van de Amerikaanse delegatie liet zich anoniem ontvallen in Londen: “Het Congres is in een heel slechte stemming. Elk voorstel om extra kapitaal 'aan buitenlanders' te geven, zou nu worden afgeschoten.”

De Amerikaanse minister van financiën, Summers, ging tijdens de jaarvergadering nog een stap verder. De bank moet volgens hem op termijn worden geprivatiseerd, terwijl grote delen van de portefeuille nu al verzelfstandigd kunnen worden. Summers wees erop dat het overgangsproces een tijdelijke zaak is en de daarmee de rol van de bank ook. In het geval van een rijpe bank die zijn werk er bijna heeft opzitten zou een dergelijke opmerking hooguit een formaliteit zijn. In het geval van de EBRD, die nog maar net is begonnen en nog enorme taak voor zich ziet, duidt het spreken over een mogelijk spoedig einde niet op een grote overtuiging van het nut van de bank.

De twijfel over het bestaansrecht leeft niet alleen bij de Verenigde Staten, maar ook bij Canada. Zelfs welwillende landen Duitsland en Nederland hebben in minder harde bewoordingen laten weten dat de bank in Oost-Europa nog moet aantonen een unieke bijdrage te kunnen kunnen leveren aan de economische hervormingen.

Frankrijk en Groot-Brittannië hielden zich op de vlakte. De Britse premier Major noemde in zijn toespraak de talloze vuurhaarden aan de rand van Europa, waarmee hij impliciet de nadruk legde op van de bank bij politieke problemen. Zo bezien manier is de bank nog steeds wat die was bij de oprichting: een aanvankelijk door Frankrijk geformuleerd politiek antwoord van Europa op de veranderingen in het oosten. De exacte formulering voor een adequaat economisch en financieel antwoord moet nog worden gevonden.